Uw zoekacties: Deventer muziekschool
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
In maart 1849 werd in Deventer op particulier initiatief een muziekschool opgericht, aanvankelijk bestemd voor kosteloos zangonderwijs aan onvermogende jongelieden. De benodigde gelden werden verkregen uit vrijwillige bijdragen van ingezetenen, terwijl het stadsbestuur gratis een schoollokaal beschikbaar stelde en bovendien een jaarlijkse subsidie van f 50. verleende. Deze subsidie werd in 1871 verhoogd tot f 200.
Het bestuur berustte bij 5 commissarissen, aanvankelijk opgevolgd door de contribuerende ingezetenen. De commissaris-thesaurier deed jaarlijks rekening en verantwoording aan zijn mede-commissarissen. De eerste commissarissen waren A.G.Besier, A.J.Houck, L.Hulscher, W. Schimmelpenninck en C. van Arcken.
In 1875 werd in de raad van Deventer de wenselijkheid uitgesproken, een stedelijk muziekkorps op te richten. Hiertoe achtte men nodig onderwijs in de instrumentale muziek. Uit de leermeesters en de leerlingen zou langzamerhand een dergelijk korps gevormd worden, desnoods versterkt met enige gesalarieerde muzikanten. Voor dit plan kon men twee wegen inslaan: 1. oprichting van een stedelijke muziekschool, waaraan onderwijs zou worden gegeven in strijk- en blaasinstrumenten; 2. aan het bestuur der bestaande muziekschool, waar tot zover alleen zangonderwijs werd gegeven, het verzoek te richten of en onder welke voorwaarden men genegen was aan de school les in muziekinstrumenten te geven. Tegen het eerste plan had de raad principiële bezwaren, en het tweede plan leed schipbreuk omdat het gemeentebestuur meende de financiële voorwaarden van de commissarissen niet te moeten aanvaarden.
Men trachtte dus een middenweg in te slaan. De raad besloot op 31 januari 1876 bij wijze van proef voor ten hoogste 3 jaar een muziekonderwijzer op een jaarwedde van f 1500 aan te stellen, met als opdracht fungeren als kapelmeester van het muziekkorps en het geven van kosteloos muziekonderwijs. Naar aanleiding van dit raadsbesluit verzocht het dagelijks bestuur de commissarissen zich te belasten met het toezicht op het muziekonderwijs van de te benoemen gemeente-leraar. De commissarissen gaven te kennen aan dit verzoek te willen voldoen mits een lid van het dagelijks bestuur als commissaris van de muziekschool zou optreden. Hiermee ging men accoord Aan de muziekschool , waaraan kosteloos en inmiddels ook tegen betaling zangonderwijs werd gegeven, werd dus sedert 1876 onder toezicht van het bestuur , waaronder een wethouder, les gegeven in strijk- en blaasinstrumenten aan niet betalende leerlingen. Dit achtten de commissarissen echter een onbevredigende toestand, waaraan zij spoedig een eind wilde maken. Hoewel de raad hiertoe niet wilde overgaan, besloot hij toch in de vergadering van 24-6-1878 aan de muziekschool een jaarlijkse subsidie van f 1700 te verstrekken (zijnde de reeds bestaande subsidie van f 200 plus de bezoldiging van de leraar ad f 1500) onder voorwaarde dat: 1. rekening en verantwoording benevens begroting aan de raad ter goedkeuring zouden worden voorgelegd; 2. het bestuur der school zou bestaan uit een commissie van 5 leden, waarvan een uit het college van B&W, en de overige vier door de raad uit een voordracht van het bestuur der school benoemd; 3. er een leraar voor zang en minstens twee voor instrumentaal onderwijs zouden worden benoemd; 4. er aan minstens 20 leerlingen kosteloos instrumentaal onderwijs zou worden gegeven en dat er gelegenheid zou zijn voor kosteloos zangonderwijs voor minvermogenden.
De commissarissen namen deze subsidie met de voorwaarden aan. De school bleef dus een particuliere instelling, waarvan het beheer onder toezicht van de raad stond.
In 1881 werd door het bestuur de wenselijkheid van klassikaal piano-onderwijs overwogen. Bij de raad werden hiertoe voorstellen ingediend, die echter in de vergadering van 10-10-1881 werden verworpen. Naar aanleiding hiervan sprak de raad als zijn mening uit, dat aan de school wel pianoles mocht worden gegeven, maar dat hieraan geen gemeentelijke subsidie mocht worden besteed.
In 1882 vroeg het bestuur wegens onenigheden ontslag. Daar geen enkel lid van het dagelijks bestuur meer zitting wenste te nemen behoefde de bovenvermelde regeling van 1878 een wijziging. Op voorstel van B&W benoemde de raad 5 nieuwe commissarissen en verzocht deze op 1 juni 1882 de taken van de vorige commissarissen over te nemen. De nieuwe commissie gaf bij missive van 16 mei 1882 aan de raad te kennen, dat zij een subsidie van f 1500 wenste welk bedrag in geen geval gebruikt zou worden ten behoeve van het piano-onderwijs, maar uitsluitend voor les in zang, blaas- en strijkinstrumenten aan onvermogende leerlingen.
Op de nieuwe voorwaarden werd de subsidie gegeven, terwijl de gemeente weer voor gratis leslokalen zorgde.
Bovendien kwam in het bestuur een verandering: drie leden werden door de gemeenteraad benoemd en twee door de commissie. Rekening en verantwoording, alsmede de begroting, moesten weer ter goedkeuring aan de raad worden voorgelegd. Bij de aanbieding van de rekening over 1882, liet de cie weten dat de ontvangsten van de pianoklassen niet waren opgevoerd, daar pianolessen buiten de subsidievoorwaarden vielen.
Hierna brak voor de muziekschool een periode van rust aan. Ieder jaar werden rekening en begroting zonder noemenswaardig commentaar goedgekeurd en de subsidie gecontinueerd. Deze toestand duurde tot 1895, toen ten gevolge van een reeks onenigheden, waarbij ook het muziekkorps "de Deventer Harmonie" betrokken was, het voortbestaan van de muziekschool ernstig werd bedreigd. Door bemiddeling van de burgemeester kwam er op 21 mei 1895 een overeenkomst tot stand tussen de voorzitter van de muziekschool, de voorzitter van de "de Deventer Harmonie" en de dirigent van dit korps, de heer J.H.L. Rijken. Deze overeenkomst van 21 mei 1895 werd voor de muziekschool van groot belang. Bepaald hierbij werd dat:
1. de door de muziekschool opgerichte orkestvereniging werd opgeheven;
2. het bestuur vd muziekschool kollektief aftrad;
3. de muziekschool zou worden bestuurd door een commissie van 7 leden.
Het muziekschoolbestuur werd voor de eerste maal benoemd door B&W; daarna op een nader door het reglement te bepalen wijze (4 door de raad; 3 door muziekschoolcommissie);
4. de heer Rijken aan de muziekschool werd benoemd op nader vast te stellen voorwaarden.
Voor uitvoering van bepaling 3 was goedkeuring van de raad nodig. In de vergadering van 10 juni 1895 besloot de raad:
1. de door B&W benoemde commissarissen op hun verzoek eervol te ontslaan
2. B&W te machtigen een nieuw bestuur te benoemen; procedure daarna 4 leden benoemd door de raad, 3 door de muziekschoolcommissie
I.v.m. bepaling 4 werd de heer Rijken aangesteld op een jaarwedde van 80% van de lesgelden van de pianoklas.
De muziekschool is sinds de oprichting gevestigd geweest in de bovenzaal van de sociëteit De Hereeniging aan de Grote Poot, de voormalige gemeentesecretarie aan Polstraat 1, een lokaal aan het Klooster, de graaf van Burenschool.
In 1917 werd op vier verschillende plaatsen les gegeven. Grote verbetering was de ingebruikname in 1919 van het pand aan de Stromarkt nr. 8 naast de Keizerskroon (thans -anno 2004- Roned).
In 1937 verhuisde de muziekschool naar het gebouw van de voormalige suikercursus van de Koloniale Landbouwschool aan de Veenweg.
Kenmerken
Datering:
1849-1936
Omvang:
0,5 m
Opmerkingen:
Vanaf 1895 een gemeentelijke instelling
Zie ook ID 827
Publicaties:
historisch overzicht in Oud 22, p. 254-259
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 0826, Deventer muziekschool, inv.nr. ....
Citeertitel kort:
NL-DvSA, ID 0826, inv.nr. ....
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS