Uw zoekacties: Praedinius-gymnasium (1), 1693 - 1973
x1446 Praedinius-gymnasium (1), 1693 - 1973 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1446 Praedinius-gymnasium (1), 1693 - 1973 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Hieronder volgt de onverkorte inleiding van de inventaris van de curatoren van het Praedinius-Gymnasium door Prof. dr. A. G. Roos en Mr. A.T. Schuitema Meijer * 
Voorwoord (van prof. dr. A.G. Roos, president-curator van het Praedinius-Gymnasium)

Een inventaris van het archief van het Gronings gymnasium was er tot nu toe niet. Het verheugde mij daarom, dat de heer Mr. A.T. Schuitema Meijer, wetenschappelijk ambtenaar aan het Gemeente archief alhier, die eerder, samen met de heer H.M. Mensonides, hist. drs. een inventaris der archieven van senaat, faculteiten en curatoren der Groningse Universiteit had bewerkt (verschenen Gron. J.B. Wolters, 1947), zich op mijn verzoek bereid verklaarde, ook van het archief van het college van Curatoren der Latijnse school, sedert 1847 Praedinius-Gymnasium, een inventaris te maken. Aan de in 1594, onmiddellijk na de Reductie der stad, door de Raad opgerichte stedelijke Latijnse school is voorafgegaan de bij de Sint Maartenskerk behorende Sint Maartensschool, die reeds genoemd wordt in het oudst bekende Stadboek van Groningen (volgens Gosses in het begin van de 90-er jaren der 14e eeuw gecompileerd) en die toen waarschijnlijk reeds lange tijd bestond; van deze school zijn echter geen stukken tot ons gekomen.
Gaarne betuig ik aan Mr. Schuitema Meijer mijn dank voor de brede wijze, waarop hij zijn taak heeft opgevat, en de nauwkeurigheid, waarmede hij haar heeft vervuld. Aan zijn inventaris laat hij een inleiding voorafgaan waarin hij op grond van een door hem in de bronnen, voornamelijk de stadsresolutiën, ingesteld onderzoek een historisch overzicht geeft van de taak en de competentie der scholarchen, later curatoren genoemd, het college, waaraaan door de Raad het beheer van en de zorg voor de Latijnse school was opgedragen en dat zicht intensief ook met het daar gegeven onderwijs bemoeide. Hij heeft verder, in overleg met mij, aan de inventaris bijlagen toegevoegd. Eerst een chronologische lijst van scholarchen (curatoren) der school van 1594-1847, en een dergelijke van rectoren, conrectoren, praeceptoren over diezelfde tijd. De samenstelling der lijsten heeft hem veel moeite gekost, want hij heeft de stadsresolutiën van 1594 af deel voor deel nagegaan ten einde de benoemingen van scholarchen, rectoren etc. te weten te komen. Het eindpunt 1947 is gekozen om de lijsten te doen aansluiten bij die, welke dr. P.J. van Herwerden geeft in zijn Gedenkboek van het Stedelijk Gymnasium te Groningen (Gron. J.B. Wolters, 1947), blz. 182 e.v. en die met dat jaar beginnen. Op die wijze is een volledig overzicht verkregen van allen die met de Latijnse school en het gymnasium in betrekking stonden van 1594-1947 *  .
Van 1863-1895 is geregeld elk jaar aan het programma van het gymnasium een wetenschappelijke verhandeling geschreven door een der leraren, toegevoegd. later is dit nog slechts een enkele maal het geval geweest, voor de laatste keer in 1914. De jaarlijkse verschijning dezer verhandelingen, op stadskosten, in een tijd, toen het aantal wetenschappelijke tijdschriften minder groot was dan nu, maakte het aan de leraren, onder wie in die jaren geleerden van naam voorkomen, gemakkelijker om de resultaten hun studies te publiceren en werkte als een stimulans voor hen om wetenschappelijk werkzaam te blijven, terwijl zij aan de stedelijke overheid gelegenheid gaf, een steentje bij de dragen tot de bevordering der wetenschap. Intussen was dit toch geen praktische wijze van publicatie, immers dergelijke aan een gymnasiumprogramma toegevoegde verhandelingen kwamen niet in de boekhandel en werden derhalve ook niet in de Nederlandse bibliografie (de 'Brinkman') opgenomen. Zij waren voor belangstellenden dus moeilijk te krijgen, vonden weinig verbreiding en bleven vrij onbekend. Exemplaren ervan bevinden zich op het gymnasium, van de meeste ook op de universiteitsbibliotheek.
De stukken van de laatste jaren berusten uiteraard bij het gymnasium zelf, alle overige zijn geplaatst in het Gemeente archief.
Ten slotte betuig ik gaarne mijn dank aan het bestuur van het Harmannus Simon Kammingafonds, dat door de verlening van een subsidie de uitgave van deze inventaris heeft mogelijk gemaakt.
Groningen, februari 1949.
A.G. Roos, president-curator van het Gymnasium
Voorwoord van de bewerker.

Gaarne voldeed ik aan het verzoek van prof. A.G. Roos , president-curator van het het Praedinius-Gymnasium hier ter stede, om een inventaris samen te stellen van het archief van het college van curatoren der Latijnse scholen van het Stedelijk Gymnasium, voorzover dit is overgebracht naar het depot van het Groningse Gemeentearchief. Een lijst van scholarchen alsmede een van docenten van 1594-1847 voegde ik als bijlagen toe.
Ik dank prof. Roos ten zeerste voor de medewerking, welke ik steeds weer van hem heb mogen ondervinden; ook de archivaris der gemeente Groningen, dr. H.P. Coster, alsmede mejuffrouw C.S.W. Kroes, wetenschappelijk ambtenaresse aan het Gemeentearchief, komt mijn dank toe voor de bijstand, welke ik van hen heb mogen ontvangen.
A.T. Schuitema Meijer
Geschiedenis en herkomst van het archief.

Bij acte van 21 april 1817 droeg de oud-rector G. Wolters aan de nieuwe rector W. Terpstra behalve de effecten tot het peculium scholasticum behorende ook over 'het rationarium scholasticum, oud en nieuw, protocollum scholasticum, album scholasticum, schoolmeestersboek, het kasje en alle andere documenten en papieren tot het peculium scholasticum in eenige opzigte relatief'. De eerstgenoemde vijf delen hiervan zijn bewaard gebleven, het 'kasje'en 'alle andere documenten en papieren' zijn verloren gegaan. Van 1815 af zijn de archiefstukken vrij volledig bewaard.

Na de liquidatie van het peculium scholasticum in 1863 zullen de archivalia dit fonds betreffende, die de rector voor het doen van de administratie onder zich heeft gehad, op het Raadhuis, waar de curatoren hun vergaderingen hielden, zijn gedeponeerd. Bij de verhuizing van het Stadsarchief naar het Archiefgebouw in de St. Jansstraat zijn zij mede hierheen gebracht. In 1944 alsmede in 1948, werden opnieuw de archivalia van de Latijnse scholen en het Stedelijk Gymnasium aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven.
In de tijd van de Republiek en eveneens in de Franse tijd zullen de scholarchen der Latijnse scholen te Groningen, door de Stadsregering uit haar midden gekozen, ongetwijfeld over de zaken, hun college betreffende, ten Raadhuize hebben vergaderd. Na 1815, toen de scholarchen, voortaan meestal curatoren genoemd, volgens de nieuwe regeling (K.B. 2 augustus 1815 nr. 14) niet langer leden van het Stadsbestuur behoefden te zijn, bleven zij waarschijnlijk ten Stadhuize vergaderen: ook thans vinden hun vergaderingen gewoonlijk in een der localiteiten van het Raadhuis plaats.
Geschiedenis van het Gymnasium (1594-1947).

De regering der stad Groningen vatte terstond nadat op 23 juli 1594 het 'Tractaat van Reductie' was gesloten, waarbij de stad werd teruggebracht tot de Unie van Utrecht, de ordening van de schoolzaken met grote energie aan . De oude St. Maartensschool *  , waarvan reeds melding wordt gemaakt in het oudst bewaarde stadboek (eind 14e eeuw), had vooral onder rector Regnerus Praedinius een tijdperk van bloei gekend. Zij was echter zeer in verval geraakt. De St. Maartensschool was tevens belast geweest met koordienst; met de hervorming viel deze taak natuurlijk weg *  .
Men was nu van mening dat er een 'gants nije schole' *  moest komen 'met guede rectore ende mesteren'; ; de bedoeling van de magistraat was het onderwijs der school zo in te richten, dat het zou voorbereiden voor het universitaire; als volgt drukte men zich uit: [Zij] 'verhopen......de studierende joget so wyt tho brengen lathen, dat se uth disse schoele mit ehren vordell, als ehre fundament woll gelecht hebbende, in die hoge schoelen, edder universiteten vertrecken, und aldaer ehre studia in verschedene facultatibus superioribus continueren, unde thom gelucklichen ende brengenmogen' *  .
Nieuwe leerkrachten moesten nu worden gezocht, 'mesters' die voor de indiensttreding de 'gereformeerde religie zouden onderschrijven'. Van het meeste belang was de keuze van een nieuwe rector. De stad nam in deze het zeer gelukkige besluit Ubbo Emmius, rector aan de Latijnse school te Leer, als zodanig aan te zoeken. Wellicht hadden Groningse magistraten tijdens hun Oost-Friese ballingschap deze geleerde leren kennen; zeer waarschijnlijk is ook, dat Menso Alting, de bekende Emder predikant, die de stad Groningen bij de hervorming van kerk en school met raad en daad ter zijde stond, zijn vriend Emmius met nadruk had aanbevolen als zeer geschikt om leiding te geven aan de Groningse Latijnse scholen * 
Het stadsbestuur beijverde er zich terdege voor Emmius naar hier te krijgen; zijn moeiten werden beloond. Emmius aanvaardde de benoeming. Op 24 september 1594 ontving hij reeds een 'ankomend stipendium'; in oktober van dat jaar verscheen een door Emmius opgesteld programma voor de Latijnse scholen te Groningen, dat het doel en de inrichting van het onderwijs uiteenzette *  .

Voor de vervulling van het conrectoraat hadden burgemeesters en raad het oog laten vallen op Gerard Buning, rector te Bremen, een oud stadgenoot, die na het verraad van Rennenberg in 1580, Groningen had moeten verlaten. Ook Buning aanvaardde zijn benoeming; met Emmius en nog 4 praeceptoren was hij reeds in de winter 1594/95 in functie. Spoedig daarna trad er nog een vijfde praeceptor in dienst.
'Den 15 Novembris (1594) is die neije schoele upgherichtet in dat Broerclooster, wesende midden in der stadt'. Het oude gebouw der St. Maartensschool, aan de oostzijde van het Martinikerkhof, dat later werd verbouwd en ingericht tot Provinciehuis, heeft voor de nieuwe school geen dienst gedaan *  . Deze werd terstond gevestigd in de zuidelijke en oostelijke vleugel van het Franciscanerklooster *  , hetwelk met de andere kloosters en kloostergoederen in dit gewest na de reductie bestemd was om te dienen 'ad pios usus'. waartoe o.m. de opvoeding van de jeugd en het onderhoud der scholen werd gerekend. In dit gedeelte van het Broerklooster bleven de Latijnse scholen gedurende de gehele verdere tijd van hun bestaan, ruim twee en een halve eeuw lang; ook het gymnasium waarin de Latijnse scholen in 1847 werden omgezet, was nog tot 1861 in dit gebouw gevestigd *  .
De school telde aanvankelijk 8 klassen (scholen); in de loop der jaren wisselde dit getal echter meermalen.
Om de belangen van de scholen goed te kunnen behartigen benoemden burgemeesters en raad 2 leden uit hun college tot 'scholarchen', ook wel 'curatores' genoemd, die zich speciaal met de zorg voor de scholen moesten belasten *  . Reeds direct in 1594 werden scholarchen aangesteld, met name Roelof Gruys en Eggerick Eggens, welke laatst tot zijn dood in 1615 deze functie bleef bekleden.
Volgens resolutie van de Staten van Stad en Lande van 26 november 1612, waarbij tot oprichting van een hogeschool hier ter stede werd besloten, zouden de 'inspectors', die zorg moesten dragen dat 'alle saecken tselve collegium (hogeschool) betreffende in goede oirdre, regel ende discipline geholden werden' ook worden belast met 'opsicht....op de triviale schoele *  in de Stadt' om 'alle faulten ende misbruycken, soe hun daerinne voercoemen meugen, den heeren van een eerbaren Raedt an te dienen, om bij haere edele d'selve gecorrigeert, ende voorts geremedieert te meugen worden naer behoiren, sonder desen eenichsins sall strecken tot praejudice van het recht, twelck de Stadt, soe int beroepen van rectoren ende schoelmeesteren miet de dependentiën van dien, alleene competeert'.
In de instructie van de curatoren der hogeschool *  , wordt van dit 'opsicht' over de triviale school niet meer gerept. De stad zal er weinig op gesteld zijn geweest, dat het college van curatoren der Hogeschool, een provinciaal college, ook een stadsschool zou inspecteren; zij zal zich tegen deze provinciale inmenging hebben verzet. De reden waarom de Staten aanspraak maakten op medetoezicht, was, dat de Latijnse school mede uit het fonds der geseculariseerde kloostergoederen, waarvan de baten de gehele provincie behoorden ten goede te komen, werd bekostigd. Nog in 1644 verklaarden de Ommelanden, dat hun het toezicht mede toekwam op grond van deze reden; de stad verzette zich hier krachtig tegen; het toezicht bleef voortaan de taak van de scholarchen door het Stadsbestuur alleen hiertoe benoemd.
Aanvankelijk bleven de scholarchen aan zolang zich geen reden voordeed, die continuatie onmogelijk of ongewenst maakte. Eggerick Eggens b.v. was, zoals reeds is opgemerkt, scholarch van 1594 tot zijn dood in 1615. In 1628, bij resolutie van 5 april, maakten burgemeesteren en raad bezwaar 'dat voortaen de scholarchschappen stedes continueren'; zij namen het besluit 'dat dezelve (scholarchen) zullen blijven bij den raedt, dezelffs plaetse vacant geholden en an een ander weder confereert zall worden'.
Op 13 augustus 1767 besloten burgemeesters en raad het college van scholarchen uit te breiden met twee leden. De scholarchen van het vorige jaar zouden nl. voortaan 'de effective in den eed sijnde scholarchen...adsisteren'. Deze nieuwe samenstelling bracht echter moeilijkheden met zich mede, aangezien het dikwijls gebeurde dat een der scholarchen van het vorige jaar of beide in generaliteits- of provinciale commissies zitting hadden en daardoor in die mate geoccupeerd waren, dat zij geen besprekingen betreffende schoolzaken konden bijwonen.
Daarom werd op 12 februari 1779 besloten dat 'alle vier scholarchen uit de effectieve, in den eed zijnde, raad zullen worden gekoosen in diervoegen, dat daartoe zullen worden geeligeert de tweede burgemeester en raadsheer in de aangaande en de tweede burgemeester en raadsheer in de continueerende rang, zullende in plaats van de uit de raadgaand, telkens de tweede burgemeester en de tweede raadsheer in de aangaande rang worden in plaats gestelt'. Ieder jaar traden dus nu een burgemeester en een raadsheer af, na normaliter twee jaar scholarch te zijn geweest. Aan het college werd een inspecteur toegevoegd, als hoedanig professor dr. N.W. Schroeder heeft gefungeerd van 1767-1798; na diens dood in 1798 is echter geen opvolger benoemd.
Deze regeling bleef tot 1795. De 21e maart van dat jaar heeft de 'Provisionele Municipaliteit' vier burgers uit haar midden tot 'Provisionele Scholarchen' aangesteld. De 8e september daar opvolgend werden deze vervangen door 4 scholarchen, door de Municipaliteit uit haar midden gekozen. Ook in 1796 en 1797 werden 4 scholarchen aangesteld, twee 'aangaande' en twee 'gecontinueerde'. Van 1798 af tot 1808 bestond het college slechts uit 3 leden, terwijl van 1808 af twee wethouders als scholarchen fungeerden, totdat het toezicht op de Latijnse scholen, na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk, bij de Keizerlijke Universiteit kwam te berusten.
Een instructie voor de scholarchen van de Latijnse scholen te Groningen van voor 1815 - zo er een is opgesteld- is niet bewaard gebleven. Aan de hand van de Groningse raadsresolutiën en het 'protocollum scholasticum' kan echter worden vastgesteld dat tot hun werkkring o.m. het volgende behoorde:

1. Toezicht houden. De scholarchen moesten er voor zorgen dat het onderwijs op de vastgestelde wijze werd gegeven; dat de onderwijzers leerlingen zich ordelijk gedroegen; dat het schoolgebouw behoorlijk werd onderhouden, etc. Ook hadden zij het toezicht op de 'Duitsche' scholen *  , waar lager onderwijs werd gegeven, alsmede over de door de stad -uit het peculium scholasticum- gesubsidieerde Franse kostschool.
2. Het voordragen van nieuwe docenten aan de Latijnse scholen; aanstelling geschiedde door burgemeesters en raad. De custos of claviger scholarum (concierge) werd echter door de scholarchen benoemd. Ook voor de sub.1 genoemde Franse kostschool droegen zij onderwijzeressen voor *  .
3. De scholarchen stelden de 'ordres en wetten' op, welke door burgemeesters en raad moesten worden gearresteerd. Tevens ontwierpen zij de 'orde lectionum' eveneens door burgemeesters en raad te arresteren.
4. Het examineren van nieuw te benoemen praeceptoren; dit sinds 1667.
5. Het examineren van degenen, die in de stad 'Duitsche' school wilden houden. Van hen die door de scholarchen werden geadmitteerd om dit onderwijs, dat bestond uit leren lezen, schrijven en rekenen, te geven, moest een register worden bijgehouden.
6. Bovendien hadden de scholarchen hun taak t.a.v. het peculium scholasticum.
Reeds werd opgemerkt, dat na de Reductie de kloostergoederen -samengebracht in 'aerarium commune'- waren toegewezen 'ad pios usus'. Derhalve werd aan de gedeputeerde staten bij staatsresolutie van 28 augustus 1595 opgedragen de tractementen van de rector en schoolmeesters der Latijnse scholen te Groningen te voldoen. Jaarlijks werd nu voor de Latijnse scholen een som uitgetrokken, waaruit behalve de tractementen ook andere uitgaven, zoals onderhoud van het gebouw, de premies (aan de beste leerlingen uitgereikte prijzen) etc. werden bestreden. Nadat dit bedrag van tijd tot tijd was verhoogd, bedroeg het in 1647 reeds fl. 6000,-: sindsdien bleef het onveranderd.
Ook de 'Duitsche' meesters werd een toelage uit de kloostergoederen uitbetaald. Gezamenlijk ontvingen zij in 1650 fl. 996,-; bij dit bedrag kwam later nog een post groot fl. 104,- als tractement voor een 'praeceptor musicae' . Samen dus een bedrag van fl. 1100,-, hetwelk sindsdien onveranderanderd bleef. Het tractement van de muziekleraar werd echter van 1703 af uit de eerstgenoemde post van fl. 6090,- betaald.
Later, toen de provincie de kloostergoederen grotendeels had verkocht, kwamen beide posten, voor de Latijnse scholen en het 'Duitsche' onderwijs, voor in de rekening van de provinciale ontvanger-generaal; na het amalgama der gewestelijke bezittingen en schulden in 1798 werden het uitkeringen ten laste van de Landskas. In 1808 maakte men er echter bezwaar tegen de betaling van de beide sommen bij voortduring uit de Landskas te doen. De stadsregering, die voorzag dat zonder deze uitkeringen de voor de vorming van de jeugd zo bijzonder belangrijke Latijnse scholen spoedig niet meer instand zouden kunnen worden gehouden, drong er bij het Gouvernement ten sterkste op aan, dat de uitbetaling van deze gelden niet zouden worden gestaakt. Deze aandrang had een gunstig gevolg. Koning Lodewijk Napoleon besloot dat jaarlijks fl. 8000,- subsidie voor de Latijnse en lagere scholen hier ter stede zou worden uitbetaald. In 1815 kwam de volgende financiële regeling; Bij K.B. van 28 december van dat jaar (nr. 20) werd bepaald, dat provisioneel in het vervolg uit de Landskas zouden worden betaald de jaarwedden van de onderwijzers aan de lagere scholen te Groningen ten bedrage van fl. 1000,- 's jaars, en die van de onderwijzers aan de Latijnse scholen ten montante van fl 5246,10. Bovendien zou het gedeelte der academische gebouwen, dat ten gebruike van de Latijnse scholen was afgestaan, eveneens provisioneel uit de Rijkskas worden onderhouden.
Doordat de jaarlijkse gelden van het peculium scholae latinae en het 'Duitsche' schoolgeld doorgaans niet geheel werden opgebruikt, en mede door een goede administratie, was er in de loop van de tijd enig kapitaal gevormd, hetwelk grotendeels in schuldvorderingen ten laste van de stad was belegd. Van de opbrengsten van dit kapitaal werden eveneens verschillende uitgaven van de Latijnse scholen gedaan. Maar ook voor andere doeleinden werden de renten van dit fonds gebruikt. Zo werd aan de Stadsfysicus, op last van burgemeesters en raad, jaarlijks fl. 200,- uit het peculium scholasticum betaald. De resterende renten werden wederom 'op de stad Groningen' belegd.
Uit een rapport in 1809 door scholarchen aan de landdrost uitgebracht blijkt dat het bespaarde kapitaal was aangegroeid tot het belangrijke bedrag van fl. 55.500,-, hetwelk een jaarlijkse opbrengst aan rente van fl. 2132,10 afwierp. Dat dit fonds zo was aangegroeid vond vooral zijn oorzaak hierin dat uit het 'Duitsche' schoolgeld op den duur zeer weinig meesters werden betaald. Uit dit rapport vernemen wij tevens dat de leerlingen der Latijnse school in 1809 nog gratis werden onderwezen * 
Aanvankelijk legde de 'Stadsrentemestersdienaer' de rekening en verantwoording van het peculium scholae latinae en het 'Duitsche' schoolgeld af, later van 1644 af, voerde de rector van de Latijnse scholen de administratie van deze gelden en hoorden de scholarchen de jaarlijkse rekeningen af. Zij genoten voor hun werkzaamheden, in belang van de Latijnse scholen gedaan, geen jaarwedde; wel ontvingen zij gezamenlijk, ongeacht hun aantal, fl. 75,- voor vacatiën en het innemen der rekening.
Het peculium scholasticum bleef bestaan tot 1863; in dat jaar maakten de gedeputeerde staten uit administratief oogpunt bezwaar tegen het voortbestaan van dit en van het zg. schoolfonds, een fonds van schoolgelden, naast de gewone financiën van de gemeente, behandeld en verantwoord in de gemeentebegroting en gemeenterekening. De laatste rekening van het peculium scholasticum werd derhalve over 1863 afgelegd. Van 1864 af werd alles rechtstreeks door de gemeente betaald. In januari van dat jaar is het saldo van het peculium scholasticum 'ter goeder trouw' ten kantore van de gemeenteontvanger gestort en vernietigde men de obligaties, die het fonds ten laste van de stad bezat.
Gedurende de tijd van de inlijving bij Frankrijk berustte de zorg voor de Latijnse scholen bij de Keizerlijke Universiteit. Zo ook te Groningen; de rector van de hogeschool was in het bijzonder met deze taak belast. Aan de rectoren der hogescholen was nl. opgedragen het 'inspecter et surveiller,collèges, les institutions et les pensions *  .
Bij K.B. van 2 augustus 1815 (nr. 14) werd het hoger onderwijs opnieuw geregeld. Art. 1 van dit besluit omschrijft wat onder hoger onderwijs zou worden verstaan: 'zoodanig onderwijs, dat ten doel heeft den leerling, na afloop van het lager onderwijs, tot eenen geleerden stand in de maatschappij voor te bereiden'. Onder inrichtingen, waar hoger onderwijs werd gegeven, rekende men zowel de hogescholen en athenea als ook de Latijnse scholen. Het eerste hoofdstuk van genoemd besluit is dan ook aan de Latijnse scholen gewijd. 'De Latijnsche scholen', aldus art. 4 van het K.B. van 1815, 'moeten beschouwd worden als de eerste trap van het hooger onderwijs en als inzonderheid bestemd voor diegenen welke, na aanvankelijk door het lager en middelbaar onderwijs te zijn beschaafd geworden, nu verder tot eenen of anderen geleerden stand in de maatschappij zullen worden opgeleid'. De Latijnse school zou uit 6 klassen bestaan, tenzij de curatoren, uit hoofde der plaatselijke omstandigheden een andere indeling noodzakelijk achtten.
In alle steden waar zich Latijnse scholen bevonden, moest vanwege de stedelijke regering een college van 3 of meer personen, curatoren of scholarchen genaamd, het bestuur over deze scholen op zich nemen, en vooral ervoor zorg dragen, dat het onderwijs werd en bleef ingericht, zoals het bij het reglement, dat krachtens art. 23 door het Departement van Binnnenlandse zaken moest worden uitgevaardigd, zou worden voorgeschreven. Dit reglement kwam in 1816 tot stand (vastgesteld op 20 april). De taak van de curatoren werd in de art. 27-35 omschreven en bestond o.m. uit:
1. Het regelen, in overleg met de stedelijke regering, van tractementen van de rector, de conrector en verdere onderwijzers, alsmede het door de schooljeugd te betalen 'minerval' (art. 27).
2. Het toezien op gedrag en vorderingen van de leerlingen, het tweemaal per jaar afnemen van een 'plegtig' examen (art. 28).
3. Het bevorderen van de leerlingen, die zij daartoe blijkens de vorderingen geschikt achten, naar een hogere klas, en het uitreiken van een getuigschrift, in het Latijn opgesteld, aan degenen, die de hoogste klas met goed gevolg hebben doorlopen (art. 29).
4. Het in het openbaar afkondigen van bevorderingen en het uitreiken van prijzen aan de beste leerlingen; de curatoren werd het houden van 'gratiarum actiones' door de leerlingen bij die gelegenheid als een loffelijke oude gewoonte aanbevolen (art. 32).
5. De curatoren moesten 2 maal per jaar, na afloop van elk halfjaarlijks examen betreffende de staat hunner scholen verslag uitbrengen aan de secretaris van Staat van Binnenlandse zaken (art. 34). Sinds 1836 werd echter slechts eenmaal per jaar, na het in de zomer gehouden examen, verslag gedaan.
6. Bij het openvallen van een plaats als onderwijzer moesten, in geval de scholen enige subsidie van lands wege genoten, de curatoren een nominatie inzenden bij de secretaris van Staat van Binnenlandse zaken die daaruit zou verkiezen (art. 35).
Aangezien te Groningen in 1815 geen college van curatoren bestond, stelde de burgemeester, overeenkomstig art. 26 van het genoemde K.B. van dat jaar bij resolutie van 27 november 3 curatoren aan, met name mr. R. Lohman, mr. W.J. Quintus en mr. H.O. Feith.
Bij raadsbesluit van 30 juli 1847 werd in verband met de uitbreiding van de Latijnse school en verandering daarvan in gymnasium het aantal der curatoren vermeerderd. Voortaan zou hun college uit 5 leden bestaan.
De wet op het hoger onderwijs van 28 april 1876 bracht ook voor het gymnasium belangrijke veranderingen met zich mede; de taak van de curatoren werd er eveneens opnieuw door vastgesteld. Zij werd omschreven in art. 25 en 26. Het college moest nu aan de inspecteur - het toezicht op de gymnasia werd bij deze wet opgedragen aan een of meer inspecteurs onder oppertoezicht van de minister van binnenlandse zaken- mededeling doen van de belangrijke veranderingen die zich t.a.v. het gymnasium voordeden; aan het gemeentebestuur moesten de voorstellen gedaan worden, die in het belang van het gymnasium noodzakelijk werden geacht. Jaarlijks moest voor 1 maart aan de gemeenteraad een beredeneerd verslag worden uitgebracht omtrent de toestand van het gymnasium tijdens het afgelopen kalenderjaar, en voor 1 september aan de inspecteur een verslag over het afgelopen studiejaar.
Deze herziene inventaris is ontstaan uit een samenvoeging van het archief van de curatoren, bewerkt en beschreven door A.T. Schuitema Meijer in 1949 *  en een aanwinst/magazijnlijst uit 1973 *  . De omvang van de samengevoegde archiefdelen bedraagt 11 meter en omvat de jaren 1693-1973 *  .

Openbaarheid
Stukken jonger dan 75 jaar betreffende leerlingen en personeel zijn niet openbaar.
Inventaris
1. Onderwijs
2. Algemeen
3. Personeel
4. Leerlingen
5. Gebouwen
6. Financiën
7. Documentatie
Bijlagen
1. Bijlage 1: Lijst van scholarchen/curatoren
2. Bijlage 2: Lijst van rectoren, conrectoren en praeceptoren
Kenmerken
Datering:
1693 - 1973
Beschrijving:
Inventaris van het archief van het Praedinius-Gymnasium (en voorgangers)
Bewerker:
A.T. Schuitema Meijer en B. Valkenburg
Laatste Publicatie:
2003
Omvang:
9 m standaardarchiefberging
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS