Uw zoekacties: Kwinkenplaats en daaraan gelegen percelen, 1633 - 1904
x1452 Kwinkenplaats en daaraan gelegen percelen, 1633 - 1904 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1452 Kwinkenplaats en daaraan gelegen percelen, 1633 - 1904 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De hieronder beschreven stukken zijn afkomstig van de heer B. de Jager Rodenberg te Leiden (t.w. de nrs. 3, 4 en 5) en van de heer G.B. Rodenberg te Scheveningen (de overige nrs.) die ze resp. in 1929 en 1930 aan het gemeentearchief ten geschenke hebben gegeven. Ze hebben alle - behalve één brief, die in een aanhangsel afzonderlijk beschreven is - betrekking op of houden althans verband met de Kwinkenplaats en de daaromheen gelegen percelen. Compleet is de verzameling niet, en dit maakte het onmogelijk met nauwkeurigheid uit te maken hoe de verschillende percelen van de ene hand in de andere zijn overgegaan; dikwijls kan men alleen zeggen, dat een perceel op een zeker tijdstip in het bezit van een bepaalde persoon was, omdat die persoon in een uitspraak van de heren van de Cluft of in een overeenkomst als eigenaar wordt genoemd. Het onderzoek der stukken leidde, wat de eigendom der verschillende percelen betreft, tot de volgende conclusies. Het gehele complex huizen om de Kwinkenplaats gelegen is kort voor 1634 in het bezit geweest van Melle Broersema, ontvanger-generaal. De 7 januari 1634 echter werd alles op verzoek van zijn schuleisers bij keerskoop verkocht. Het grote huis "de Quinke" genaamd, ten z. van de plaats gelegen en waarbij de helft van de plaats behoorde, werd gekocht door de raadsheer Albert Hooftman (zie inv.nr. 1). Herman Clasen kocht de twee huizen, het verst naar het nw. gelegen, met een deel van de plaats; (zie inv.nrs. 11 en 12); Claes Sicmans de twee andere aan de noordkant gelegen woningen (zie inv.nr. 3) met zekere rechten op de plaats. Waarschijnlijk kocht Hooftman ook het huis, staande op de hoek van de Kwinkenpoort, ten z. van die welke Herman Clasen kocht, want blijkens inv.nr. 6 was dit perceel in 1640 in zijn bezit.
Blijkens inv.nr. 5 kocht Hooftman de 5 januari 1634 door Claes Sicmans gekochte huizen, dat deze reeds weer aan Johan Hermens verkocht had. Ditzelfde charter doet zien dat hij toen ook reeds het andere perceel van Sicmans bezat. Zo waren in 1643 alle om de Kwinkenplaats gelegen percelen, behalve de twee noordwestelijke, die Herman Clasen bezat, in het bezit van Hooftman, die toen burgemeester was. Wat de plaats zelf betreft, deze behoorde, zoals reeds opgemerkt is, voor de helft bij de Quincke, de andere helft zal, naar rato verdeeld, bij de andere huizen hebben behoord. Daar Hooftman deze alle, op twee na bezat, was hij dus ook eigenaar van het grootste gedeelte van de plaats. In 1662 verkochten Abel Conders Leuwe, heer van Ulrum en diens echtgenote, Elisabeth Hooftmans, hoogstwaarschijnlijk een dochter van burgemeester Hooftmans, hun behuizingen aan de Oostzijde in de Ebbingestraat aan de hopman Hebel Harekens. Of hieronder alle percelen vallen, die Hooftman in 1643 bezat, of slechts enkele ervan, valt niet met zekerheid te zeggen. Wel blijkt uit dit charter, dat Harckens in ieder geval de Quincke kocht. Na 1662 wordt het aantal eigenaars van percelen aan de Kwinkenplaats gelegen veel groter en wisselt snel; terwijl de opeenvolging niet meer met volledigheid en nauwkeurigheid is aan te geven. Blijkens inv.nr. 10 moet Harckens in 1676 behalve de Quincke nog een perceel, aan de plaats gelegen, bezeten hebben. De Quincke zelf is overgegaan in handen van P. Venhuizen, predikant te Grijpskerk, die ook het perceel ten N. van de plaats (het westelijkste van Claes Sicmans) bezeten heeft (zie inv.nrs 13 en 15). De weduwe van Venhuizen verkocht de Quincke aan haar schoonzoon, de gezworene S. Veldtman (zien inv.nr 15).
De huizen van Herman Clasen waren tegen 1715 in het bezit van J. Entink (zie inv.nr. 12), hij verkocht ze op 5 november 1715 aan J. Krook. Krook heeft van de op deze betrekking hebbende keerskoopbrief van 1634 en van de koopbrief van 1715 de afschriften laten maken, beschreven onder inv.nrs 11 en 12. De 1 mei 1717 verkocht hij van het noordelijkst gelegen huis een kamer aan Johan Wichers (zie inv.nr. 13). Blijkens nr. 14 zal het huis op de hoek van de Kwinkenpoort in 1727 hebben toebehoord aan C. van IJsselstein.
De Quincke is weer verkocht in 1775, door de procureur H. Brouwer in qlté, ten verzoeke van wie wordt niet vermeld. Mede werden verkocht twee kamers, met koetshuis, en stalling (het perceel gelegen ten N. van de plaats en zwettende aan het Kreupelstraatje (zie inv.nrs. 16 en 17). Beide percelen zullen zijn gekocht door L. Venhuizen, want in een aantekening in inv.nr. 18 die in 1779 of later op dat stuk moet zijn geplaatst (daarin toch wordt hij gezworene genoemd hetgeen hij eerst in 1779 geweest is) wordt deze als eigenaar vermeld. Na zijn dood ging dit complex over op zijn dochter, die gehuwd was met B. Munniks. Hun erfgenamen lieten het de 22 juli 1840 publiek verkopen. Eigenaresse werd nu mej. E.H. Wijchgel van Lellens (zie inv.nr. 22). Na haar dood werden de beide percelen opnieuw publiek verkocht op de 27 januari 1862, ze kwamen nu in handen van Dr. A.H. Swaagman (zie inv.nr. 24). Blijkens het jongste stuk van de verzameling (inv.nr. 30) had zijn weduwe ze in 1904 nog in eigendom.
Naderhand zijn ze waarschijnlijk in het bezit gekomen van de familie Rodenberg. Het gemeentebestuur van Groningen, meende in 1865 dat de Kwinkenplaats gemeentegrond, openbare straat, was. Mr. R.Y. Muller, notaris en wethouder, verzocht Dr. Swaagman om toezending van de stukken, waaruit zou kunnen blijken dat de plaats aan Swaagman toebehoorde, als eigenaar van de Quincke. Het gemeentebestuur schijnt gelijk te hebben gekregen. Weliswaar bevindt zich bij de stukken een ongedateerd concept van een schrijven van B. en W. van Groningen en Dr. Swaagman aan de Bewaarder der Hypotheken, met het verzoek de Kwinkenplaats op naam van Dr. Swaagman alleen te stellen (inv.nr. 27), maar waarschijnlijk heeft een dergelijk schrijven de Hypotheekbewaarder nimmer bereikt. In de uittreksels van de kadastrale legger der gemeente Groningen, afgegeven op 7 juli 1904, wordt nl. de gemeente als eigenares van een gedeelte straat aangemerkt. Niettemin gedroeg Dr. Swaagman zich in 1865 alsof de Kwinkenplaats zijn eigendom was (inv.nr 28).
Ten aanzien van de stukken genummer 19-21 dient te worden opgemerkt, dat deze niet betrekking hebben op de Kwinkenplaats of daaromheen gelegen percelen, maar op een huis en een afdak, gelegen ten z. van de Quincke. In verband met het feit, dat de verschillende percelen na 1634 nooit weer in één hand zijn geweest en met de omstandigheid, dat het verband tussen de verschillende stukken lang niet altijd duidelijk is, konden de stukken niet anders dan chronologisch worden gerangschikt en beschreven. Het vormen van een fonds Hooftman, een fonds Wychgel van Lellens en een fonds Swaagman leek niet aanbevelenswaardig, omdat een aanzienlijk aantal stukken in geen van deze rubrieken kon worden ondergebracht en een vierde onsamenhangende rubriek zou hebben gevormd, die toch weer chronologisch had moeten worden ingedeeld. Geen verband met de bovengenoemde stukken houdt een brief van Willem Frederik van Nassau, geschreven op 27 november 1650 aan de raadsheer Harckens, met het verzoek zijn keuze tot stadhouder van Stad en Lande te willen bevorderen. Deze raadsheer, blijkens het regeringsboek Hendrik Harckens geheten, zal een bloedverwant, misschien de vader, van de hopman Hebel Harckens zijn geweest, die in 1662 de Quincke kocht. Door toedoen van deze laatste zal de brief tussen de stukken betreffende de Quinckenplaats zijn geraakt.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1633 - 1904
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Kwinkenplaats en daaraan gelegen percelen
Omvang:
0,12 m standaardarchiefberging
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS