Uw zoekacties: Broederschap der kalenden te Groningen, 1396 - 1592
x1235 Broederschap der kalenden te Groningen, 1396 - 1592 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1235 Broederschap der kalenden te Groningen, 1396 - 1592 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De oorsprong van de bovengenoemde "ghestlike broderscap", van geestelijken en wereldlijken, zowel mannen als vrouwen, dateert waarschijnlijk uit het jaar 1318; de verenigingsbepalingen van dat jaar - in het Oorkondeboek van Groningen en Drenthe no. 260 vindt men deze, vermoedelijk in een vertaling uit het Latijn vermeld - dragen het karakter als eerste statuten van de broederschap gediend te hebben.
Het doel van de vereniging leren wij hieruit nader kennen *  .
Het doel van de vereniging leren wij hieruit nader kennen. *  In hoofdzaak blijkt dit bestaan te hebben in een zekere zorg, die de leden, zowel de leken als de geestelijken, door gebeden en godsdienstoefeningen voor de zielen van de afgestorven broeders en zusters uit te oefenen hadden, behalve dagelijkse gebeden (§ 10), en begrafenisdiensten door de leken bij sterfgevallen van de leden (§ 11, 16), van geregelde herdenkingen en begrafenissen door de priesters (§ 9 en 16), werden daarvoor jaarlijks op dinsdag "na octava des hilighen sacramentsdach" en dinsdag "na sente Michiele" plechtige diensten, voorafgegaan door een avonddienst op de maandag, gehouden; aan beide diensten, zowel op maandag als op dinsdag, waren in de zomer en de herfst gemeenschappelijke maaltijden verbonden (§ 1, 2). Aan een bepaalde parochie waren de diensten niet gebonden; de bepaling waarbij de voorzitter der kalenden aan elke leek "de in de kerspele wonet, daer de kalende dan is" verplichtingen voor de diensten kon voorschrijven, schijnt door de aangehaalde woorden
, op een zekere ommegang der diensten in de verschillende kerspelen te wijzen (§ 1). * 
Het aantal leden van de verenging mocht het getal van 32 niet overtreffen (§ 18); een enkele keer, in 1470, werd hiervan tijdelijk dispensatie verleend. De gelegenheid stond aan ieder open op de twee grote jaarlijkse bijeenkomsten tot de vereniging toe te treden "alsoveer als dat al den broderen ende susteren ghemeenlike lief zij" (§ 17); in latere jaren (1479) heeft men deze bepalingen willen "methigen" en o.a. een verdeelde invloed van de karspelen willen bewerken; bij het overlijden van een zuster of een broeder, werd besloten, "salmen ….. na der meester stemmen der broderen ende susteren daer een broder ofte suster weder in de stede kesen na uutwisinghe der persone, als de verstorvene broeder ofte suster gheweest is uut den karspel, daer de broder of te suster uut verstorven is". De stemming zou geheim zijn "ghelijck als men den raet keset". Een zekere voorrang schijnt de priesters voor het lidmaatschap toegekomen te zijn; toen in 1470 het vastgestelde getal van de leden tijdelijk overschreden werd, bepaalde men dat bij afsterving van broeders en zusters geen nieuw lid gekozen zou worden, totdat het normale getal teruggekeerd zou zijn "mer sterve een preister daer sal men enen preister weder in de stede namen".
De leiding van de broederschap was toevertrouwd aan "hovedinghe" of procuratoren; handhaving van de orde (§ 5, 6), de zorg de leden aan hun verplichtingen te houden, het voorlezen van de statuten (§ 14), het beheer van de geldmiddelen (§ 15), hiernaast het "voerdenen" op de kalende bijeenkomsten (§ 2, 15), het "bedenken" van arme lieden bij de maaltijden, en het uitschrijven van bijeenkomsten (§ 13) waren de voornaamste verplichtingen.
Dit "voerdenen" schijnt tevens een verplichting tot een zeker onthaal geweest te zijn; in 1458 werd een besluit genomen, dat elk - broeder of zuster - die stierf vóór hij de kalende "ghedeent" had, tot de schenking van een halve ton bier en tot een Frans schild verplicht was, welke som grotendeels door degene, die de kalende het eerst zou dienen, tot "ene collacie" - vóór hij zijn eigen verplichting nakwam - bestemd zou worden, een en ander op straffe dat de broeders en zuster anders ten opzichte van de overledene "onbeladen wilden wezen van den dertich sielmissen en dertich vigilien".
De functie van "hoveding" werd elk van de leden - zowel mannelijke als vrouwelijke *  - op hun beurt toegewezen; wel mochten op de dinsdag na de Octaaf van de Heilige Sacramentsdag de oude hovedingen hun opvolgers kiezen, maar de keuze moest zich beperken tot die "twe, de hem naest gheseten zijn in ommeganc als dat pant pleget omme te gane"; zich onttrekken aan deze verplichtingen was niet mogelijk (§ 15, 17).
Naast de twee vaste jaarlijkse bijeenkomsten, konden andere bijeenkomsten gehouden worden; de hovedingen hadden de bevoegdheid de leden "to collacie (te) laden" "omme stucke, die den broderen nutte ende guet zijn". (§ 13).
De onkosten der vereeniging werden bestreden uit verschillende inkomsten. Als entreegeld was in 1318 reeds een som van 30 olde Vlemesche voorgeschreven; in 1470 schijnt dit bedrag aanmerkelijk verhoogd geworden te zijn; behalve de 30 Vlaamschen werd een jaarlijkse van één Arnh. gulden geëist. * 
Hiernaast hebben tal van boetebepalingen, -o.a. betaalde men aan elk persoon van de kalende 3 schellingen als men de kalende verliet- gezorgd voor inkomsten. Eindelijk hebben ook schenkingen wellicht een vast fonds aan de vereniging verschaft. *  Een overzicht van de renteinkomsten -vaste goederen bezat de broederschap niet- kan men voor de jaren 1470 en 1594 vinden. (zie onder).
Omtrent de geschiedenis van de vereniging is ons weinig bekend. Slechts een klein protocol, dat zeker tussen 1458 en 1470 *  opgesteld is, en tot kort na 1497 aangehouden is, vermeldt enige resoluties over de betreffende jaren (d.a. 1470, 1479, 1497); het bevat verder de namen van de toenmalige leden, geestelijken en leken, benevens de namen van de "broder ende susters, de uut desser kalende ghestorven zijn", vervolgens de "gherichten" welke op de maaltijden gegeven werden - in strijd met het 2de artikel van de statuten van 1318, dat slechts twee vleesgerechten toeliet, was in 1470 reed een grotere weelde bij de maaltijden op te merken - en ten slotte de lijst van renten, welke de broederschap toenmaals bezat en verkreeg. *  Vermoedelijk kan het handschrift, dat in het bezit is van Mr. N.J. van Walderen, baron Rengers te Leeuwarden, waarin ook bepalingen van latere datum en volledige kalendelijsten tot verder in de 16e eeuw bewaard zijn, meer licht over de geschiedenis van de broederschap verspreiden. * 
In 1594 werd de vereniging bij de overgang van de stad opgeheven. De inkomsten werden geseculariseerd, en naar haar aard als priesterinkomsten beschouwd; met de bestemming die de renten hadden, die door gelovige katholieken aan de priesters geschonken waren, onder de verplichting hiervoor memories te houden, stemde ongetwijfeld de bestemming van het fonds van deze vereniging overeen; slechts was het bedrag van de jaarlijkse maaltijd, die evengoed voor de niet-geestelijken bestemd was, aan een ander doel gewijd. In het fonds van de predikantengoederen werden zij daarop met de andere priestergoederen gestort, - in de rekening van de predikantengoederen van 1594/95 komt de lijst van de renten van de kalenden reeds na die van de priesters van de Martinikerk voor - waar zij in de volgende eeuwen gebleven zijn. De stukken van de kalenden deelden het lot
van de andere oorkonden van het kantoor van de Predikantengoederen en werden in 1835 naar het Oud-Archief van de provincie Groningen overgebracht. Een enkel stuk (inv.-nr. 9) dat door de verzamelaar Keiser uit het Predikantenkantoor meegenomen was, kwam na de aankoop van vele stukken van zijn collectie mede in het Oud-Archief terecht. Ook het bovengenoemde protocol (inv.-nr. 1), dat in het Archief van de Stad Groningen gebleven was (vgl. aantekening van H.O. Feith - Jr.), vermoedelijk omdat het geen praktische waarde voor de financiële administratie had, is met de andere stukken van het Gemeentearchief mede in het Oud-Archief van de provincie gedeponeerd.
Het kleine aantal stukken, die bewaard zijn, geeft geen aanleiding tot een nadere bespreking van de samenstelling van de Inventaris.
Inventaris
1. Kalendenboek
2. Eigendomstitels van renten
Regestenlijst
Appendix: Ter datering van het Kalendenboek
Uit de inschrijving van het besluit van 1458 blijkt reeds, dat het boek na 1458 aangelegd is, uit het feit, dat de resoluties van 1470 en volgende jaren op fol. 2, fol. 1 (verso), fol. 1 met andere handen bijgeschreven werden - tussen de bladen, waarop de besluiten van de vereniging vermeld waren, en die, waarop de leden aangetekend waren, was geen ruimte overgelaten - mag aangenomen worden, dat het boek vóór 1470 voltooid was. Er bestaan evenwel aanwijzingen, die een nauwkeuriger vaststellen van het tijdperk, waarbinnen het boek aangelegd moet zijn, mogelijk maken.
Op fol. 15 zijn de namen vermeld van de personen, die tussen het jaar, waarin dit boek geschreven werd en ± 1500, leden van de Vereniging geweest zijn; deze namen zijn 1). Hermen Hopper (doorgeschrapt), 2). Mr. Johan Wychgerinck (doorgeschrapt), 3). W………. (geradeerd), 4). Gherment Allema, 5). ………. (geradeerd), 6). ………. (geradeerd), 7). Gheert Lewe (doorgeschrapt), (hier beginnen de beschrijvingen door jongere handen), 8). ………. (geradeerd), 9). Johan Scaffer, 10). Heyman van Dulck (grotendeels geradeerd), 11). Herman Loen, 12). Sweet Kather (doorgeschrapt), 13). Berent Koenerdes.
Vergelijken wij hiermee de namen van de leden, die vóór 1500 gestorven zijn, dan worden op fol. 23 (verso) als leken leden genoemd, van de laatstgestorvene af, Heyman van Dulck, Sweer Kater, Alard Clant, Mr. Johan Wichering, Gheert Lewe, Johan Renghers Scaeffer, Herman Hopper, Henric Baroldes, Wigbolt Lewe, Otto ter Brugghen en. Het is duidelijk dat deze namen, met uitzondering van de vier laatsten en Allart Clant overeenstemmen met nrs. 10, 12, 2, 7 en 9 van de eerstgenoemde lijst, de niet-doorgeschrapte namen van deze lijst, nr. 4, 11 en 13, blijken ± 1500 nog in leven geweest te zijn. De vier geradeerde namen kunnen derhalve niet anders geweest zijn dan die van de vier overige gestorven leden, en wel nr. 3: Wigbolt Lewe (vgl. de niet-geradeerde voorletter W); nr. 5 en 6: Otto ter Bruggen en Henric Baroldes, nr. 8: Alard Clant *  .
Ook als men vermoedt, dat een aantal namen geradeerd is en nieuwe namen hierover heen geschreven zijn - waarvoor echter geen aanwijzingen bestaan - blijft het feit dat de naam Otto ter Bruggen en de nadere laatst gestorvenen op de lijst moeten zijn voorgekomen, en moet de terminus ante-quem gehandhaafd worden.
Als terminus ante-quem mag men hiermee beschouwen het doodsjaar van deze personen, waarvan dat van Otto ter Bruggen met zekerheid in 1463 (vóór november 28) - het Reg. Feith nr. 8 vermeldt op die datum het testament van Otto's weduwe Bele - te stellen is. - Opmerkelijk is, dat de naam Otto ter Bruggen de eerste is, die niet door de samensteller van het boekje in de dodenlijst met rode beginletters gemarkeerd is.
Betreffende de vrouwennamen, die in het Regest voorkomen, kan een onderzoek als ten aanzien van de mannennamen gedaan is, niet ingesteld worden; de namen zijn gedeeltelijk door huwelijk zo veranderd, dat geen betrouwbare vergelijking tussen de lijst van gestorven leden, en van de openomen leden mogelijk zou zijn.
Op de naamlijst van de priesterleden zijn vermeld, fol. 12:
1). Mgr. Johannes van Emeden Kerkheer (doorgeschrapt).
2). M. ………. J. ……………….. (geradeerd).
3). Mgr. Herman Elderwold kercher ……………….. (doorgeschrapt).
4). Mgr. Gher van Essen ……………….. (doorgeschrapt).
5). H(er Herman Schyrenbeke) ……………….. (geradeerd).
6). Maj. Johannes ten Holte ……………….. (doorgeschrapt).
7). H(er Jacob Henriks ……………….. (geradeerd).
Opmerking verdient hier in de eerste plaats, dat achter de zesde naam niet vermeld is kerkheer; in 1464 toch is Johannes ten Holte als zodanig reeds naast mr. Joh. van Emeden opgetreden. Als bevestiging van onze vorige conclusie, dat het boekje vóór 1463 november, althans vóór 1464 opgesteld moet zijn, mag deze waarneming zeker dienen *  .
Maar tevens wordt het hierdoor waarschijnlijk, dat de tweede plaats door de naam van de tweede toenmalige pastoor van de Martinikerk mr. J. Jacobi ingenomen was, van wie wij uit de dodenlijst weten, dat hij inderdaad lid van de kalenden is geweest.
De enkele lettertekens, die ter plaatse zijn overgebleven, rechtvaardigen het vermoeden nader, dat de naam Mgr. Johan Jacobi kercher, hier gestaan heeft.
Een nauwkeurige inzage van het register van overleden priesters (fol. 19) geeft de indruk, dat zowel de naam Mgr. Joh. Jacobi, als van Her Herman Schyrenbeke na de samenstelling van het register bijgeschreven zijn. De namen, die hieraan voorafgaan, mr. Albert Rotti e.a., mogen beschouwd worden als gelijktijdig te zijn ingeschreven.
Tweeërlei conclusie kunnen hieruit getrokken worden.
1). Dat de priesters Herm. Schyrrenbeke en mgr. Johan Jacobi, wier beide namen evenals die van de andere priesters en lekennamen, welke onmiddellijk ingeschreven waren, met rood gemarkeerd waren, nog leefden, toen het boekje werd aangelegd, maar reeds gestorven waren, vóórdat de schrijver zijn werk volkomen voltooid had. De naam van Otto ter Bruggen, die vermoedelijk reeds spoedig daarop, reeds vóór 1469 oktober gestorven was, werd niet meer met rood gemarkeerd.
2). De levensjaren van de personen, die vóór Herman Schyrenbeke en Joh. Jacobi gestorven zijn, kunnen als termini post quem beschouwd worden. Ten opzichte van Albert Rothy zijn wij in de gelegenheid levensjaren te sporen.
In een akte van 1462 september 23 (Reg. Feith 1462 nr. 5) wordt nl. van een rente van mr. Albert Rottide, kerkheer te Eenrum - de stad, die hier de collatie had, benoemde hiervoor waarschijnlijk priesters uit de stad - gesproken. In overeenstemming hiermee is het, als wij zien, dat het testament van her Ludeken Sertoris, die vóór Albert Rothy stierf - tussen hen beide in stierven nog twee andere priesters - in 1462 (november) uitgevoerd werd, en deze vermoedelijk niet zeer lang te voren gestorven was.
Vatten wij de conclusie samen, dan mag aangenomen worden, dat als terminus ante-quem het doodsjaar van Otto ter Bruggen gesteld moet worden - hetwelk tussen 1462 juni 11 en 1463 november 28 lag - als terminus post quem de datum, waarop mr. Albert Rottijde nog in leven was, als zeker nog 23 september 1462 mag gelden. Met het oog op het feit, dat de naam Otto ter Bruggen niet als de namen van de priesters, die tijdens het schrijven van het boek stierven, met rood gemarkeerd werd en zijn vrouw reeds enige tijd weduwe geweest kan zijn *  , mag de tijd van samenstelling eerder naar 1462 september, dan naar 1463 oktober liggen, en tegen het eind van 1462 of begin van 1463 denken.
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de broederschap der kalenden te Groningen
Bewerker:
P.A. Meilink
Laatste Publicatie:
1911
Behoort tot collectie:
Gemeente Groningen
Omvang:
0,02 m standaardarchiefberging
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS