Uw zoekacties: Artilleriemeesters
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Reeds in de 15e eeuw waren 2 leden van het stedelijk bestuur aangewezen, aan wie de zorg voor het verdedigingstuig en het aanmaken van het benoodigde kruit was opgedragen. De betreffende werkzaamheden haddenplaats in het bussenhuis of arsenaal en beide raadsleden stonden dan ook aanvankelijk in de administratie bekend als "de bewaarders van het bussenhuis". Eerst in de 1ste helft der 16e eeuw worden zij artilleriemeesters genoemd. Werd oorspronkelijk jaarlijks op St Petersoctaaf 1 schepen door de schepenen en 1 raad door de raden als artilleriemeester (bewaarder van het bussenhuis) aangewezen, sedert de vermindering van het aantal raden in 1592 kwam in de wijze van verkiezing van dezen functionaris dezelfde verandering als die van de straat- en wegenmeesters na dat jaar: sinds kozen namelijk de schepenen telken jare een artillerie meester uit de 8 oudsten hunner en wezen de raden als zoodanig of een raad of een der 4 jongste schepenen aan. Met dezen in het stadrecht van 1642 vastgelegden regel is de keur zelf van 1668 af in overeenstemming gebracht en sedert werd dus evenals dit met de straat- en wegenmeesters het geval was, door de8 oudste schepenen met de 4 raden anderzijds een der beide artilleriemeesters gekozen. Ontving de oudste hunner, die jaarlijksche rekening en verantwoording aflegde, een salaris van 2 st per dag, van 1701 af omgezet in een vast bedrag van 30 gld 's jaars, beiden hadden van ouds het genot van de opbrengst van het gras op de stadswallen. Bij resolutie van Schepenen en Raad van 29 mei 1676 werd hun in plaats hiervan een jaarlijksche toelage van 60 gld verleend "ter tijdt toe sij hetselve gras wederom aen haer koomen te trecken". En blijkens de rekeningen hebben zij dit in 1702 weder gedaan.
De artilleriemeesters bestreden hunne uitgaven uit de gelden, die zij van den cameraar ontvingen, zoo noodig vermeerderd met bijdragen uit de Achtenkamer of van andere stadsrendanten. Gedurende de 18e eeuw werden geen ontvangsten geboekt, uitgenomen een enkele maal de opbrengst van verkochte boomen op de stadswallen, en kregen zij de door hen voorgeschoten gelden uit het cameraarschap terugbetaald.
De rekeningen van den artilleriemeester, welke evenals die der andere stadsrendanten oorspronkelijk aanvingen met de 1sten Maart, liepen van 1700 af van 1 Mei tot ultimo April *  . Zij werden in den beginne afgehoord door het college van Schepenen en Raad en sedert den aanvang der 17e eeuwdoor de inmiddels opgerichte Rekenkamer. In de vergadering van 30 augustus 1597 werden plannen beraamd tot instelling van een rekenkamer, die de rekeningen der stadsrendanten vooraf meer nauwkeurig zoude kunnen nagaan. Immers het lezen in pleno senatu leverde feitelijk geen genoegzame controle op. Het heeft echter nog enkele jaren geduurd alvorens de instelling van een rekenkamer definitief haar beslag kreeg. Voor het eerst geschiedde controle door de Rekenkamer in 1606 met de rekening van Adolph Donckel over 1596.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1490-1794
Omvang:
0,75 m
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Opmerkingen:
Leden uit stadsbestuur, belast met de zorg voor de wapens ter verdediging van de stad
Zie ook ID 690 en 691
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 1402, Artilleriemeesters, inv.nr. ....
Citeertitel kort:
NL-DvSA, ID 1402, inv.nr. ....
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS