Uw zoekacties: Commissie van toezicht op het lager onderwijs, 1756 - 1940
x1375 Commissie van toezicht op het lager onderwijs, 1756 - 1940 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1375 Commissie van toezicht op het lager onderwijs, 1756 - 1940 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Artikel 10 van het 'reglement voor het lager schoolwezen en onderwijs binnen de Bataafsche Republiek', door de Raadpensionaris vastgesteld ingevolge art. 21 van de 'wet voor het lager schoolwezen en onderwijs in de Bataafsche Republiek' van 3 april 1806, schrijft voor dat in alle grotere steden of plaatsen, waar'boven eene of meer openbare scholen, twee of meer bijzondere scholen der tweede klasse, Vrouwenscholen niet gerekend, gevonden worden' in overleg met de districtsschoolopziener door het Gemeentebestuur zal worden aangesteld 'een plaatselijk opzigt over de lagere scholen en het onderwijs, bestaande naar den aard der omstandigheden en de gelegenheid der stad of plaats uit een of meerdere personen'; met de districtsschoolopziener zouden de 'personen' de 'Plaatselijke Schoolcommissie' uitmaken. In de stad Groningen werd nu voor de hier te benoemen Plaatselijke Schoolcommissie een instructie vastgesteld bij het besluit der stadsregering van 13 juli 1807. De Commissie zou bestaan uit 8 leden; tot aanstelling van deze gingen B en W 27 oktober dienovereenkomstig over; de benoemden waren de heren Cremers, Hendriksz, Martinet Kuipers, Klomp, Paping, Tinga en Wolthers. Deze Schoolcommissie fungeerde slechts een vijftal jaren. Op 12 januari 1813 machtigde de Commissie haar secretaris om aan de schoolopziener van het district, ingevolge aanschrijving van de inspecteur-generaal der Keizerlijke Universiteit in Holland, over te dragen al haar 'boeken, stukken en papieren', welke onder hem berustten. Het openbaar onderwijs in het gehele Keizerrijk was n.l. bij het Décret Impérial van 17 maart 1808 (nr. 539 Bulletin des Lois nr. 185) bij uitsluiting toevertrouwd aan de Universiteit; aan iedere academie waren één of twee inspecteurs verbonden, die -op last van de rector der hogeschool- de scholen in hun arrondissement bezochten en inspecteerden. Dit decreet werd na de inlijving ook van kracht in het voormalige Koninkrijk Holland.
Na het herstel der onafhankelijkheid werd het lager onderwijs in de stad Groningen opnieuw geregeld bij raadsbesluit van 28 oktober 1816. Art. 21 daarvan droeg het 'oppertoevoorzigt en opperbestuur over het lager onderwijs binnen deze stad en derzelver jurisdictie' op aan een commissie uit de Raad, bestaande uit 4 leden, die 'gezamentlijk en gecombineerd met den schoolopziener van 't district (zouden) uitoeffenen alle die werkzaamheden, welke bij de wet van den 3 april 1806, de provinciale en stedelijke schoolreglementen aan de Plaatselijke Schoolcommissie zijn opgedragen'. Dit besluit trad op 1 november 1817 in werking; als leden der Stedelijke Schoolcommissie benoemde de Raad (besluit van 29 september 1817 nr. 2) de heren van Idsinga, burgemeester en Brouwer, Hoeksema en van der Hoop, raadsleden. Bij de wet op het lager onderwijs van 13 augustus 1857 werd wederom ook het toezicht geregeld. In elke gemeente zou er een Plaatselijke Schoolcommissie fungeren, door de Gemeenteraad te benoemen, het lidmaaatschap daarvan was verenigbaar met dat van de Raad. De 'provinciale commissiën van onderwijs, plaatselijke schoolcommissiën en commissiën van plaatselijk schooltoeverzigt'werden bij art. 73 lid 2 ontbonden. De nieuwe wet trad op 1 januari 1858 in werking. De oude Commissie te Groningen werd door een nieuwbenoemde vervangen welke van 1 januari af in functie was.
De taak van de plaatselijke schoolcommissies omschrijft art. 64 als volgt:'De plaatselijke schoolcommissiën houden een naauwkeurig toezigt op alle scholen in de gemeente waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die tenminste twee malen 's jaars, hetzij gezamenlijk hetzij door commissiën uit haar midden, zorgen dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nagekomen worden; houden aanteekeningen van het onderwijzend personeel, van het getal der leeringen en van de staat van het onderwijs; doen jaarlijks vóór 1 maart aan den Gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in de gemeente, en zenden daarvan afschrift aan den districts-schoolopziener; deelen dezen de belangrijkste veranderingen mede, die het schoolwezen heeft ondergaan; geven hem en den provincialen inspecteur alle inlichtingen die zij verlangen; verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of medewerking vragen, bijstand, en beijveren zich den bloei van het onderwijs naar vermogen te behartigen'.
De wet van 17 augustus 1878, houdende herziening der wet van 13 augustus 1857, bepaalde bij art. 70, dat 'het plaatselijk toezigt wordt uitgeoefend door burgemeester en wethouders; de Gemeenteraad kan te nadere verzekering van het plaatselijk toezigt eene commissie instellen'. Een plaatselijke verordening moest de samenstelling en inrichting van zulk een commissie regelen; haar taak zou dezelfde zijn als van de commissies ingesteld ingevolge de wet van 1858. In Groningen besloot men de bestaande plaatselijke commissie in stand te houden (30 oktober 1880); de Raad stelde bij besluit van januari 1881 een reglement voor de commissie vast -ingevolge art. 70 laatste lid der wet van 17 augustus 1878- ; voortaan was de naam van deze commissie 'Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs'.
Achter in de oorspronkelijke inventaris was een bijlage met de titels van ca. 150 schoolboeken. Deze schoolboeken zijn echter niet meer aanwezig. Wat er precies mee is gebeurd is niet te achterhalen, zeer waarschijnlijk zijn ze verspreid over schoolmusea, de Universiteitsbibliotheek en de bibliotheek der Groninger Archieven. Het archief beslaat de periode 1807-1940 en heeft een lengte van 8 meter. De eerdere toegang is in 2002 herzien en hiermee vervallen. Er gelden geen beperkende bepalingen t.a.v. de openbaarheid.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1756 - 1940
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de commissie van toezicht op het lager onderwijs.
Bewerker:
B. Valkenburg
Laatste Publicatie:
2002
Omvang:
10 m standaardarchiefberging
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS