Uw zoekacties: Waalse gemeente Groningen, 1563 - 1926
x1364 Waalse gemeente Groningen, 1563 - 1926 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1364 Waalse gemeente Groningen, 1563 - 1926 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De kerkenraad der gereformeerde gemeente te Groningen constateerde in mei 1682, dat ter stede hoe langer hoe meer Franse vluchtelingen aankwamen. *  Het jaar tevoren, toen in Frankrijk met de dragonnades was begonnen, zette de massale emigratie van Hugenoten in en ook Groningen was 'Lieu de refuge' geworden. De toevloed van bannelingen zou, nadat koning Lodewijk XIV het edict van Nantes in 1685 had herroepen, nog groter worden. 'Noyt voor desen gehoorde vervolgingen' - zo gaven de staten van Stad en Lande uiting aan hun grote verontwaardiging over de onverdraagzaamheid, waaraan de Franse protestanten bloot stonden. De felgekleurde berichten van de verschrikkingen door geloofsgenoten in hun tijd geleden, deden ongetwijfeld verhalen van vroegere zware beproevingen verbleken.
Maar het lot der Hugenoten was dan ook inderdaad gruwzaam. Op zijn best een geslaagde vlucht naar een naburig land. Gelukkig dat voor velen de mogelijkheid tot vluchten bestond en dat de ontvangst in den vreemde veelal vriendelijk was. Een vriendelijkheid, bij de burgers spontaan opkomend uit het hart, bij de regeringen niet steeds geheel belangeloos gevoeld, want onder de vluchtelingen bevonden zich kundige handswerkslieden en ook kooplieden met goede handelsrelaties; de vestiging van deze Fransen leek voordelig voor de ontwikkeling van eigen handel en nijverheid. In Groningen dacht de regering daar niet anders over; slechts de katholieken probeerden de Fransen verdacht te maken, 'om haer geen neringe te gunnen', zo meende de gereformeerde kerkenraad. * 
De provinciale staten van Stad en Lande bleven niet achter in de algemene wedijver om refugiés aan te trekken. Tal van 'privilegien, immuniteyten en exemptien' werd de ontheemden bij provinciaal plakkaat van 5 februari 1686 in het vooruitzicht gesteld, vrijdom van verplichtingen en imposten, waarop de eigen bewoners jaloers konden worden. De staten gaven daarbij uiting aan hun wens, dat enige 'drapiers of manufacturiers' zich in deze provincie zouden vestigen.
Ter aanbeveling brachten zij naar voren de gunstige ligging der stad Groningen, de verbinding tweemaal per week per beurtschip met Amsterdam, eenmaal per week met Hamburg en andere 'Oostersche plaatsen', de gelegenheid op per as 'koopmanschappen in en door het stift Munster, Westphalen en verder' te kunnen vervoeren. Naar de mening der staten was er dus voldoende achterland. Geroemd werd de 'commoditeyt' der rivieren, de bodem, de gezondheid der lucht, de goede onderwijsinstellingen der provincie, alsmede de 'seer civiele prijs' hier van levensmiddelen, huisvesting, brandstoffen en andere zaken.
Het stadsbestuur had al eerder getoond een open oog te hebben voor de betekenis van vestiging van dergelijke industrieën; het stelde reeds in 1673 'nae het exempel van andere steden' aan 'alle draepeniers, wullewevers en diergelijcke van buijten incomende' , die hier hun handwerk wilden gaan uitoefenen, gunstige condities in het vooruitzicht. *  Belangrijke voorrechten werden dienovereenkomstig bv. in 1683 Gaspar le Clerc aangeboden voor het oprichten van een 'manufacturie van allerhande wollen stoffen' Diens opzet liep echter op niets uit. * 
Toen nu in 1686 de provincie privileges aan Franse vluchtelingen wilde gaan verlenen, sloot het stadsbestuur zich daarbij aan door zich bereid te verklaren tot het toestaan van nog meer voorrechten. De stedelijke regering richtte zich speciaal tot 'alle gereformeerde grossiers en coopluiden uijt Vrankrijck off elders van buijten incoomende ende in 't gros haer coopmanschappen drivende, mits gaders....alle sijdewerckers, drapiers van saeijen' enz. Niet alleen Franse, ook Engelse en Schotse kooplieden en drapeniers zouden voorrechten worden toegestaan, indien zij naar hier wilden overkomen. De stad koesterde kennelijk hoop, dat vestiging van bedrijven door ervaren handwerkslieden nu wel zou slagen. * 
Het duurde tot 1688 voor een Franse vluchteling, een zekere Jean Briot van Tours afkomstig, om de aangeboden privileges verzocht. *  Aan hem, zijn familie en zijn 'assosieerden' werden twee grote panden ter beschikking gesteld. Jean Briot, zijn vrouw en kinderen verkregen gratis het burgerrecht, waarbij tevens werd bepaald, dat dit ook gold voor het dochtertje Maria 'soo in Vranckrijck hem [was] ontnomen, oudt veer jaren'; een zakelijke mededeling bij de inschrijving waarachter schuil gaat de hunkering van ouders toch eens het kind, hun zo wreed ontrukt, terug te mogen ontvangen. Niettegenstaande de hulp, de Briot's hier bij vestiging van hun bedrijf geboden, konden ook zij het toch niet bolwerken. * 
Ten bate van de 'gereformeerde vluchtelingen' hielden de provinciale staten van Groningen in het begin van het jaar 1686 een collecte; burgemeesters en raad droegen de tamboers van de burgervendels op bij de inzameling in de stad te assisteren. *  Voorschrift was bij deze inzameling, dat nauwkeurig zou worden genoteerd, welke bedragen de katholieken schonken, en zo zij niet 'nae jeder staet ende qualiteijt' offerden, diende hen na taxatie alsnog een verplichte contributie te worden opgelegd. Deze houding der regering, hoewel begrijpelijk wegens de verontwaardiging over de vervolging van geloofsgenoten, valt echter toch niet te rechtvaardigen. *  Overigens, als reactie op hetgeen in Frankrijk gebeurde, werden er in deze tijd in Stad en Lande nog meer bepalingen gemaakt, welke discriminerend waren voor katholieken; zo was hun voortaan verboden sommige bedieningen waar te nemen. * 
Van de vele Franse predikanten, die waren uitgeweken, hebben de Groningse gecommiteerden 'tot de saecke van Franse vluchtelingen' een aantal naar Groningen beroepen, op een destijds 'fortabel' geacht jaartractement van fl. 500,-.
Op 12 november 1686 zijn tien predikanten bij officiële akten in hun ambt bevestigd. Enkele maanden tevoren, op 29 augustus, hadden de predikanten Vernier, Noguier en Quartier, alsmede de 'ouderlingh der Franse gemeijnte' Jacques Courcel, in de kerkenraad van de Hervormde gemeente 'binnengestaan,....voorstellende in de latijnse tale, hoe sij op voorgaende ingediende supplicatie aan de staten deser provintie een consistorium apart hadden aengestelt niet uijt sucht tot eenige nieuwichheijt, maer dewijle sij vermoededen, dat de staat van de Franse gemeente geheel en al verschilde van die voor desen hier was geweest, en sij hear selven benootsaackt hadden bevonden om voorsien te zijn van sodane kerckelijcke macht, door welcke te konnen censuren sodane als ongeregelt mochten wandelen. Voorts protesterende van de Duijtse gemeente als de oudtste suster altijdt te sullen eeren, en aenbiedende met de selfde in alle liefde en goede correspondentie te willen leven'.
De vergaderde kerkenraad gaf van zijn kant te kennen 'de uijtbiedinge van liefde en vrientschap met aengenaamheijt' aan te nemen en van zijn zijde ook zou trachten die 'te beantwoorden met gelijcke beiegeningen' maar tevens maakte deze 'vergaderinge' de enigszins korzelige opmerking, 'dat sij wel hadde gewenscht, dat over dien toelech van een consistorium apart met haar eerder was geconfereert, dan de saack soo verre was gevordeert'.
Zo was dan de grondslag gelegd voor' l' église française réformée de Groningue et des Ommelandes'. Het is wel duidelijk dat het getal de dominees niet correspondeerde met het aantal van de naar hier gekomen refugiés. Zonder twijfel waren deze beroepingen van predikanten mede een maatregel van barmhartige hulpverlening. Een Frans predikant was hier overigens ook tevoren al aanwezig geweest; vanaf 1663 tot zijn dood in 1685 was dit ds. J. Burlion, en Franse kerkdiensten waren in Groningen sinds nog veel langere tijd reeds gehouden.
De Groningse kerkenraad verhinderde in 1609 weliswaar dat een Franse predikant in de stad werd toegelaten, *  maar in 1618 besloten de Provinciale Staten, dat men 'tot onderholt van een Franse prediger twee namen als appoincteerden onder die compagnie des ritmeesters Piss sall accorderen' *  en reeds het jaar daarop, in 1619, vonden Franse diensten plaats in akademisch verband. Deze werden evenals de akademische oraties en promoties in de Akademie- of Broerkerk gehouden. in dat jaar namen de leden van de kerkenraad der Hervormde gemeente het besluit de collega der Franse diensten in hun consistorie op te nemen en werd bepaald, 'dat he des sondaechs sine predicatiën doen sal van achten bes tot negen'. * 
Op last van de Hervormde kerkenraad traden enkele van zijn diakenen, die Frans konden verstaan, op als collectanten in de Franse kerk. *  Toen in 1628 door de Franse predikant verzocht werd om een afzonderlijke consitorie en diaconie voor zijn gemeente, werd dit vooreerst van de hand gewezen;'die continuatie van het houden des nachtmahls voortaen kan werden gegunnet' aldus de Hervormde kerkenraad, 'mits dat die anneminge van nieuwe litmaten noch voor desen toe sall verbliven bi onsen consitorio, ende dat geen ordinaris lidtmaten onser gemeente aldaer ter communion werden ontfangen'. *  In 1629 is het predikanttraktement met 100 gulden verhoogd op voorwaarde dat de Franse dominee mede in de week eenmaal zou preken indien hij geen toehoorders in het Frans had, de preek in het Nederduits moest houden. * 
Vele jaren, vanaf 1619 tot zijn dood in 1652, is David de la Haye de Franse predikant ter stede geweest; vanaf 1643 heeft ook prof. Samuel Maresius in het Frans gepreekt. Na de dood van De la Haye kreeg Maresius diens plaats aangeboden, d.w.z. hij zou de enige predikant zijn en moest derhalve 'sondaegs ende op ander tijden....twee malen predigen, de heijlige sacramenten bedienen, de crancken besoecken ende de verdere kerckendienst alliene verwaren', zoals de twee predikanten tevoren gezamenlijk hadden gedaan. Wel werd Maresius aanvankelijk zij het slechts kort - in 1652 - geassisteerd door zijn zoon Hendrik (Henri des Marets) *  maar een aanstelling als predikant heeft deze echter niet gehad. Later, in 1656, is een andere zoon van Samuel, Daniel, een tijdlang tweede Franse predikant geweest, welke als zodanig werd opgevolgd door ds. Ludovicus Wolzogen.
Laatsgenoemde is in 1658 als lid van de Hervormde kerkenraad aangenomen op de volgende condities, nl. 1. 'dat d'predigers in de Fransche tale en gemeente omtrent d'beroepingen van de predigers in onse tale ende gemeente, niet en souden decisive stemmen hebben', 2. 'dat d'selve geen ampten van preses off scriba, off deputatus tot de sijnode en sullen begeeren t'becleden'. *  . Voorwaarden welke door Samuel Maresius en Wolzogen werden ondertekend. Ds. Burlion heeft zich bij de eerste conditie niet kunnen neerleggen; in 1683 verklaarde hij wel weer in de kerkenraadsvergadering die hij kennelijk steeds onder voorwendsels niet bezocht, te willen komen, indien men hem een stem in de electie van een predikant wilde toestaan. * 
Het tractement van ds. Burlion was in 1666 tot 800 gulden verhoogd maar daarbij werd bepaald, dat na de dood van Maresius of Burlion maar één predikant in functie zou zijn en wel op een traktement van 1000 gulden. *  Na Gomarus' dood in 1673 nam Burlion dan ook de dienst alleen waar, maar deze regeling zou weer doorkruist worden door het aannemen van vluchtelingen-predikanten in 1686.
De Franse gemeente, welke zich te Groningen vormde stond onder oppervoogdij van de provinciale regering. Gedeputeerde staten stelden de predikanten aan. De Franse kerk te Groningen was zeer lange tijd niet aangesloten bij de Waalse synode hier te lande. In 1689 hoort men, dat over deze aangelegenheid verschil van mening heerst tussen stad en provincie; in een statenvergadering waren de heren van de stad van oordeel 'dat de franse praedicanten alhier synde onder het synode van dese provincie gehoorden te resorteren' maar de provinciale afgevaardigden meenden dat deze predikanten onder de Waalse synode moesten worden gebracht. *  Men constateerde deze dominees staan 'gansch op haer selve, sonder een kerckelijcke vergadering onderworpen te sijn'.
Pas in 1780 gaf de provinciale regering haar toestemming voor aansluiting van de Franse gemeente te Groningen bij de Waalse synode, nadat van de zijde van deze synode zowel als door de Groningse kerkenraad daarop herhaaldelijk was aangedrongen. *  De Waalse synodes zijn nog tot 1810 gehouden; nadien vormden de Waalse gemeenten een afzonderlijke classis in de Ned. Hervormde kerk met als vertegenwoordigend en besturend lichaam de Reunion wallonne, waarop ook thans nog na de invoering van de nieuwe kerkorde voor de Ned. Hervormde kerk alle bepalingen van toepassing zijn, welke in de kerkelijke ordinanties gelden voor de classicale vergadering en de provinciale kerkvergadering. Zij kiest een breed moderamen, de commissie voor de zaken der Waalse kerken of Waalse commissie geheten en is op gelijke wijze als andere classes in de generale synode vertegenwoordigd.
Behalve in de Akademiekerk hebben de Franse predikanten gedurende enkele maanden van 1686 ook in de kerk van het Heilige Geestgasthuis gepreekt. *  In de Akademiekerk werd er 's zondags driemaal dienst gehouden - 's middags katechismus - en verder op woensdag en vrijdag; afwisselend gingen de predikanten voor, volgens een vastgestelde orde. De Fransen hadden in de Akademiekerk een eigen consistoriekamer. *  In 1701 blijkt de toestand der Franse kerk al geheel te zijn gewijzigd. Het getal der refugiés was zeer verminderd en van de tien predikanten fungeerden er maar vijf meer, de anderen waren gestorven of vervulden wegens ouderdom niet langer preekbeurten. Daarom werd de 'vrijdaegspredikatie' afgeschaft. *  Vanaf 1756 bleef er slechts één predikant in functie, ds. Fontaine, die, beroepen in 1732, 48 dienstjaren zou maken.
De Franse kerk zou op den duur haar kracht niet vinden bij afstammelingen van de oorspronkelijke lidmaten, meest lieden uit de bescheiden stand. Tot de kerk voelden zich namelijk in de 18e eeuw ook verscheidene leden van regentenfamilies, wie het Frans spreken en schrijven een gewoonte was geworden, aangetrokken. Zij huwden wel in de Franse kerk, werden lidmaat, en zijn zo opgenomen in een godsdienstige gemeenschap, waartoe ze door afkomst noch geboorte behoorden. Juist deze lidmaten zouden de leiding gaan geven.
Tot de opbloei van de gemeente - sedert de aansluiting bj de Waalse synode 'l église wallonne' geheten- droeg ongetwijfeld zeer bij de bekende ds. Henri Daniel Guyot, in 1781 naar Groningen beroepen. Deze predikant toonde veel belangstelling voor het onderwijs, meer speciaal voor dat van het doofstomme kind. hij werd één der oprichters van het doofstommeninstituut, dat hier ter stede in 1790 tot stand kwam. Guyot is in 1801 tevens benoemd tot schoolopziener.
Toen ds. Guyot in 1804 een beroep kreeg naar Haarlem, werd hem toegezegd, dat indien op den duur, wanneer hij in Groningen bleef en het waarnemen van de functies van predikant en instituteur van het doofstommeninstituut hem te zwaar zou vallen, men bereid was een adjunct-predikant naast hem aan te stellen. Deze toezegging kon men doen, doordat een fonds werd gevormd, dat als tweede, latere bestemming kreeg te voorzien in een pensioen voor eventuele predikantsweduwen. *  Doorslaggevend voor het doen van dit voorstel was wel geweest de vrees , dat met het vertrek van ds. Guyot ook het doofstommeninstituut naar Haarlem zou verhuizen.
Het kwam niet tot het aanstellen van een adjunct-predikant; ds. Guyot legde in 1809 de post van schoolopziener neer en nam toen tevens afscheid als voorganger van de Waalse gemeente om zich geheel en al aan het onderwijs van de steeds talrijker naar het Groningse instituut toestromende doofstommen te kunnen wijden. *  Spoedig na Guyots aftreden zouden er jaren van neergang voor de Waalse gemeente volgen. Heel ongelukkig was de kerkenraad met zijn keuze van predikant in 1821.
Achtentwintig jaar heeft ds. Poitevin dit ambt waargenomen. Men mag wel zeggen, dat het pleit voor de vitaliteit van de Waalse gemeente deze tijd te hebben overleefd. Hoewel van goede inborst had Poitevin een weinig serieuze opvatting van zijn plichten als predikant en wel het ergste was, dat hij zich vrijwel geen moeite gaf voor de voorbereiding van zijn preken. Gedurende verscheidene jaren hield hij geen enkele nieuwe preek en hij meende genoeg gedaan te hebben, wanneer hij een oude nam, reeds meer dan eens door de gemeente beluisterd, en deze voorzag van een nieuwe tekst. Geen stichting ging uit van zijn gebed, dat praktisch steeds uit dezelfde formule bestond en zondag na zondag en bij alle voorkomende feestdagen door hem werd uitgesproken. Het zal de kerkenraad en de gemeente een verademing zijn geweest toen Poitevin eind 1849 met emeritaat ging.
Het gebouw der Akademiekerk was reeds tevoren in de loop der jaren voor de kleine gemeente te groot geworden; het was er leeg en vooral te koud in de winter hetgeen de stichting niet bevorderde. In het begin van 1804 stond het departementaal bestuur daarom toe, dat voortaan de godsdienstoefeningen in de beslotener ruimte van de Pelstergasthuiskerk werden gehouden. *  Met de voogden van dit gasthuis had de kerkenraad inmiddels contact over dit gebruik opgenomen. Aangezien deze kerk - ten hoogste - slechts één keer in de 14 dagen op de zondagmorgen disponibel was, vonden na 1833 in de regel om de zondag in de Pelster- en Pepergasthuiskerken ochtenddiensten plaats. * 
Op den duur vond men de beide gasthuiskerken toch eigenlijk ook te groot voor de Waalse gemeente en daarbij kwamen ander bezwaren, zoals het verhuizen van de bijbels enz. telkens van het ene gebouw naar het andere en tevens de omstandigheid dat niet steeds zondagsochtends kon worden gepreekt, maar de dienst soms op de avond moest worden gehouden, omdat de Hervorde gemeente de kerk dan zelf behoefde. Men ging denken over de verwerving van een eigen kerkgebouw en voor dit doel is in 1856 een maandelijkse collecte ingesteld. *  Aangekocht werd aldra het patriciërshuis aan de Vismarkt op de oostelijke hoek van de Pelsterstraat, vroeger 'Het bonte huis' genoemd. *  Na afbraak van dit merkwaardige pand met zijn rijke gevel verrees ter plaatse een bouwwerk, dat ouderen zich nog wel zullen herinneren als grijs en naargeestig, maar dat indertijd wellicht bewonderd werd en dat de Waalse gemeente met voldoening zal hebben betrokken.
Vele jaren werden hier de diensten in het Frans gehouden, maar in 1934 zou de gemeente het weer verlaten. De paaspreken van dat jaar waren de laatste. De Waalse gemeente ging de weg terug. De kerk van het Heilige Geestgasthuis werd wederom voor haar opengesteld. Het eigen gebouw verkocht men en in 1938 begon de meubelzaak Huizinga en Rodenberg het verlaten kerkgebouw aan de Vismarkt te verbouwen tot winkel en toonkamers.
Aan de Franse gemeente was in 1689 door de provinciale regering toegestaan eigen diakenen aan te stellen en de gelden, welke in de gemeente werden gecollecteerd, voor eigen armen te besteden. *  De Hervormde gemeente achtte zich daardoor ontslagen van de last doortrekkende Fransen of refugiés, die zich hier metterwoon hadden gevestigd, eventueel te ondersteunen. Vanaf 1742 mocht de Franse gemeente ook de gelden welke ontvangen werden bij de begrafenis van haar lidmaten in de Akademiekerk of op het kerkhof, behouden ten behoeve van haar diakenen. * 
In het midden der 18e eeuw geraakte de administratie van de diaconiegelden geheel in de war, ja eigenlijk fungeerde er geen kerkenraad meer. *  Derhalve greep de provinciale regering in. Provisioneel stelden de gedeputeerde staten in 1769 een oud-diaken aan tot diaken; kort daarop machtigden de staten hun gedeputeerden tot het formeren van een nieuwe kerkenraad en het opstellen van een reglement. *  Toen werd van stadswege in de statenvergadering opgemerkt of het niet wenselijk was de Franse gemeente 'onder correspondentie van het Walsche synodus' te brengen, maar daartoe zou pas in 1780 zoals gezegd, worden besloten.
Uit het in 1769 opgestelde reglement vernemen wij dat de kerkenraad zou bestaan uit de predikant(en), drie ouderlingen, een advocaat-diaken en vier diakenen. De eerste keer geschiedde de aanstelling van ouderlingen en diakenen direct door gedeputeerde staten, maar in het vervolg zou slechts de predikant door dit college worden aangesteld, terwijl de kerkenraad de ouderlingen en diakenen, ook de advocaat-diaken, koos, waarop dan goedkeuring der gedeputeerden vereist was. Zij allen zouden onder de 'hooge authoriteit' van deze heren gedeputeerden staan.
Artikel 10 van het reglement schrijft voor het aanhouden van een dubbel 'akteboek', het ene aan te houden door de 'praedicant-praeses' en het andere door de advocaat-diaken, met medewerking van de ouderlingen. Betreffende de advocaat-diaken of boekhouder-praeses van de diakenen - een belangrijke functionaris in deze gemeente - werd bepaald, dat de kerkenraad voor deze post, indien mogelijk, een kundig advocaat of ander notabel persoon, ervaren in de administratie, zou dienen aan te zoeken.
De scheiding van kerk en staat in de Franse tijd bracht met zich mee dat de benoeming van de Waalse predikant aan de kerkelijke gemeente kwam. Bij het reglement van 1850 wordt de samenstelling van de kerkenraad als volgt aangegeven: één predikant, vier ouderlingen en vijf diakenen, waaronder de advocaat-diaken. Eén van de leden van de kerkenraad is secetaris, met welke functie die van advocaat-diaken niet valt te combineren. Laatstgenoemde functionaris is belast met het beheer van de diaconiegoederen alsook met die van de fondsen voor de predikantsweduwen en voor de eredienst.
Het fonds 'du culte' werd ingesteld toen ingevolge decreet van 2 augustus 1808 met ingang van 1 januari 1810 geen betalingen meer werden gedaan uit publieke fondsen ten behoeve van kerkelijke bedienden. Aanvankelijk zijn daaruit betaald de traktementen van de voorlezer, voorzanger, koster, 'policijmeester' en 'puistentreder' (orgeltrapper), later zijn daaruit meer en meer ook andere betalingen ten behoeve van de eredienst gedaan. Het reglement van 1850 bepaalt voorts o.m. dat een speciale commissie, bestaande uit een ouderling en twee diakenen, is belast met de zorg voor de kerk en de verhuring der zitplaatsen.
Aan de advocaat-diaken werd later mede het beheer van het in 1856 gevormde fonds inzake stichting van een kerkgebouw opgedragen en tevens de administratie van een in 1869 aangegane lening. Uit het reglement van 1874 blijkt dat de taak van de advocaat-diaken wat minder omvangrijk is geworden, want het beheer van het fonds voor de eredienst en de weduwenbeurs is dan opgedragen aan de 'administrateur du culte', het lid van de kerkenraad onder wie ook de zitplaatsenverhuur ressorteert. In plaats van een advocaat-diaken spreekt het reglement van 1881 van een diaken-administrateur.
De omstandigheid dat de advocaat-diaken aanvankelijk voor verschillende fondsen welke hij beheerde, niet altijd afzonderlijke boeken heeft aangehouden, maakt het noodzakelijk in de inventaris met verwijzingen te gaan werken, aangezien vanzelfsprekend elk der desbetreffende delen slechts onder één nummer kon worden beschreven.
Van omstreeks 1849 dateert de oudste lijst van de toen aanwezige archiefstukken, een tweede werd in 1871 opgemaakt. De eerste lijst, die een opsomming geeft zonder nadere indeling, heeft een - overigens gebrekkige - onderverdeling der ingekomen stukken, welke ten tijde van de inventarisatie moet zijn aangebracht. Van 1850 tot en met 1871 bevonden zich de ingekomen stukken per jaar in een omslag. In beide gevallen waren tafels daaraan toegevoegd. Ook het tweede systeem werd later niet meer toegepast. Bij een voorlopige inventarisatie, welke in 1942-1943 tot stand kwam, maar door Schuitema Meijer (auteur dezes) niet meer werd gevolgd, is gepoogd het oude systeem van ordening van deze oude stukken te herstellen, hetgeen tot een weinig bevredigende oplossing leidde.
Helaas heeft de Waalse gemeente een deel van haar archief uit latere jaren verloren. Gelukkig was het oudste gedeelte, waaronder de notulenboeken tot 1889 in 1934 in bruikleen overgebracht naar het depot van het Groningse gemeentearchief, maar de stukken welke de secretaris, mr. Sauer, nog onder zijn beheer had, zijn tijdens de oorlogsdagen van april 1945 in zijn woonhuis, Kraneweg 96, in vlammen opgegaan.
Wat uiteindelijk de doop- en trouwboeken aangaat, deze zijn ten dele bij de Waalse gemeente blijven berusten. Het ander deel - n.l. voor zover enigszins betrekking hebbende tot de burgerlijke stand - moest in 1811 bij het stadsbestuur worden ingeleverd. De laatsbedoelde zijn thans rijkseigendom, maar werden aan het archief der gemeente Groningen in bewaring gegeven.
Het archief heeft een lengte van 6,5 meter en beslaat de periode 1686 - 1926. In de jaren nadat het archief door de toenmalige stadsarchivaris Schuitema Meijer is bewerkt (1965), is er nog een aanvulling gekomen, voornamelijk (minder belangrijke) documentatie betreffende de Waalse kerk in het algemeen. De eerdere toegang van 1965 is in 2002 herzien met toevoeging van de aanwinst.
Bijlage: lijst van predikanten bij de Waalse gemeente te Groningen. 1614-1964.
Inventaris
1 Kerkbestuur
2 Armbestuur
3 Documentatie
Kenmerken
Datering:
1563 - 1926
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Waalse Gemeente te Groningen
Bewerker:
A.T. Schuitema Meijer
Laatste Publicatie:
2013
Omvang:
6,5 m standaardarchiefberging
Bijzonderheden:
Eerdere toegang (1965) in 2002 herzien wegens wijziging nummering en latere aanwinst. In 2013 is toegevoegd nr. 193
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS