Uw zoekacties: Stadsarchieven: de grafelijke tijd, 1200 - 1572
x1 Stadsarchieven: de grafelijke tijd, 1200 - 1572 ( Regionaal Archief Dordrecht )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1 Stadsarchieven: de grafelijke tijd, 1200 - 1572 ( Regionaal Archief Dordrecht )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Nadere toegangen
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Inleiding
Over de oudste geschiedenis van Dordrecht na haar stichting omstreeks 1015 is weinig bekend. Alleen uit enkele niet Dordtse kronieken en charters komt men te weten dat de stad werkelijk bestaat. Geen enkel origineel stuk uit de periode 1015 - 1200 is bewaard gebleven en aan de echtheid van een akte van 5 mei 1064 wordt getwijfeld.
Het eerste privilege verkreeg Dordrecht waarschijnlijk in juli 1220. Fragmenten van deze akte werden door P. van den Brandeler ontdekt. Dit voorrecht had tot gevolg dat vanaf 1230 de aarden wallen en houten staketsels door een stenen muur werden vervangen. Het bestuur was al voor 1200 in handen van enige schepenen. Kort na 1220 wordt tevens melding gemaakt van de schout of rechter met zijn raadsmannen. Wanneer de rechtspraak in Dordrecht exact door de graaf van Holland werd geregeld, is in het duister gehuld. Vanaf 1200 werden er echter personen aangewezen die met het bestuur van de stad waren belast. Van een burgerlijk bewind was toen evenwel nog geen sprake.
Pas na 1280, toen Dordrecht een groot aantal privileges kreeg, komt men meer over de geschiedenis van de stad te weten. De sinds 1200 bestaande leenroerigheid aan Brabant werd in 1283 opgeheven, waardoor er zich een soort administratief bewind naast het rechterlijke kon ontwikkelen. Waar het oudste bestuur zijn zetel had, is onbekend. Waarschijnlijk kwam men in het Minderbroedersklooster bijeen, zoals in 1252 in een akte vermeld wordt, en in het Gasthuis, zoals uit de oudste stadsrekeningen blijkt. Na 1280, toen de stad rijker werd aan stenen gebouwen, kwamen de schepenen en raad nu eens in het huis 'Brandenburg' dan weer in het huis 'Henegouwen' bijeen. De rekening over het jaar 1284 - 1285 geeft hierover meer informatie.
Waar de archieven toen bewaard werden, is niet bekend. Toen Floris V echter op 12 september 1284 aan Dordrecht het voorrecht schonk een nieuwe hal te bouwen die beneden als vleeshal en boven als schepenkamer moest worden ingericht, werden naar dit gebouw gelegen aan de oude Tolbrug zeer zeker ook de charters en andere archiefbescheiden overgebracht. J. Smits en G.D.J. Schotel beweren dat de stukken daar in een ijzeren kist bewaard werden. Tussen 1330 en 1340 werd de Toltoren door brand geteisterd en de toen aanwezige archiefbescheiden leden grote schade. Wanneer de grote brand gewoed heeft, is niet exact te bepalen. In een brief van Willem III van 3 augustus 1332 wordt wel over een brand gesproken, maar deze kan niet de verwoester van de archieven geweest zijn, aangezien een akte van 10 november 1333 de sporen van vuur draagt.
In juli 1338 brandde het Heilig sacramentsgasthuis en de directe omgeving af. Dat die brand van grote omvang geweest moet zijn, is zeker. De herinnering aan die ramp bleef eeuwenlang voortleven in de jaarlijkse omgang ter ere van de wonderbaarlijke redding van het sacrament uit de Gasthuiskerk. Wat er werkelijk verbrand is, is niet te achterhalen. Alleen uit de vernieuwing van enige voorrechten door Willem IV in februari 1339 en de schadevergoeding aan de Lombarden kan worden bewezen dat de brand kort te voren moet hebben plaatsgevonden. Zeker is dat naast het Gasthuis ook het Lombardenhuis afbrandde. Uit het feit dat veel archiefbescheiden verbrand of beschadigd zijn, kan men opmaken dat toen ook de Toltoren duchtig geleden heeft, tenzij aangenomen wordt dat in het Gasthuis de archieven bewaard werden. Hoe het ook zij de meeste charters van voor 1338 tonen door ineenkrimping en verschroeiïng door het smelten van de zegels de geweldige invloed van het vuur.
Hoewel er na de wederopbouw van de Toltoren zeker naar een veiligere bewaarplaats voor de oudste en meest waardevolle stukken werd gezocht, wordt er pas hierover in 1404 een melding gemaakt deze ontfingen op Sinte Lucienavont de slotelen ter hantvesten: Jan Maleghijs van de nederste cluuster, Goitschalk heren Gillisz van de scrinii van de eerste sloten ter straten, Pieter Scaert die nederste van der dore, Wormbout die opperste ter dore, Aernd van Ghiessen te middelste cluuster, Jan van Naerssen van de andere slote van de scrinii, Robbert van Drongelen ten opperste cluuster, Thomas van de scrinii ter haven waert, Reijnout ten scrinii ter straten. Uit deze vermelding is op te maken dat de bewaarplaats van veel sloten voorzien was, maar of toen al de eikenhouten loketkast, die nu in het Museum Mr Simon van Gijn te bezichtigen is, werd gebruikt, is niet bekend. In de loop van de vijftiende eeuw werden de sleutels van de kast eerst aan de zes, later aan de twaalf sleutelgilden toevertrouwd en kon men de charters alleen met de medewerking van alle gilden raadplegen. Dit was echter minder nodig, aangezien men vanaf de vijftiende eeuw was begonnen met het aanleggen van keur- en handvestboeken.
In de eerste helft van de zestiende eeuw werd het oude stadhuis aan de Tolbrug afgedankt. Als zetel van het stedelijk bestuur werd toen de in 1383 gebouwde Vlaamse hal ingericht. Er werd onder andere ook een bewaarplaats voor de oude documenten gebouwd. Echter alleen de oudste werden er opgeborgen. De rest werd in allerlei kasten in de verschillende ruimten, zoals de burgemeesters- en weeskamer opgeslagen. In de thesauriersrekening over het jaar 1544 bevinden zich posten die op het overbrengen van de loketkast naar het nieuwe stadhuis betrekking hebben. De bewaarplaats in het nieuwe stadhuis wordt aangeduid als zijnde van ouds in het comptoir der thesaurie, nu burgemeesterskamer. De naam van ijzeren kist is ontleend aan de ijzeren getraliede deur, waarmee een opening in de muur langs de havenzijde was afgesloten. In deze opening of tussenruimte stond een houten kast, voorzien van verschillende laden.
In het procesverbaal van de opening van de kast op 19 april en 20 september 1770 wordt de toestand als volgt beschreven: Waarop, door den heer praesident burgemeester order gegeven zijnde, dat de raam met goudleer, voor de gemelde ijsere kas staande geamoveert zoude worden, bevonden is, dat de ijsere raam van roosterwerk voorzien was met een zwaare regt opgaande yzeren bout of beugel, en voorts nog met drie zwaare yzeren dwarsbeugels, aan welke vier beugels vier slooten waren hangende, en wijders bevonden zijnde, dat de gemelde yzeren kas schoot agter de houten kas, welke in de breedte van burgemeesterskamer, aan de regterzijde van de deur gevonden wordt, zoodat deselve yzeren raam niet geopend konde worden, tenzy de voorsz. houten kas of een gedeelte van dien weggebroken wiert.
Bij de eigenlijke opening op 13 april 1770 kwam het volgende aan het licht: nadat door Mels van der Schep eerst geopend waren de vier slooten, welke zig aan de vier beugels van de meergemelde yzeren raam bevonden, waardoor deselve geopent konde worden: daarna heeft hij geopent de twee slooten, waarmede de ijzeren deur, die zich agter de voorsz. yzeren raam bevond, gesloten was, dezelve geopent zijnde, heeft zig vertoont een houten kist, hoog ontrent vier voeten, lang insgelijk ontrent vier voeten en diep ontrent 1¿ voeten, staande op zigzelve, op vier pooten, op een roosterwerk van zwaar ijzer, ontrent van dezelve figuur als de ijzeren raam, welke voor de ijzeren deur gezien werd en welk ijzer roosterwerk, zoowel van boven als van agteren, en van beide de zijden van de muuren, waarin de voorsz. houte kist stond, gevonden wierd. Zijnde de gemelde houte kist voorzien van zes slooten, welke mede door den gemelden boekhouder Van der Schep geopent sijn geworden; zulks geschied zijnde, is de voorsz. houten kist uit de gemelde ysere kas gehaalt en in het midden van de burgemeesterskamer gezet, gelijk ook uit de voorsz. ysere kas genomen zyn de laaden, doozen en kistje, welke daarin behalve de voorsz. houte kist, gevonden zyn.
De meergemelde houte kist geopent zynde, zijn daarin bevonden twee en twintig houte laaden of schuifdoozen en twee ledige loquetten, van welke twee en twintig laaden er agtien gequoteert zyn met de letters A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L, M, N, O, P, Q, R en S en de overige zes zonder letters en zonder papieren. Deze beschrijving geeft een goede weergave van de inrichting van de ijzeren kist, die voorzover bekend, slechts enkele malen is geopend, namelijk in 1515 voor het maken van kopieën van enige handvesten voor een proces inzake het gezag van de stad in Zuid-Holland, in 1649 om de gilden te kalmeren, die beweerden dat de meeste handvesten verdwenen waren en in 1770 voor P.H. van de Wall om kopieën te maken voor zijn standaardwerk.
Tussen 1700 en 1708 schijnt er in het stadhuis een binnenbrand te hebben gewoed, aangezien een groot aantal registers aan de randen de sporen van vuur en water vertonen. Na de verbouwing van het stadhuis in 1810 kwam de oude wijze van bewaren van de snel uitbreidende archieven in de problemen. In 1812 werden de archieven van het Gerecht en de protocollen van de notarissen overgebracht naar het Tribunaal. Dit gebeurde echter zo oppervlakkig dat van een zuivere scheiding geen sprake was en er veel rechterlijke archiefstukken in het stadsarchief achter bleven. Het was een hele verbetering en opruiming geweest, maar de oude kasten en hokken op het stadhuis bleken absoluut ongeschikt om de archiefstukken en boeken behoorlijk te beschermen tegen mot en vocht, terwijl ook ratten en muizen er ongestoord hun gang konden gaan. Wanneer een kast vol raakte, werd het te veel op één van de zolders gelegd. Van enig toezicht was geen sprake, waardoor veel op onnaspeurlijke wijze kon verdwijnen.
Pas 1827 kwam er in de toestand van het archief enige verbetering. Naar aanleiding van een brief van de regering werd de gemeentesecretaris S.H. Lotsij opgedragen het archief te ordenen en er een inventaris op te maken. Dit omslachtige karwei werd door hem in drie maanden geklaard. Toen bestond er eindelijk iets dat op een inventaris van het gehele archief leek, maar de beperkte ruimte die voor de berging beschikbaar was, maakte een behoorlijke indeling onmogelijk. Die bergplaatsen waren de ijzeren kist, de weeskamer, een kast in de bodenkamer, een kast in de burgemeesterskamer, een achterkamer, de oude secretarie, een vertrek in het kantoor van de stadsontvanger en verschillende kasten en zolders in het stadhuis.
De volgende secretaris, P. van den Brandeler, heeft het archief voor het eerst in wetenschappelijke zin bewerkt en kon door meer beschikbare ruimte een behoorlijke indeling tot stand brengen. Hij kreeg een viertal aaneengesloten vertrekken op de eerste verdieping voor de berging van de door het gehele stadhuis verspreid liggende archiefstukken. In 1884 werd de zorg en het beheer van de archieven opgedragen aan een stadsarchivaris, A. van de Weg, die in 1890 werd opgevolgd door J.C. Overvoorde. Van de Weg maakte een inventaris op het archief van het Heilige geest- en pesthuis ter Nieuwkerk. Onder leiding van Overvoorde werden de archieven naar een doelmatig ingericht gebouw aan het Grotekerksplein overgebracht en brak de tijd van een nieuwe bewerking aan.
Sinds het moment dat Van den Brandeler zijn inventaris afgerond had, is het oudste gedeelte van het stadsarchief in omvang toegenomen. Door het terugvinden van verdwaalde stukken, schenkingen van particulieren en aankoop op veilingen werden diverse leemten aangevuld. Een vergelijking van de oude inventaris met deze toont dit onmiddellijk aan. Maar ook de indeling is anders. Aangezien de oude loketkast bij de overbrenging van het archief naar het nieuwe gebouw buiten gebruik is gesteld, is het onderscheid tussen de ijzeren kist en weeskamer opgegeven. Bovendien was deze scheiding zeer toevallig. Op de herkomst of het belang werd bij de ordening van de stukken niet gelet. Verbrande en verschroeide akten van borgtocht en kwitanties bevonden zich in
Aan inventarissen op het stadsarchief is nooit een gebrek geweest. Dat men overtuigd was van de belangrijkheid van de bescheiden blijkt wel uit het feit dat sinds 1649 er vele lijsten van allerlei aard en waarde zijn aangelegd. Door de opening van de ijzeren kist in 1649 op aandrang van de gilden ontstond er de gelegenheid een inventaris van de inhoud van de kist te maken, die door J. van Oudenhoven in zijn Oudt-Hollandt nu Zuydt-Hollandt. werd afgedrukt. In de achttiende eeuw werden hele of gedeeltelijke inventarissen gemaakt door J. van Vechoven en P.H. van de Wall, in de negen- tiende eeuw door S.H. Lotsij, J. Smits en G.D.J. Schotel. Niettegenstaande het vele werk dat in deze inventarissen is gestopt, laten zij veel te wensen over, doordat de beschrijvingen zeer globaal zijn. Een verbetering werd daarin aangebracht door P. van den Brandeler. In 1862 verscheen het eerste deel van zijn inventaris betreffende de ijzeren kist. Hiermee was de eerste stap gezet op de weg van een wetenschappelijke inventarisatie. Doch de grote uitgebreidheid van de verzamelingen dwong Van den Brandeler om de stukken samen te vatten, waardoor de eigenlijke inhoud verborgen bleef.
Bij de samenstelling van deze inventaris was onder andere een punt van overweging waar de grafelijke tijd moest worden beëindigd. De afzwering van Filips II in 1581 leek op het eerste gezicht wel het juiste moment van afsluiting. Tot dat jaar vindt men namelijk tal van stukken die uit zijn naam zijn uitgegeven, zoals bijvoorbeeld een akte waarbij toestemming wordt verleend om lijfrenten te verkopen, een keur waarbij verboden wordt bier of wijn te tappen binnen de halve mijl van de stad en de afrekening van de tol van Gorinchem. De afzwering van Filips bracht echter in het stadsbestuur geen verandering. Daarentegen was het geusworden van de stad in juni 1572 wel een tijdstip van grote wijzigingen, niet zozeer in het aantal colleges als wel in de gezindheid van de magistratuur. Hoewel er in 1572 ook geen echte afscheiding wordt gevonden, is toch uit een aantal zaken de nieuwe richting te ontdekken. Daarom is besloten om 1572 en niet 1581 als eindjaar van het eerste tijdperk te kiezen.
Een archief moet de inrichting en werking tonen van de instelling die voor het ontstaan heeft zorggedragen. Deze stelling is de grondslag voor het ordenen van archieven. De vraag is dus niet of de chronologische of systematische indeling de voorkeur verdient, maar hoe het besturende lichaam zijn werkzaamheden heeft verricht. Van deze stelling uitgaande komt men voor Dordrecht tot het volgende. Het eerste bewind werd door de graven van Holland zelf gevoerd, waarschijnlijk tot 1200. Uit die periode is echter niets betreffende de stad bewaard gebleven.
Daarna werd door de graven een rechterlijk bewind ingesteld bestaande uit schout, schepenen en raden. De vijf raden vormden tot 1652 met de negen schepenen het Gerecht, waarna de raden werden afgeschaft. Hun functie was geheel van rechterlijke aard en moet niet op één lijn met de Raad in andere steden worden gesteld. Na 1284 begint het administratieve element zich in het stadsbestuur te ontwikkelen door het aanstellen van burgemeesters. Geleidelijk werden zowel het rechterlijk als burgerlijk bewind met nieuwe colleges vermeerderd. Zij grepen als een raderwerk in elkaar, totdat in de zestiende eeuw het Dordtse bestuur ongeveer de vorm kreeg, die met kleine wijzigingen tot 1795 stand hield.
De instellingen die in Dordrecht bestaan hebben, waren de schout, schepenen en raden, (circa 1200); burgemeesters (1284); Twaalven en Achten (1386); Veertigen (1456) en Oudraad (1467). Verder waren er thesauriers, voortgekomen uit de burgemeesters, rekenmeesters, de secretaris en pensionaris, alsmede een aantal tijdelijke commissies. Dit overzicht vormt de basis voor de indeling van het stadsarchief. Van het middeleeuwse archief van het Gerecht is bijna niets bewaard gebleven en het in 1544 beginnende latere archief is apart geïnventariseerd (archiefnummer 9). Een archief van de burgemeesters is niet echt aan te wijzen. In het begin waren zij slechts met het financieel beheer van de stad belast. Later werd dit beheer van hun overige werkzaamheden afgescheiden en aan de thesauriers opgedragen. Bovendien vormden de burgemeesters met de schout, schepenen en raden soms één college, dat men niet moet verwarren met de Oudraad, dat akten betreffende burgerlijke en rechterlijke zaken afgaf. Van dit archief zijn dus slechts enkele fragmenten over die vanwege hun gemengde aard in het archief van het Gerecht zijn opgenomen.
Van het archief van de Achten en Veertigen uit de grafelijke tijd is slechts een enkel stuk bewaard gebleven, de Oudraad bewaarde haar archieven pas vanaf 1622. De secretaris was zowel in dienst van de burgemeesters als van de schout, schepenen en raden. De pensionaris beheerde een verzameling van de meest uiteenlopende bescheiden, zoals processtukken, brieven, keuren en keurboeken. Van deze collectie is een vrij aanzienlijk deel bewaard gebleven. De speciale commissies, zoals de Vijven, Vieren en rekenmeesters hebben helemaal geen archief nagelaten.
In het archief zijn voorts 34 keur- en handvestboeken opgenomen, hoewel niet van één kan worden bewezen dat het tot het archief van het middeleeuwse bestuur behoord heeft. Vanwege hun belang zijn deze delen toch afzonderlijk achteraan in deze inventaris opgenomen en is de inhoud volledig beschreven. Daarnaast zijn alle stukken verwijderd die van de instellingen naar andere personen of colleges zijn uitgegaan en in het origineel aanwezig zijn. Het was volstrekt duidelijk dat die stukken geen deel van het archief konden uitmaken. Hieronder vielen onder andere originele brieven van het stadsbestuur en akten van het Gerecht.
De minuten van de uitgegane brieven zijn wel opgenomen, maar de omvang is zeer gering. Deze stukken zijn in het hoofdstuk Diversen achter de eigenlijke inventaris geplaatst. De restanten van de kerk- en kloosterarchieven zijn in een afzonderlijke inventaris beschreven (archiefnummer 26). Ook de vele 17e eeuwse afschriften zijn niet opgenomen. Dit geldt echter niet voor degene die voor 1572 zijn vervaardigd. Soms kon het doel waarvoor ze waren vervaardigd, worden achterhaald, waardoor ze weer aan die rubriek konden worden toegevoegd. Wanneer het doel niet duidelijk was, dan zijn de afschriften bij het origineel geplaatst of dienen ze om het verloren gegane origineel te vervangen.
De regesten, die in een afzonderlijk deel zijn opgenomen, zijn naar de voorschriften van de Handleiding. bewerkt en omvatten zoveel mogelijk alle stukken van enig belang, ongeacht of zij tot de eigenlijke inventaris of tot de Diversen behoren. Bij het bewerken van de regesten deed zich meermalen de moeilijkheid van de chronologie voor. Voor de akten uitgegeven door graven vanaf Floris V is uitgegaan van de Paasstijl, aangezien uit het onderzoek van H. Obreen blijkt dat die jaarstijl bij Floris V regel was. Voor de akten uitgegeven door de schepenen is ook voor de Paasstijl gekozen, omdat een stad als Dordrecht, die een nauwe band met de graaf bezat, zeker ook zijn gebruiken zal hebben overgenomen, de oudste stadsrekeningen beginnen op Sint-Servaasdag, in het begin van de vijftiende eeuw van de Paasstijl wordt gesproken als van een oude gewoonte en omdat bovendien voor een aantal stukken uit de dertiende eeuw de Paasstijl bewezen kan worden. Voor de akten uitgegeven door de heren van Voorne is de nieuwjaarsdagstijl gevolgd, voor de vidimussen uitgegeven door de geestelijken van Dordtse kloosters is uitgegaan van de Kerststijl, omdat dezen zich wel zullen hebben gehouden aan het synodaal besluit van 1310.
Inventaris
1. Oudraad
2. Thesaurie
3. Twaalven en Achten
4. Pensionaris
5. Gedeputeerden ter dagvaart
6. Diversen
7. Keuren en handvesten
Kenmerken
Datering:
1200 - 1610
Titel inventaris:
Stadsarchieven: de grafelijke tijd, 1200 - 1572
Auteur:
J.L. van Dalen (1909); bewerkt door R.A. Autar, M.H. Benschop, T.J. de Bruijn en M. Kooreman (2014).
Omvang:
10,88 meter
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS