Uw zoekacties: Rode- of Burgerweeshuis (1), 1566 - 1958
x1478 Rode- of Burgerweeshuis (1), 1566 - 1958 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1478 Rode- of Burgerweeshuis (1), 1566 - 1958 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding * 
Als datum van oprichting van het Rode-of Burgerweeshuis kan men 19 november 1599 beschouwen, toen burgemeesteren en raad van de stad Groningen de raadsheren Roloff Simons, Luloff Rolefs, Reyner Rolefs en Jasper Rysebeke aanstelden als weesmeesters *  . Enkele decenniën tevoren had men ook reeds gedacht over het oprichten van zulk een huis. In een (transfix) verzegeling van 10 januari 1565 wordt namelijk een rente geschonken aan het weeshuis, hetwelk dan in de stad is gesticht (in 1575 is echter deze rente aan de 'armhuissitten' gegeven, omdat het weeshuis geen voortgang had gevonden) *  . Dr. Johannes Eelts, pastoor-persona van Groningen meende in 1565, dat geen gebouw geschikter was om een weeshuis in te vestigen dan het klerkenhuis aan het St. Walburgskerkhof *  . Voor het stichten van een weeshuis had hij de Groningers ook al van de preekstoel af vermaand te contribueren en inmiddels was reeds een 'groete quantiteyt van penningen' bijeenverzameld *  . Aangezien zijn medefraters er niet voor voelden ging het plan evenwel niet door.
De stadssyndicus had ondertussen wel reeds een ontwerp van een reglement voor de instelling gemaakt, met o.a. de volgende bepalingen: 'men sal een eetplatze ordineren in 't cleercke fraterhuys alwaer de arme aengenoemen wesen daeges driemael sullen coemen eten'. Het eten meende hij op de volgende wijze bijeen te kunnen laten brengen: ' men sal twie, drie oft vieer arme borgers bewilligen, die hoer cost wt de almoesen der stadt oeck moeten hebben en in de maneir van de biddende oorden alle daegen van IX uiren tot XI uiren om te gaen alle daegelixe nooddrufft in goederen ende tot voirs. platze te brengen'. Het is mogelijk, dat de stadswezen inderdaad enige tijd op deze wijze onderhouden zijn *  .
Als eerste voogden en 'voerstanderen des angevangen en de opgerichten weessehuses alhirr' hadden inmiddels burgemeesteren en raad benoemd: Evert Ulger, Gheerdt dMepsche, Derck Roberts en Gheerdt Krull *  . In 1583 dacht het stadsbestuur er wederom over een weeshuis op te richten, een reglement werd opgesteld, maar het is bij deze opzet gebleven *  . Pas in 1599 werd, zoals reeds is vermeld alhier het Rode- (zo genoemd naar de kleur van het te dragen uniform) of Burgerweeshuis opgericht.
Voor wie was nu het weeshuis bestemd? Een antwoord hierop geeft de 'ordinantie ende instructie op hett armen weeshuies binnen Gronningen' van 20 november 1599, vastgesteld door burgemeesteren en raad van Groningen *  . Artikel 6 van deze instructie bepaalt o.m. ' in ditt voersz. armen weesshuies en soelen geene kinder angenomen moegten worden bij den weessmeisteren, dan borgerkinder, die echte geboren sinnen van ehrlijke vrome olderen, die mit geene quade feijten beladen ofte besproken sint gewest, ende dan van vader ende moeder bestorven ende oeck ten minsten voer die leste vier jaren voer hoer luijeden versterven borgers ghewest sint in Gronningen ende dat men wal regart sal nemen dat die ingeboren borgerkinder geprefereert soelen worden voer die van buiten inkomenden'. Hieruit blijkt dus, dat het recht op het weeshuis vanouds verbonden is geweest met het burgerrecht van de stad Groningen (dit verklaart ook de naam Burgerweeshuis).
Toen de financiële situatie van het weeshuis omstreeks 1660 te wensen overliet, nam het stadsbestuur het besluit, dat slechts die weeskinderen in de inrichting zouden worden opgenomen, waarvan de ouders zes jaren burger van de stad Groningen waren geweest *  . De Franse tijd bracht met zich het einde van het burgerrecht, zoals men dit eeuwenlang had gehad. In de staatsregeling van 1798 was het recht op vrijheid van beroep en bedrijf als grondrecht opgenomen. Vanaf die tijd moet de rechtverkrijgende de hoedanigheid van inwoner der stad (gemeente) hebben, lid van de hervormde kerk zijn en een zekere som geld betalen, welke verplichtingen in 1816 nog eens in een besluit werden vastgelegd *  . In de loop der eeuwen zijn veel bepalingen van het stadsbestuur ten aanzien van het weeshuis en de rechten daarop genomen; genoemd kan nog worden een besluit uit 1745, waarin werd bepaald dat soldatenkinderen waarvan de moeder overleden was, z.g. halve wezen, konden worden opgenomen *  .
De stichtingsbrief -althans zo mag men de instructie van 1599 wel beschouwen- geeft in artikel 5 de middelen aan, waarmee de weesmeesters het weeshuis zouden moeten financieren: 'ten eersten daerto gedestineert die opkomsten van S. Jurriens gasthuies to Helpman', goederen volgens het tractaat van reductie (artikel 6) in 1594 aan de overheid gekomen, die deze geestelijke goederen mochten aanwenden tot een godsdienstig doel waaronder ook viel de opvoeding van de jeugd *  . In de loop der jaren zijn evenwel de goederen van dit gasthuis in het latere vermogen van het weeshuis opgegaan, zodat van een oorspronkelijk fonds niet veel meer is overgebleven. Een poging van het raadslid J. Bomers in 1917 om aan deze goederen een andere bestemming te geven, had geen resultaat *  .
Behalve de zojuist genoemde inkomsten konden nog worden aangewend: 'ten anderden geordineert drie hondert Embder gulden jaerlijcx bij te leggen uth hett opkoment der armen huiessitten renten ende huieren.... so lange dit voersz. weeshuies uth sijn eghen opkoment sal koenen onderholden worden' en 'ten derden vier ommegangen jaerlijcx voer der borger doeren'; ook genoemd worden nog de eventueel te ontvangen legaten en gaven *  .
De 'ongeveerlijck twintich weesekinderen... eensdeels knechtkens eensdeels meijskens' werden bij de opname gekleed 'mit een coloer van habijt an die wamboijsen ende an die bucxkens, wal to verstaende alst bovenste kleet van zangen coloer, salt benedenste van root coloer wesen, so anders hett bovenste van root sij, salt beneenste daer tegen zangen wesen... ende sullen op elcx kints mouwe van den slincker arm ghestelt worden dussdanijgen witten cirkel.... een groene G *  .
De huisvesting voor de weeskinderen vormde nog een probleem. Een geschikte plaats daarvoor was het Olde Convent, eertijds een klooster der begijnen van St. Clara -z.g. geestelijke maagden- in de Geestelijke Maagdenstraat, thans Rode Weeshuisstraat. Dit klooster, waar eens Wessel Gansfort (overleden 1490) zijn laatste dagen sleet, was in 1588 aan de Jezuïeten afgestaan, die het de bestemming gaven van een seminarium en college *  . Het stadsbestuur kon echter niet over dit gebouw beschikken, aangezien de kloostergoederen sedert de reductie aan de provincie waren vervallen; dus zouden de staten van Stad en Lande het Olde Convent daartoe moeten afstaan. Dit is ook gebeurd en wel voor het eerst bij besluit van gedeputeerde staten van 24 november 1599. Afgestaan zijn toen: het ziekenhuis, de kapel en de kelder onder het klooster *  .
Aangezien het getal der wezen opliep, kwam men weldra ruimte tekort en in 1602 begon men opnieuw bij gedeputeerde staten aan te dringen om meer plaats in het klooster ten behoeve van het weeshuis af te staan. Het verzoek werd toegewezen *  . Men kon deze aanvraag doen, aangezien bij resolutie van de staten van 20 juni 1601 was bepaald, dat in ruil voor de St. Maartensschool, die het stadsbestuur voor een provinciehuis had afgestaan, enige plaats in het klooster voor een weeshuis of anders kon worden gebruikt *  . Zo was omstreeks 1621 het hele voormalige kloostergebouw aan het weeshuis gekomen. Een aardig overblijfsel uit vroegere tijd is nog het uit 1627 als hoofdingang gebouwde poortje in de Rode Weeshuisstraat. In de jaren 1860-1861 zijn door radicale verbouwing veel resten van het oude klooster, zoals koor en kapel afgebroken *  . Betreffende het gebouw kan als slot nog worden vermeld, dat in 1875 de zeevaartschool aldaar enige lokalen in gebruik had; in de loop van 1885 zijn deze weer aan het weeshuis ter beschikking gesteld *  .
De stedelijke overheid behield blijkens artikel 1 van de eerdergenoemde ordonnantie het oppertoezicht over het weeshuis. Dit blijkt ook wel uit de verschillende regelingen, die de toezichthouders in de loop der eeuwen ten aanzien van het weeshuis hebben uitgevaardigd hun keuze 'op avende petri ad cathedram' (=21 februari) van de vier weesmeesters 'die op de weesen sullen sien' en in de verplichting om jaarlijks aan de stad rekening en verantwoording van de administratie van het huis af te leggen *  .
Van 1766-1880 hebben de voogden van het weeshuis zich ook nog belast met het beheer van de Bank van Lening alhier. In october 1766 richtten zij zich tot burgemeesteren en raad der stad met het verzoek om wegens 'de slegte staat van des weeshuises finances'... en 'aangezien het gesticht mogelijke voordelen kon behalen ter versterking van de financiën' deze bank, op dat moment nog een winstgevende instelling, te pachten *  . Het stadsbestuur stemde toe en bij hun resolutie van 28 october 1766 werden de voogden met ingang van 3 november 1766 met het beheer over de bank van lening, tegen een pachtsom van fl.1000,-per jaar-na 10 jaren te verhogen tot fl.1450.--belast *  . Voor dit doel kochten de voogden in 1767 voor fl.7000,-'de oude leenbank met zijn annexe behuisingen' en in 1808 voor uitbreiding van de bank de ernaast gelegen herberg 'De Dubbele Pomp' voor fl.2073,-(afgerond). Omstreeks de 2e helft van de 19e eeuw bleek, dat het pachten van de Bank van Lening minder voordelen opbracht, dan aanvankelijk werd verwacht. Daarom verzocht de voogdij om ontheffing van deze administratie en verkreeg deze met ingang van 1 januari 1880 *  . Na nog enkele jaren het pand te hebben onderverhuurd werd het in 1903 aan de gemeente Groningen verkocht voor fl.25000,-ten behoeve van de bouw van een hoofdbureau van politie *  .
Als belangrijkste financiële aanwinst verkreeg het Rode Weeshuis bij testamentaire beschikking van 4 mei 1750 en codicillen van 1 april 1752 en 20 october 1752, het door de hoogleraar Arnoldus Rotgers (o.m. adviseur van Rudolf de Mepsche) aan het weeshuis vermaakt vermogen. De in het testament gestelde voorwaarden vergden een aanzienlijke financiële administratie, zodat het beter werd geacht de archivalia op deze administratie hebbend, onder een aparte afdeling in deze inventaris op te nemen.
In 1958 is het archief van het Rode-of Burgerweeshuis, in bruikleen, naar het depot van het gemeentearchief overgebracht. Inventarisatie vond tevoren nooit plaats. Toen in 1850 de toenmalige provinciale archivaris mr. H. O. Feith in het algemeen inlichtingen inwon over de toestand der archieven in deze provincie aanwezig, welke niet onder zijn beheer waren gesteld, werd door de voogden besloten 'aangezien de voogden geen kennis dragen dat er iets van dien aard in het gesticht van eenig belang aanwezig is, om te antwoorden, dat er bij het gesticht geene archieven voorhanden zijn' *  . De materiële toestand van het archief laat veel te wensen over; het grootste gedeelte van de stukken en de delen (vooral de rekeningen) zijn ernstig door het vocht aangetast. Als gevolg van het oppertoezicht van burgemeesteren en raad over het weeshuis bevindt zich in het archief van de stad Groningen een praktisch volledige serie rekeningen van het Burgerweeshuis van 1631 af. Bij de inventarisatie bleek, dat archivalia betreffende goederen van het St. Jurjensgasthuis in Helpman zich onder de archivalia van het stadsbestuur bevonden. Deze delen zijn teruggebracht naar hun oorspronkelijke plaats: het archief van het Rode Weeshuis *  . Een en ander was ook het geval met twee delen-instructieboeken-van het weeshuis *  . Als jaar van scheiding voor de opname van regesten is genomen het stichtingsjaar 1599.
Inventaris
3. Varia
4. Aanvulling 1984/30
Bijlage: Regestenlijst van afschriften voorkomende in de inv. nrs. 22 en 36
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van het archief van het Rode - of Burgerweeshuis
Behoort tot collectie:
Gemeente Groningen
Omvang:
13,24 m standaardarchiefberging
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS