Uw zoekacties: Ambtman van Colmschate
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Als compensatie voor huisvesting en levensonderhoud van Spaanse huurlingen in 1568-1572 en als borg voor een lening van 40000 pond droeg Philips II in 1576 tal van landerijen vooral behorend tot de Hof van Colmschate en het beheer van de Markelse Schipbeek. *  aan Deventer over. Dit betekende dat voor deze goederen en beek de landsheer zijn feodale rechten afstond aan de regering van Deventer. Een aantal gevolgen hiervan voor de rechtspleging en bestuur van Colmschate worden hierna toegelicht.
Het dagelijks gezag op het platteland werd uitgeoefend door een en dezelfde persoon in diens
kwaliteit van schout (rechter in civiele en lichte strafzaken) en van richter (bestuur). Benoemd
werd deze functionaris door de landsheer. Had de landsheer-leenheer veel bij elkaar gelegen bezit dan kon hij ter handhaving van zijn rechten een ambtenaar benoemen, in dit geval de kastelein, bekleed met rechterlijke en bestuurlijke bevoegdheden, alsmede belast met toezicht op het landerijenbeheer. Van de omvang van dit bezit bij Deventer geeft de schatting van 1520. *  een goed beeld. Alleen al binnen Colmschate had de bisschop feodale zeggenschap over 101 erven en landerijen, op een totaal van 169 in Zuid Salland. Deze erven - hoewel
geen eigendom - waren feitelijk in bezit van geestelijke instellingen en particulieren, ofwel van leenmannen. De laatsten betaalden een vast jaarlijks bedrag voor hun leenroerige erven aan de leenheer (''des lantsheren deel''). Op hun beurt verpachtten de leenmannen hun erven, waarbij in veel gevallen de pacht in natura (''op die garve'') voldaan werd, na aftrek van tienden.
Alle overige erven, in volle of allodiale eigendom van anderen, werden ook in het schattingsregister opgetekend, met vermelding van pacht of pachtwaarde. Na de overdracht in 1576 van feodale zeggenschap over landsheerlijk bezit, kozen schepenen en raad voor rechtspraak, bestuur en goederenbeheer in Colmschate elk jaar op het oktaaf van St. Peter uit hun midden een ambtman. In een instructie . *  werden de bevoegdheden van zowel de ambtman als die van de Colmschater schout vastgelegd. Zo fungeerde de ambtman van Colmschate als leenheer, in wiens handen de leenman de eed van trouw a?egde (hulde deed).
Op zittingen ter behandeling van leenroerige aangelegenheden werd de ambtman bijgestaan door twee hofgenoten met enige juridische kennis (dikwijls roedendragers, een enkele maal stadssecretarissen). Leenmannen konden alleen uit de leen ontslagen worden door tussenkomst van de ambtman. Ook was de tussenkomst van de ambtman nodig om afgesplitste stukken van leenroerig goed weer in de oorspronkelijke leen terug te brengen.
De hoge rechtspraak kwam in handen van Deventer, terwijl de ambtman hoofd van civiele en lage strafzaken in Colmschate werd. Voor de rechtspleging bij zware vergrijpen, tot 1576 in handen van de drost van Salland, betekende dit goeddeels toepassing van de Deventer rechtsgang. De arrestatie van de verdachte gebeurde door ambtman en/of schout, het verhoor door de burgemeesters ''inder tijt en van de weddermaent'' in aanwezigheid van ambtman en/of schout, waarna schepenen en raad uitspraak deden. Opgelegde boetes gingen naar de ambtman. Behelsde de uitspraak executie (doodstraf) dan moest de uitspraak in de Hof van Colmschate (zetel van de ambtman aan de Kleine Poot) door de ambtman en de eerder genoemde burgemeesters bevestigd worden. Op de ''stienstrate bij den slachboem opten Colmenschaterdijk'' werd de veroordeelde overgenomen door Colmschater huysluyden (na afkondiging van een bevel door de schout).
Nieuw was verder dat Deventer de verpachting van de dijkbelasting overnam, op de inning waarvan de ambtman toezicht hield. De laatste was ook verantwoordelijk voor reparaties aan de Colmschaterdijk. Bij de instructie van 1576 werden bepaalde inkomsten expliciet aan schout of ambtman toegewezen. Zo was de schout ‘pander’ (ontvanger) van de inkomsten en ontvangsten van de Hof van Colmschate en werd daarvoor beloond zoals de ‘pander’ van de rentmeester van Salland. De ambtman genoot ''dat recht oft die pro?jten van die versegeling der transporten van hoffhorige gueden ader renthen dair versath''. Aan het eind van zijn ambtsperiode legde de ambtman van zijn inkomsten en uitgaven aan schepenen en raad rekening af.

H. Rechterschot
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1564-1803
Omvang:
1 m
Archiefvormers:
Ambtman van Colmschate
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Opmerkingen:
Zie ook ID 857, ID 727, ID 690, inv. nrs. 146-1 en 190
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 0856, Ambtman van Colmschate, inv.nr. ....
Citeertitel kort:
NL-DvSA, ID 0856, inv.nr. ....
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS