Uw zoekacties: Klerken- of fraterhuis te Groningen, 1393 - 1853
x1237 Klerken- of fraterhuis te Groningen, 1393 - 1853 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1237 Klerken- of fraterhuis te Groningen, 1393 - 1853 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De broederschap des gemenen levens in Groningen is tot stand gekomen tussen 1432 en 1436. Dit blijkt wel hieruit, dat in 1432 de eerste priester van het Groningse klerkenhuis, Willem Wigboldis, nog lid was van de congregatie der broeders te Zwolle *  , terwijl hij in een akte van vier jaar later "priester der clerckenhuys in onser stad" is *  . Bij deze akte van 1436, waarin het klerkenhuis voor het eerst wordt vermeld, werd aan Willem Wigboldis een erf vermaakt, dat zich op de noord-oosthoek van het St. Maartenskerkhof uitstrekte tussen de kerkhofmuur en "der maghede nije hues" d.w.z. het nieuwe huis van de zusters van het Oldeconvent, wier instelling aan de tegenwoordige Rodeweeshuisstraat lag. Drie jaar daarna droeg de priores van deze zusters aan meergenoemde Willem Wigboldis, priester van de St. Maartenskerk te Groningen, ten behoeve van een "gheestlike vergaderinghe van priesters ende clercken" een huis en erf over, dat gelegen was naast "der kercken husinghe *  en erve van Sunte Walburge". Wellicht lagen het bij de akte van 1436 geschonken erf en het huis met erf van 1439 naast elkaar aan de noordoosthoek van het St. Walburgskerkhof, zoals het noordelijk deel van het huidige Martinikerkhof oudtijds heette - en groeide uit deze bezittingen het huis der klerken, dat deze daar ter plaatse later bezaten.
Volgens aantekeningen *  , welke vermoedelijk uit de begintijd der broederschap dateren, zou deze congregatie bestaan uit één priester en zes klerken. Deze aantekeningen zijn allicht bedoeld geweest om te dienen bij het opstellen van een reglement of "fundatie", dat naar mag worden aangenomen wel tot stand kwam *  , maar niet bewaard bleef. Mogelijk is het met andere stukken, welke meer inzicht hadden kunnen geven in de historie van de broederschap als geestelijke instelling, verloren gegaan, een verlies dat dan moet worden geweten aan de stadsregering; trouwens ook de bewuste aantekeningen zouden afdwalen, maar konden bij verkoping van door Mr. J. Nanninga Uitterdijk nagelaten papieren worden aangekocht *  . Als rechtsopvolgster van de klerkengemeenschap zal de stad aan deze archivalia indertijd minder belang hebben gehecht dan aan die, welke als bewijzen van het goederenbezit der broeders van betekenis waren; dat deel van hun archief is wel goed bewaard gebleven.
Geruime tijd heeft de broederschap gebloeid en speciaal denkt men dan aan de tijd van het rectoraat van Goswinus van Halen (omstreeks 1509 *  -1530 *  ), die in zijn jeugd het voorrecht heeft genoten omgang te hebben gehad met Wessel Gansfort en Rudolf Agricola *  . Men bespeurt, dat er na rector Goswinus' dood al spoedig verval intreedt en de broeders zouden als gemeenschap dit niet meer te boven komen.
Het gebouw der klerken zal aanvankelijk betrekkelijk onaanzienlijk zijn geweest, later beschikten de broeders over een royalere behuizing. Van de bouwgeschiedenis van hun huis is in het bijzonder bekend, dat er omstreeks 1490 sprake was van de bouw van het "grote huijs" met een kapel voorzien van altaren *  . De klerken bleven hun huis aan het kerkhof tot 1568 bewonen, toen werd het in opdracht van Alva gevorderd ten behoeve van bisschop Johan Knijff, die weliswaar al in 1564 was benoemd in de nieuw gevormde diocese, maar zich tot dan niet in Groningen had kunnen vestigen. Deze bisschop heeft het gebouw nog zeer laten vergroten, waartoe hij bouwmaterialen afkomstig van het hem toegewezen klooster Wittewierum deed aanwenden *  .Het huis der Groningse broederschap des gemenen levens aan het St. Walburgkerkhof wordt tot omstreeks 1500 bijna steeds als "clerckenhuys" aangeduid, in de verschillende schrijfwijzen, welke dit woord toelaat; ook nadien gebeurde dit nog wel en tot het laatst toe, maar men merkt, dat tegen het einde der 15e eeuw en in het begin der 16e eeuw de naam convent St. Mattheus (domus Sancti Mathei of Sunte Matheushuus) *  nu en dan voorkomt, terwijl vanaf de eeuwwisseling het convent in oorkonden doorgaans aangeduid wordt als "fraterhuis", uiteraard in diverse spellingen.
Verrassend is dat wanneer Alva in zijn brief van 31 januari 1568 *  aan de luitenant van de hoofdmannenkamer, Johan de Mepsche, schrijft over de huisvesting van de bisschop in het gebouw der broeders, hij spreekt van het "godtshuijs van St. Jeronijmes". De Mepsche schrijft hem het volgende jaar, dat hij de bisschop in het "S. Jeronymusconvent" heeft ingeleid *  . Begrijpelijk is Alva's aanduiding wel, wanneer men weet, dat in enige andere plaatsen Jeronimus tot schutspatroon van dergelijke broederschappen was gekozen *  .
In de Groningse St. Walburgkerk was overigens ook het altaar voor de priesters van het klerkenhuis, in 1464 opgericht door de rijke weldoenster der broeders, Ludekina ter Bruggen, weduwe van ridder Albert Jarichs of Jarges *  , gewijd aan de H. Elisabeth en de vier doctoren, waaronder dus Jeronimus *  .
De taak der broeders was meerdelig, maar zij lag voornamelijk op het gebied van het onderwijs en het boek. "Gheen ammacht" zullen de fraters "doen dan schriven, boekebynden ende dat daer to hoert", luidt het in de bovenvermelde notities *  .
Nog geven de stadsrekeningen door daarin verantwoorde betalingen blijk van de werkzaamheden als boekbinder en kopiist ten dienste van de stad verricht *  .Tevens leverde het klerkenhuis aan de stad benodigd papier en "francijn" *  . Het maken van afschriften zal een hoofdbezigheid zijn geweest van de jonge klerken, gelijk dit elders het geval was, de zielzorg was aan de priesters opgedragen en daarbij zou de zorg voor de studerende jeugd in het bijzonder hun aandacht hebben *  . Hoever hun arbeid zich op dit terrein uitstrekte, daarvan geven de archivalia geen duidelijk beeld. Het was evenwel de algemene regel bij deze broederschappen, dat fraters schooljongens in hun huizen opnamen en hun kost en inwoning verschaften, zodat zij in de gelegenheid waren overdag de staddschool te bezoeken. Het valt niet uit te maken, of de Groningse broederschap reeds van den beginne af scholieren huisvestte, maar in 1478 blijken de broeders reeds te beschikken over een afzonderlijk huis voor arme scholieren, gebouwd ten tijde van Johannes van der Oldekercke, de latere rector, maar die in die tijd optrad in zijn functie van procurator "des-clerckhuses an de sudersyde in Suncte Johannesstrate up de Oesterhorne der strate gelegen". Aldus komt hij voor in een akte uit genoemd jaar, waarbij een zekere Aijle Hallema onroerend goed te Westeremden schenkt "tot behoeff des huses vorscreven ende den schamele clarcken (schoolknapen) ende kinderen de man daer inneholden sall" *  .
De Groningse broeders hadden dus toen reeds een zg. convict. Dit werd doorgaans als het fraterhuis aangeduid, een naam die zich, ook nadat de fraters dit huis hadden verlaten, daarvoor handhaafde; in de tweede helft der 16e eeuw duidde men het ook wel aan als het klerken-fraterhuis, dit dan in tegenstelling met het monniken-fraterhuis, waaronder men het hoofdgebouw aan het St. Walburgkerkhof verstond. Het fraterhuis lag aan de zuidzijde van de St. Jansstraat, op de westhoek van de tegenwoordige schoolstraat.
De broeders verstrekten in huis soms aan, doorgaans oude, lieden onderdak, welke zich door afstand van goederen inkochten. Zo droeg in 1492 een echtpaar te Schipborg in de provincie Drenthe hun onroerend en roerend goed over aan de Groningse broeders *  ; tot deze goederen behoorden twee "arven", hofsteden met de daarbijbehorende landerijen en markegrechtigdheden. De akte van overdracht noemt als tegenprestatie, welke de klerken zouden leveren, slechts het opnemen van de schenkers en hun familie in de gebeden der broeders, maar uit de inhoud van latere stukken *  blijkt, dat de fraters zich verplicht hadden het echtpaar met de enige dochter als proveniers op te nemen: zo lang zij leefden moesten de fraters voor hun onderhoud zorgen en hun huisvesting verlenen. Hoewel de akte van 1492 op dit punt zwijgt, is het toch duidelijk, dat deze overeenkomst als een ovelgangscontract was bedoeld.
De belangen der fraters zouden te Schipborg nog aanmerkelijk worden uitgebreid, toen twee jaar later een gegoed man, te Anlo woonachtig, besloot als provenier in het fraterhuis te gaan en daarbij zijn Schipborgse goederen inbracht *  . Op oud-Drentse wijze vond de overdracht van het onroerend goed, twee boerderijen, plaats bij stoklegging.
Vergeleken bij de meeste Groningse kloosters zou het klerkenhuis in de loop der jaren slechts een bescheiden bezit aan onroerend goed verwerven. Het gezamenlijke landbezit, dat deels door schenkingen, deels ook door aankopen werd verkregen, meent men te mogen schatten op 350 hectare *  . De broedergemeenschap had huizen en landerijen in en nabij de stad Groningen, zowel als verspeid gelegen in de provincie Groningen - vooral te Scharmer en Westerbroek - en verder in "de olde landschap", Drenthe, en daar dan behalve te Schipborg voornamelijk te Eext en Gieten. Daarnaast bezat het klerkenhuis verscheidene renten en eeuwige huren in de stad en in de genoemde provincies. Soms zijn goederen speciaal aan het klerken-fraterhuis in de St. Jansstraat geschonken met de bedoeling dat deze in het bijzonder ten goede zouden komen aan de "arme klerken" *  . Naar het ons voorkomt, hebben die goederen een zg. afhankelijke of oneigenlijke stichting gevormd *  , zij behoorden wel tot het vermogen van de broederschap, maar er was een afzonderlijk karakter aan gegeven door de conditie, dat ze ten behoeve van de arme klerken moesten worden aangewend. Het toezicht op het klerken-fraterhuis behoorde eigenlijk te worden uitgeoefend door het "procuratorium der arme klercken" bestaande uit de pater van het klerkenhuis en één der senioren van de St. Maartenskerk. Maar later behoefde de pater bij beheershandelingen niet meer overleg te plegen met zijn medebestuurders.
Dit zou evenwel tot wantoestanden op financieel gebied leiden; daarover deelt een rapport van omstreeks 1565, uitgebracht door een lector, die tevoren aan het fraterhuis verbonden was geweest, een en ander mee *  . Zo waren bv. renten, welke de arme klerken toebehoorden nota bene afgelost om met de opbrengsten daarvan een deel der kosten van de bouw van het reeds genoemde "grote huijs" te bekostigen.
Omstreeks 1540 speelde zich nog een andere kwalijke zaak af, malversatie van aan de fraters toevertrouwde gelden *  . Het is dan ook wel duidelijk, dat dergelijke praktijken het klerkenhuis geen goed deden en het verbaast daarom niet, dat door een dusdanige mentaliteit deze instelling in verval geraakte. Tegen 1565 kon de toenmalige pastoor-persona der Groningse St. Maartenskerk het wanbeheer der fraters niet langer aanzien en het gaf hem reden om aan het stadsbestuur uiteen te zetten, dat geen gebouw in de stad geschikter zou zijn om er een weeshuis in te vestigen dan juist dit klerkenhuis aan het St. Walburgkerkhof. Dit plan zinde, begrijpelijk, de pater van het klerkenhuis allerminst. Weliswaar ging het weeshuisplan niet door, maar aan de fraters werd op financieel gebied de vrijheid van handelen goeddeels ontnomen en zij zijn er toen nadrukkelijk op gewezen goed te beseffen, dat de goederen indertijd gegeven waren om de jeugd te onderrichten *  . Ook zouden twee administratoren door de raad worden aangesteld. Het lag voorts in de bedoeling mede door het aantrekken van bekwame personen een seminarie ter onderrichting der jeugd op te richten. Het plan een seminarie te stichten, stond wellicht in verband met de benoeming van bisschop Knijff en het feit, dat aan de bisschoppen bij het concilie van Trente (1545 - 1563) het oprichten van een seminarie was opgedragen.
En uiteraard liet het stadsbestuur het niet onverschillig, of het klerkenhuis verloren zou gaan; de stad had belang bij het blijven voortbestaan van deze instelling die de mogelijkheid bood arme klerken te voeden en te onderrichten. Opgemerkt dient evenwel, dat zeker niet alle schenkingen aan het broederschap speciaal ten behoeve van de arme klerken waren gedaan, maar het stadsbestuur zal bij zijn opmerking in dezen in het bijzonder gedacht hebben aan de bovenverhaalde verduistering van de goederen van de arme klerken.
Doordat het klerkenhuis aan de St. Walburgkerkhof in 1568 tot woning van de bisschop werd bestemd, trof men een financiële schikking wegens afstand van dit gebouw. De beschikking over het fraterhuis in de St. Jansstraat was de fraters het jaar tevoren ontnomen, in 1567 was in dit huis een aantal soldaten gehuisvest. In ruil voor de afstand van hun huis aan het kerhof zouden de fraters het zh. Wittewierumerhuis op de zuidhoek van de Popkenstraat en de tegenwoordige Schoolstraat verwerven. De broederschap kwam echter niet tot nieuw leven en deswege droeg in 1578 de laatste pater en procurator, Theodorus Sutphaniensis, "van siene mithbroederenn desolaet", de fraterhuisgoederen over in de macht van burgemeesters en raad, opdat ze na zijn dood niet teloor zouden gaan. De stadsregering beloofde toen, dat zij "bijsunders goede upsichtt ende sorge upt fraterhues ende clercken aldaer mit aller vlyth ende ernst annwenden, draegen ende hebben [sall], als dat tot Godts eher end stichtinge der menschen utherlick eegen van noeden weesen sall *  .
Als instelling bleef het fraterhuis in stand en "voorstanders", voogden of (pro)curatoren der arme klerken, of hoe ze ook maar werden genoemd, behartigden de financiële belangen ervan.
Het gebouw in de St. Jansstraat had evenwel zeer onder krijgsbezetting geleden, maar vermoedelijk huisvestte het toch zo goed en kwaad dit ging enige "klerken", althans aan een preceptor van de St. Maartensschool was in 1582 opgedragen hen onderricht te geven *  . En aangezien de stadsmagistraat van plan was de St. Maartensschool tot meerdere bloei te brengen, lag hem tevens veel gelegen aan herstel van het fraterhuis, waaraan het uiteraard dringend toe was, opdat des te beter een aantal schooljongens die overdag de St. Maartensschool bezochten, daarin zouden kunnen worden gehuisvest.
Restauratie vond inderdaad plaats en in 1587 werd een procurator en lector voor dit huis aangesteld; diens zuster zou de huishouding doen *  .
Na de reformatie in 1594 gaf het Groningse stadsbestuur zich veel moeite voor goed onderwijs; het fraterhuis in de Schoolstraat was ook nadien een tehuis voor minvermogende scholieren, welke de St. Maartensschool bezochten. Een en ander werd bekostigd uit de opbrengsten van de fraterhuisgoederen. Men sprak in die tijd van een "academie offte burse", ook wel van een "oeconomie", waarbij een oeconomus de huishouding bestierde. Een uitvoerig voor dit huis opgesteld reglement bepaalde o.a. dat van de 24 bursalen acht burgerkinderen niets behoefden te betalen, de overigen ontvingen een half "beneficie" *  . Tot 1684 zou deze instelling in stand blijven, in de laatste tijd evenwel moeizaam voortbestaande. Het was tenslotte met de financiën zo slecht gesteld, dat tot sluiting moest worden besloten. Vier jaar later, in 1688, voegde de raad de goederen van het fraterhuis toe aan die van de predikantencassa, welk fonds in hoofdzaak diende ter uitbetaling van de predikantstractementen.
Daabij werd bepaald, dat "nochtans van jeder cassa apart boeck sal werden gehouden en jaerlyx aparte reeckeninge gedaen" *  . Wanneer in 1739 burgemeesters en raad in secrete vergadering bijeengezeten zich tot taak stellen te onderzoeken op welke wijze "de behoeftigheid van de gecombineerde praedicanten en fraterhuijsgoederen kasse" zou kunnen worden "gesubvenieerd", komt men tot de conclusie, dat het eigenlijk overbodig is van de fraterhuisgoederen - uit wier opbrengsten jaarlijks 1500 gulden in de predikantencassa vloeiden - een afzonderlijke rekening aan te houden, aangezien immers "veele capita in de jaarlijkxe reeckeninge over 't fraterhuijs pro memoria gesteld, wel altoos pro memoria sullen blijven, als daar sijn kostgelden, loonen en salarissen, turff en keersen, proeven en praesentatien an de conventualen, accijssen etc. " *  . Derhalve volgt dan ook het logische besluit zich deze moeite en de daarmee samenhangende kosten te besparen en voortaan van de beide rekeningen één rekening te formeren.
In nauwe relatie met het klerkenhuis stonden oudtijds nog twee andere instellingen, het zusterhuis en het Ludeken Jargesgasthuis *  . In 1463 verkocht Ludeken, weduwe van Albert Jarges, aan haar zuster Heyle ter Bruggen en Asse Tedema landerijen, welke gelegen waren in de Korte Woerden buiten de Boteringepoort en wel aan de noordzijde van het Reitdiep, alsmede o.a. haar woonhuis aan het Akerkhof n.z., op voorwaarde, dat op het eerstgenoemde land een kapel en een huis zouden worden gebouwd ten behoeve van een "vergaderinge ... daer guedwillige personen den almachtigen in reynicheiden ende anderen gheestlicken oefeningen ynne dienen mogen", terwijl tevens bepalingen werden getroffen betreffende uitkeringen door Heyle, Asse en de zusters van de bedoelde, te stichten "vergaderinge", alsmede de verzorging van Ludeken door haar *  . Kennelijk lag het in de bedoeling van Heyle en Asse een zusterhuis te stichten. Daar zou aanvankelijk niets van komen, maar in 1467 schenkt Heyle ter Bruggen, wonende naast het klerkenhuis aan het St. Walburgkerkhof, in welk huis ze zelf als zuster is opgenomen, met andere godvruchtige, vrome zusters als haar goederen aan genoemd huis; voortaan zullen zij onder het gezag en het bestuur van de pater van het klerkenhuis staan en met inachtneming van de statuten van het huis met de andere zusters God daar nederig, getrouw en vroom dienen *  . Over het aannemen van bepaalde regels wordt niet gesproken.
Het jaar daarop, in 1468, instrumenteert een notaris, dat Ludekina, weduwe van Albertus Jarici, die mede zuster van het klerkenhuis blijkt te zijn geworden, al haar goederen aan de priesters, klerken, broeders en zusters van dit huis heeft geschonken *  . Bij een tweede gelijktijdige notariële akte wordt bepaald, dat de broeders de plicht hebben om te blijven zorgen voor het armenhuis, dat door de schenkster en haar overleden man gebouwd is achter het huis, dat zij aan de zuidzijde van de Vismarkt bezaten, en wel tussen de Haddinge- en Folkingestraat *  . De goederen bestemd voor de zusters lijken een afzonderlijk fonds te hebben gevormd; de zusters traden bv. als partij op bij een overdracht van rechten ten aanzien van een deel van de stadswal *  , maar anderdeels geven de reeds aangehaalde oorkonden de indruk, dat de goederen der zusters aan de broederschap behoorden. Naar men mag aannemen zullen de baten van deze goederen ten gunste van de zusters zijn aangewend.
Het armenhuis, waarover de bovengenoemde schenkingsakte van 1468 spreekt, zal wellicht kort voor 1450 zijn gesticht, want blijkens het testament van (ridder) Albert Jarges, die naar werd opgemerkt medestichter is geweest, was het in het begin van dat jaar in aanbouw *  . Dit gasthuis lag tussen de Haddingestraat en de Folkingestraat - achter de huizen aan de Vismarkt - zoals uit het voorafgaande duidelijk blijkt, en wel in de latere Haddingedwarsstraat, vroeger Bredegang geheten *  . Het zou naar mevrouw Ludeken Jarges worden genoemd.
Blijkens een oorkonde van 1516, waarbij de procuratoren van het Armhuiszitten aan de conventualinnen van dit gasthuis het armhuiszittendbrood toegezegd hebben, bood het vrouw Ludeken Jargesgasthuis toen huisvesting aan twaalf vrouwen *  . In de loop der 17e eeuw geraakte deze instelling zozeer in verval, dat de stedelijke raad in 1677 besloot het op acht vrouwen te laten "uytsterven" *  . Maar dat bracht niet de oplossing van de financiële nood. Ook nadat het aantal der vrouwen beneden de acht was gedaald, leek het niet verantwoord nieuwe conventualinnen op te nemen en het eindigde ermee, dat het stadsbestuur in 1688 het besluit nam het gasthuis te verkopen en de opbrengst met de fraterhuisgoederen te voegen bij de predikantencassa. Toen waren er nog twee vrouwen in het gasthuis; voor haar onderhoud zou levenslang worden gezorgd *  .
Reeds de broeders hebben zorgen besteed aan de ordening van hun archief. Zij hebben met rode gotische letters gerubriceerd, de oorkonden gerangschikt in groepen, welke steeds een bepaalde straat met omgeving of (een) dorp(en) met nabuurschap "aanbelangden". De letter A geeft aan: St. Jansstraat, D: Poelestraat en Damsterweg (buiten de Poelepoort), F: Haddingestraat, G: Korte Woerden (buiten de Boteringepoort), H: landerijen buiten de Boteringepoort, I. Gieten en Eext, K: Westerbroek en Schipborg, L: Zuidwolde, Woltersum en Harkstede.
Het jongste der aldus gerubriceerde stukken betreft een aankoop van 1513, het oudste uit 1393 is een Jargesstuk verband houdende met de schenking van Ludeken ter Bruggen, weduwe van Albert Jarges. Van de stukken tot 1513 zijn 86 met rode letters gemerkt en 81 ongemerkt. Onder de niet-gemerkte bevinden zich een kleine dertig stukken, welke in de nu opgestelde inventaris gerangschikt zijn onder archivalia van algemene aard, zoals privileges, testamenten, stukken betreffende missen, altaren en vicarieën. Opmerkelijk is, dat bescheiden met betrekking tot het bezit aan het St. Walburgkerkhof, waaraan toch de hoofdzetel van de broederschap was gelegen, ongemerkt zijn gebleven. Ook Scharmer werd op één stuk na niet gerubriceerd, in tegenstelling tot Westerbroek, waar de eigendommen grotendeels in dezelfde tijd als die van Scharmer zijn verworven. De overwegingen, welke geleid hebben tot deze ordening met rode letters, blijven derhalve min of meer onbekend; voorzover gerubriceerd werd, ging het waarschijnlijk alleen om de aanduiding van straat of plaats, tussen eigendommen en renten werd namelijk geen onderscheid gemaakt, en dat was evenmin nog het geval in de oudst-bekende rekeningen van het fraterhuis, namelijk die van 1627/1628 - 1629/1630. Bij benadering is de tijd van ontstaan der rubricering vast te stellen.
Het eindjaar 1513 valt onder rectoraat van Goswinnus van Halen, die voor het eerst in 1509 als pater wordt genoemd en van bekend is, dat hij in 1530 overleed. Aangezien tijdens zijn rectoraat het klerkenhuis nog bezittingen te Westerbroek verwerft, die evenwel niet meer geregistreerd werden, lijkt het aannemelijk, dat het plan tot rubricering niet van hem is uitgegaan. Mogelijk is het de wens en het werk van een medebroeder geweest, het archief aldus te ordenen, maar is deze tijdens de werkzaamheden, in of kort na 1513 overleden, waardoor deze ordening onaf bleef.
Op enkele stukken uit de tweede helft van de 15e eeuw, betrekking hebbende op Gieten en Eext en voorzien van een rode I komen in zwart de letters Aa - Ee en Gg voor. Ff in rood op een stuk zonder rode I behoort waarschijnlijk tot deze groep. De reden waarom en wanneer deze dubbele letters zijn aangebracht, viel niet te achterhalen.
Een derde serie lettertekens: .C., .F.,. I.,. K.,. M., .O., .T., .W. en .Z. in zwart, alsmede .Q. in rood zijn aangebracht op stukken betreffende Schipborg, Gieten en Eext (1462 - 1559), waarvan zes eveneens voorzien zijn van de rode gotische I. Ook in dit geval blijft de reden van het merken ons onbekend. De tijd, waarin dit gebeurde, lijkt te mogen worden gesteld op 1590 of nadien, aangezien nog een aldus gemerkt afschrift uit genoemd jaar van een stuk van 1554 op deze wijze is onderscheiden.
De opheffing van het fraterhuis noch de samensmelting van de afzonderlijke rekeningen van deze instelling met die van de predikantencassa in één, waartoe de stadsraad in 1739 besloot, zou geen vermenging van de archivalia der beide fondsen ten gevolge hebben. De eigendomsbewijzen en andere archiefstukken van het fraterhuis bleven tot 1677 in het huis zelf bewaard, maar in dat jaar werd de kist met drie sloten, waarin ze waren weggesloten, op stadsbevel naar het raadhuis overgebracht om te worden geplaatst op de zg. "nieuwe camer" *  . Hierin zal de reden moeten worden gezocht, waarom ook later geen vermenging van archieven plaatsvond. Want toen de burgemeesters 11 april 1822 besloten, dat het opzicht op de administratie van het kantoor der predikantengoederen in den vervolge zou worden overgelaten aan het college van kerkvoogden van de Ned. hervormde gemeente in Groningen, kreeg de kerkelijke ontvanger mede het beheer over de archivalia van het predikantenkantoor; de archiefstukken van het fraterhuis bleven, naar mag worden verondersteld, rustig in hun kist op het stadhuis liggen en kwamen via de Provinciale Archievenkamer terecht in het Gemeentearchief.

Groningen, 1972.
Bijlagen
1. Regestenlijst
2. Brievenlijst
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van het archief van het klerken- of fraterhuis te Groningen.
Bewerker:
A.T. Schuitema Meijer en Eef van Dijk
Laatste Publicatie:
1973
Behoort tot collectie:
Gemeente Groningen
Omvang:
0,2 m standaardarchiefberging
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS