Uw zoekacties: Bureau wederopbouw, herverkaveling financiering: tekeningen,...
x1526 Bureau wederopbouw, herverkaveling financiering: tekeningen, 1945 - 1951 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1526 Bureau wederopbouw, herverkaveling financiering: tekeningen, 1945 - 1951 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Na de tweede wereldoorlog bestond er een bijzondere staat van beleg, een soort noodbestuur, het Militair gezag (MG). Een van de laatste besluiten van het kabinet Gerbrandy II was het zogenaamde wederopbouwbesluit, van 07-05-1945, een Koninklijk Besluit dat voorschreef hoe de wederopbouw moest plaatsvinden. Er werd een College van Algemene Commissarissenvoor de wederopbouw ingesteld (later opgegaan in het ministerie voor wederopbouw en volkshuisvesting) die in principe volledige zeggenschap over de wederopbouw had alsmede een prioriteitscommissie die de urgentie bepaalde van de te ondernemen wederopbouw waarbij voorrang aan herstel der infrastructuur werd gegeven. Het College van Algemene Commissarissen stond onder toezicht van het ministerie van Waterstaat en Wederopbouw; later na de kabinetswisseling ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. Het overgangskabinet Schermerhorn- Drees achtte het niet nodig om het Koninklijk Besluit door de (voorlopige) Staten Generaal te laten bekrachtigen. Zij zag de wederopbouw als een nationale taak geleid door nationale rijksdiensten.
Het College van Algemene Commissarissen heeft verregaande bevoegdheden (door gemeentebesturen worden geen bouwvergunningen verleend dan na goedkeuring van of vanwege het College van Algemene Commissarissen art.19 wederopbouwbesluit ) In het wederopbouwbesluit werd niet gerept over enige taak die de Gemeenten bij de wederopbouw van hun eigen verwoeste gebieden konden vervullen. Wederopbouwplannen behoefden geen goedkeuring van de gemeenteraden (Noodraden). Bij de beoordeling van plannen werd door de Commissarissen overlegd met de Rijksdienst voor Monumentenzorg welke laatste ressorteerde onder het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Indien de wederopbouwplannen niet naar wens waren had Monumentenzorg a.h.w. een veto recht. In het geval van Groningen is dat een paar maal gebeurd.
Groningen had voor de oorlog geen stedenbouwkundige dienst zodat reeds tijdens de bezetting op initiatief van Schut, directeur Gemeentewerken, in overleg met de uit het ambt gezette college en burgemeester Cort van der Linden besloten werd om een adviesbureau voor wederopbouw op poten te zetten. De stedenbouwkundige Granpré Molière werd benaderd en hij zou na de bezetting deze taak voor de gemeente op zich nemen. Het Wederopbouwbesluit verhinderde echter dat Granpré direct voor de gemeente zou werken. Hij werd chef van het Advies Bureau voor de Wederopbouw dus niet in de eerste plaats adviseur van de gemeente maar bovenal de aan het Rijk verantwoordelijke supervisor. De nieuwe dienst was een verlengstuk van de nationale overheid. Granpré en zijn naaste medewerkers Pouderoyen en Verhagen werden betaald door Den Haag. Het Adviesbureau voor de Wederopbouw ontwikkelde de plannen en niet Gemeentewerken. De gemeentelijke autonomie kwam in gevaar.
Op 4 september 1945 riep het college en de burgemeester de Gemeentelijke Commissie voor de Wederopbouw, kortweg de Wederopbouwcommissie, in het leven. Onder leiding van Cort van der Linden beoogde deze commissie de gemeentelijke belangen te verdedigen tegen centralistische tendensen van de overheid. Men voelde zich geroepen om de burgers bij de wederopbouw te betrekken, althans zo luidde het en men nam aanvankelijk de taak van de raad bij de wederopbouwplannen waar. In de commissie zaten vertegenwoordigers van stedelijke belangengroepen plus twee burgers, één van linker en één van rechter signatuur, (zodat deze twee laatsten in ieder geval alvast geen meerderheid konden vormen, zou een kwaadwillende burger denken die voor de gesloten deuren stond waarachter de vergaderingen plaatsvonden).Granpré en van der Linden konden het best vinden met elkaar. Met gemeentewerken werd geen overleg gepleegd, haar functie was secundair. Schut voelde zich buiten spel gezet, hetgeen leidde tot onenigheid tussen hem en Cort van der Linden over de uitbreidingsplannen voor het stadhuis.
Verhagen was de schakel tussen het adviesbureau en de wederopbouwcommissie; hij vertegenwoordigde de belangen van het rijk en het centralistische standpunt. Er was wel overleg met het Adviesbureau voor de Wederopbouw. Dat vond plaats op het door het rijk gefinancierde kantoor van het adviesbureau. Daar werden ook de plannen ontwikkeld en was de plaats waar de tekeningen en schetsen gemaakt werden. Granpré, een wijs en gematigd persoon, was bereid rekening te houden met de wensen van de Wederopbouwcommissie, lichtte zijn ontwerpen toe en nam geuite wensen mee terug naar het Adviesbureau. Commissieleden kregen geen plannen thuis gestuurd.
Er tekenden zich dus drie problemen af:
- er was geen gemeenteraad waardoor de burgers niet gerepresenteerd waren,
- meningsverschil over de positie van het Adviesbureau (instrument van de rijksoverheid versus gemeentelijke autonomie en het zelfstandig maken van plannen),
- De relatie Granpré Molière, Cort van der Linden en Schut.
In oktober 1945 werd er een tijdelijke noodgemeenteraad geïnstalleerd. De verhouding tussen de Wederopbouwcommissie en de Gemeenteraad was niet ideaal. De Gemeenteraad werd niet op de hoogte gebracht van de verschillende fasen der plannen. Pas in februari 1946 werd de stand van zaken bekend gemaakt De raad werd pas op de hoogte gesteld van de wederopbouw- / uitbreidingsplannen nadat deze in een definitieve vorm waren gegoten. De waarde van een goedkeuring door de raad was niet duidelijk. Verhagen stelde voor de resultaten van de raadsbehandeling door te sturen naar Den Haag. Op de eerste plannen voor wederopbouw van 1946 (in september 1946 door de Wederopbouwcommissie aanvaard) kwam echter kritiek uit Den Haag van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Gevolg was dat zij in deze vorm onaanvaardbaar bleek.
De ontwikkelingen tot zover moeten worden gezien tegen de achtergrond van de verwarrende naoorlogse situatie en onzekerheid over de toekomstige hervormingen in het democratisch staatsbestel en dat gold ook voor de manier waarop Gemeenten zouden worden bestuurd. De nood dwong ertoe over te gaan de centrale overheid ongekende bevoegdheden te verlenen. Toch lukte het Granpré Molière een plan te maken dat aansloot bij de wensen van het stadsbestuur. Dit plan van september 1946 kan men beschouwen als de kern in de plangeschiedenis van de nieuwe Grote Markt. Alle latere plannen zijn afgezwakte varianten van dit oorspronkelijke ontwerp. De eerste landelijke verkiezingen werden in mei 1946 gehouden gevolgd door die van Provinciale Staten en de gemeenteraden enkele weken later. De eenheid tijdens de bezetting bleek slechts schijn te zijn, opgelegd door de nood der omstandigheden. De bezetting had geen breuk met het verleden gebracht. De oude lijn werd weer opgevat. Daarmee is de N.V.B. gedachte en de doorbraak mislukt.
De Gemeenteraad won nu weer aan invloed en zij uitte kritiek op de ondemocratische wijze waarop het wederopbouwplan tot stand was gekomen. De perikelen rond de dekolonisatie van Indonesië eisten alle aandacht op en leken een blijvende centralisatie te rechtvaardigen zodat de nationale overheid niet terugtrad en de bereidheid om grote sommen geld in de wederopbouw te steken afnam. Het college verzuimde om de gemeenteraad volledig in te lichten over de totstandkoming van het wederopbouwplan. Dit berustte op een verschil van mening over de positie van het college, Cort van der Linden zag dit orgaan niet als een `boodschappenjongen` van de Raad, maar als leidinggevend lichaam in de Gemeente. Ook wist de Raad niets over de moeilijkheden met de Directeur van Gemeentewerken en over de positie van Granpré.
Feitelijk trof de kritiek van de Gemeenteraad geen doel; zij werd niet gepasseerd door de Wederopbouwcommissie, noch door het College, maar door de centrale overheid. Deze rol van de overheid werd door B&W gebagatelliseerd en buiten de Raad gehouden. Gevolg was wel dat de Wederopbouwcommissie geen rol van betekenis meer speelde na de installatie van een gekozen Gemeenteraad. Er ontstond een wantrouwen van de Raad ten opzichte van de gemaakte plannen. Cort van der Linden bleef de plannen steunen. De Raad onthield haar goedkeuring aan de inmiddels gewijzigde plannen .Wat er moest gebeuren met de verwoeste delen van het centrum werd nu de inzet van een politiek steekspel. De meningen waren verdeeld; epigonen van Hermes wensten een centrum dat aan de legende van "Groningen als derde handelsstad" wat meer gestalte zou geven. Weer anderen stelden zich een bolwerk van geleerdheid en cultuur voor, terwijl de derde stroming een gigantisch bestuurscentrum , dat een nieuwe geordende samenleving moest uitstralen, vóórstond.
Vegter werd aan het Adviesbureau voor de Wederopbouw toegevoegd in verband met de stadhuisuitbreiding, hij had voor de oorlog een prijs gewonnen voor het ontwerp van een nieuw stadhuis in Amsterdam. Hij was deskundige voor de herverkaveling en is in rijksdienst. Later na vaststaan van het basisplan ging hij over in Gemeentedienst. Aanvankelijk was hij een aanhanger van de Delftse School als bouwstijl, de richting van Granpré, doch hij "bekeerde" zich later tot het zogenaamde `Nieuwe Bouwen` de richting van de vroege Le Corbusier, of ook wel functionalisme genoemd. Was Vegter een kameleon?
Er werd een versoberde versie van het wederopbouwplan in 1947 aan de Raad voorgelegd, het Forumplan, dat moest tegemoet komen aan alle partijen zoals de naam al deed uitkomen, de laatste poging om tot een groots ontwerp in de traditie van de Delftse School te komen. De arme stedenbouwkundige Grandpré was echter als het ware in een bak met piranha's terecht gekomen, zodat uiteindelijk van zijn plannen slechts een afgekloven skelet overbleef. De gemeenteraadsleden bleven vinden dat zij onvoldoende in de plannen waren gekend en dat zij moesten slikken of stikken. Het Forum plan werd niet door de raad goedgekeurd. Daarnaast gaf de overheid geen toestemming voor de afbraak van nog intacte panden aan de Guldenstraat.
Hiermee zijn we aangeland bij de term Wederopbouw die soms verwarrend is omdat sommige nieuwbouw- en uitbreidingsplannen en verfraaiingen geen strikte wederopbouw waren en dus door de Algemene Commissarissen niet voor een rijksbijdrage in aanmerking kwamen. Dit gold bijvoorbeeld wanneer een plan de afbraak van onbeschadigde panden vereiste. Dan verkreeg men geen toestemming van de Commissarissen en dus geen rijksbijdrage. De belangenstrijd spitste zich nu geheel toe op de uitbreidingsplannen voor het stadhuis. Om uit de impasse te geraken besloot men tot de oprichting van de Raadscommissie van bijstand voor zaken betreffende de Wederopbouw in 1948. Zij verving de Wederopbouwcommissie.
Doel was om tot overeenstemming te komen tussen het College en de nu bij de besluitvorming betrokken Gemeenteraad. Het was een zuiver politieke commissie, alle fractievoorzitters waren lid uitgezonderd de CPN! Dit laatste was het gevolg van de nu opkomende Koude Oorlog en de gebeurtenissen in Praag in 1948. Deze Koude Oorlog zou de totstandkoming van het plan van de Grote Markt overheersen. Geen van de politieke partijen durfde hun handen te branden door samenwerking aan te gaan met de niet onaanzienlijke fractie van de CPN. Het vormen van een meerderheid door PVDA en CPN, die het meest voor de hand zou hebben gelegen werd onmogelijk. De dienst Stadsuitbreiding en Volkshuisvesting werd buiten de Raadscommissie gehouden.
Het falen van het Forumplan gaf het startsein voor de gedupeerden om met eigen voorstellen te komen. De belangengroep `Comité herbouw Groningen's Binnenstad` schakelde de architecten Emck en Reitsma in, die alternatieve voorstellen vervaardigden. Het Comité was een epigoon van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Voor Tellegen gold hetzelfde. Ook Granpré en zijn naaste medewerkers Pouderoyen en Vegter leverden alle drie schetsplannen in voor de stadhuisuitbreiding. De gedupeerden wachtten niet langer af en stuurden hun plannen rechtstreek naar het College van Algemene Commissarissen. Daarnaast dreigde de overheid met de weigering om nog langer op te draaien voor de kosten die het voorbereiden van de wederopbouwplannen met zich meebracht. De greep vanuit Den Haag dreigde de invloed van de eigen Gemeenteraad te overstemmen. Men moest nu wel tot een oplossing komen Granpré beloofde het supervisorschap over de architectuur op te geven om zo een compromis te vergemakkelijken. De weerstand tegen zijn historiserende bouw stijl bleef groot. De beslissende Raadsvergadering was op 31 mei 1949. Met de motie De Jong van de CPN werd het plan eindelijk aangenomen. De alternatieve oplossingen waren nu van de baan.
Het élan was nu uit de plannenmakerij en de zaak werd opgestuurd aan het College van Algemene Commissarissen. Een oplossing voor het stadhuis moest nog worden gevonden, en het zou nog drie jaar duren voordat de eerste steen zou worden gelegd. Vechter ontwierp de nieuwe stadhuisuitbreiding. De ontwerpen van Granpré, die toch niet zonder allure waren en de ideeën van de Delftse School hadden het nu definitief verloren van de stroming die het functionalisme, het nieuwe bouwen, voorstond. Hoewel de aandacht voor de wederopbouw vooral op de indeling van de Grote Markt was gericht, waren er ook nog andere gedeeltes van de stad beschadigd door oorlogsgeweld. Voor het toezicht op bouwactiviteiten was er een Supervisiecommissie in het leven geroepen die waakte over zaken die de architectuur betroffen. Leden waren Granpré, Pouderoyen en iemand namens de Gemeente. Daarnaast was er een Bouwraad die moest voorkomen dat gedupeerden opbouw zouden plegen die niet paste bij het stedenbouwkundige plan en eventuele geschillen moest oplossen.
Beschadigde of verwoeste percelen werden direct na de oorlog onteigend. Gedupeerden kwamen in aanmerking voor schadevergoeding (gebaseerd op het prijspeil van mei 1940) maar ontvingen geen geld. Het tegoed werd ingeschreven in het Grootboek voor de Wederopbouw. Inschrijving betekende dat men een herbouwplicht aanging. Verdere financieringsmogelijkheden waren aanwezig. Ontheffing van herbouwplicht was mogelijk. De inschrijvingen waren overdraagbaar. De gemeente heeft hier veel gebruik van gemaakt om zo veel percelen in bezit te krijgen. Voor de overdracht van gronden was wel een raadsbesluit nodig. November 1949 vindt er een reorganisatie plaats in de Supervisiecommissie voor de Wederopbouw, leden: Dienst volkhuisvesting (Van Boven) en de architecten Van der Steur en Van Tijen. Zij neemt het stedenbouwkundige werk van Granpré Molière over.
De Dienst Gemeentewerken was in 1947 gesplitst in een dienst Openbare Werken en een dienst Stadsuitbreiding (1960 Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting genoemd) met Van Boven als direkteur. Op initiatief van Van Tijen komt er een Adviescommissie voor Architectenkeuze (A.C.V.A) November 1949. Hierin zitten Dieperink, hoofd provinciaal wederopbouwbureau; Van Halewijn en oud-minister Van der Leeuw. Hun taak werd het winkeliers en andere opdrachtgevers die in het kader van het wederopbouwplan wilden bouwen te adviseren over de te kiezen architect. Formeel waren de adviezen niet bindend doch een Oké van deze ploeg maakte een goedkeuring door de Supervisiecommissie zo goed als zeker. Deze club was voorstander van het zogenaamde Nieuwe Bouwen. In 1956 werd zij opgeheven. Op 16 juni 1950 komt er een nieuwe Wederopbouwwet (Sts.bl. No. K260 en K236) die van kracht zou blijven tot 1 januari 1953. Hiermee verviel het Koninklijke Besluit van 7 mei 1945.
De Gemeenten en hun diensten plannen nu de wederopbouwplannen alsmede de herverkaveling en betalingen voor geleden oorlogsschade. Het College van Algemene Commissarissen bleef de bewaking voeren over de rijksbijdragen. De positie van Monumentenzorg bleef ongewijzigd. Het College van Algemene Commissarissen ging niet akkoord met de ombuiging van de Oude Ebbingestraat in 1950. De rest van het basisplan was goedgekeurd. De nieuwe Wederopbouwwet zou in werking komen en als er geen volledig goedgekeurd wederopbouwplan zou zijn moest men helemaal opnieuw beginnen. B&W voelden zich weer eens in een dwangpositie gebracht. Op 3 april 1951 legde Granpré zijn functie van algemeen adviseur wederopbouw officieel neer. De Supervisiecommissie o.l.v Van Tijen neemt zijn taak over. Het nieuwe bouwen zet door. De Algemene Commissarissen keuren de plannen goed en het definitieve plan werd met algemene stemmen door de Raad aanvaard in 1952. Feitelijk bleven de hoofdlijnen van Granpré intact. Het functionalisme zorgde voor ruim baanvoor het verkeer en de loskoppeling van architectuur en stedenbouw. De laatste werd gereduceerd tot een discipline zonder ruimtelijke ontwerp opvatting.
Eén voor één verschijnen nu de nieuwe gebouwen, "Mutua Vides", een ontwerp van Vegter, als eerste in 1952. In 1953 volgt Vegters ontwerp voor de stadhuisuitbreiding. Deze werd door Monumentenzorg afgewezen vanwege de "luchtbrug"(Monumentenzorg zag liever een ondergrondse verbinding) ook gaf men geen toestemming voor de afbraak van de Hoofdwacht. Een impasse ontstond. In 1957 begint men maar vast met de bouw van het hoofdgebouw dat in 1962 klaar is. De bouwvergunning kwam pas in 1958. In 1960 krijgt men toestemming om de Hoofdwacht af te breken hoewel het ministerie van defensie, de eigenaar, al geld had gereserveerd voor de restauratie! Het cultuurcentrum, aanvankelijk aan de Grote Markt gepland, werd uiteindelijk in de Oosterpoort gerealiseerd.
Op 20 december 1957 verzocht de Gemeente aan het Rijk haar te ontheffen van haar in 1950 opgedragen wederopbouwtaak De geschiedenis van de wederopbouw is daarmee beëindigd.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1945 - 1951
Beschrijving:
Plaatsingslijst van het archief van het bureau voor de wederopbouw, herverkaveling en financiering: tekeningen
Omvang:
3,25 m standaardarchiefberging
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS