Uw zoekacties: Sint Elisabethsgasthuis
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Uit een getuigenverklaring van 1520 kunnen wij opmaken, dat het St. Elisabeth-gasthuis te Deventer tegen einde der 15e of in het begin der 16e eeuw is opgericht (Liber Attestatonium 1506-1526 blz. 448). De stichtingsbrief is verloren gegaan. Als vermoedelijke stichter komt in aanmerking een zekere Warner van Diepenheym. Dit blijkt uit een akte van 1568, waarin Henrica, dochter van Henrich Vaegt, die als "wesende in dem bloede van zaligen Warner van Diepenheym tot eine plaitse in Sanct Elizabethen gasthuys berechtiget is", haar plaats aan haar echtgenoot Henrich Haskinck overdraagt (Boek van Memorieën, 8 okt. 1568). Waarschijnlijk heeft dus genoemde Warner, zoals de stichters toen meestal deden, in de oprichtingsakte de voorwaarde gesteld, dat zijn bloedverwanten in het gasthuis een desverkiezende plaats moesten vinden.
De oorspronkelijke bestemming van het gasthuis is uitsluitend de verzorging der armen geweest. Kostkopers mochten niet worden opgenomen. Toch zijn later met het oog op de financiële noodtoestand van het gasthuis meerdere kostkopers of proveniers in het St. Elisabeth-gasthuis opgenomen.
In de tweede helft der 16e eeuw werden er naast proveniers ook krankzinnigen opgenomen. Dit blijkt uit verschillende akten van die tijd. Een ordonnantie van 24 augustus 1573 door schepenen en raad vastgesteld (Boek van Memorieën 1562-1583) vermeldt o.a. dat indien een in het gesticht opgenomen persoon geld of goed heeft gekregen, dit "mit weten, wille en thodoen der provisoren" moet aannemen en dat de provisoren dit moeten doen "in plaetze der krancken offte onnoselen".
In de 17e eeuw (13 dec. 1658) moeten de provisoren op last van het stadsbestuur in hetzelfde gasthuis voorzieningen treffen voor de gedwongen opname van dronkaards en boosdoeners, welke aldaar in "casten ofte kouwen" moesten worden opgesloten (Resolutiën van Schepenen en Raad van 28 okt. 1659). Aan deze wantoestand werd in 1760 een einde gemaakt toen de Raad van Deventer besloot, dat het gasthuis in het vervolg alleen zou dienen "om sodanige menschen die door Gods hand met krankzinnigheid en andere dergelijke droevige toevallen bezocht worden aldaar te verplegen en te alimenteren" (Psychiatrische en Neurologische Bladen, 1898, afl. 5). Sinds deze tijd is het St. Elizabeth-gasthuis uitsluitend krankzinnigengesticht gebleven.
De financiële toestand van het gasthuis was vanaf het begin slecht geweest. Reeds in 1611 moesten Schepenen en Raad toestaan, geregelde collecten in de stad en in de kerken te mogen houden. In 1675 heeft het stadsbestuur de inkomsten van het Hl. Sacramentshuis ter beschikking van het St. Elisabeth-gasthuis gesteld. In het midden der 18e eeuw heeft de Gezworen Gemeente een voorstel van de Raad goedgekeurd om een zeker bedrag uit de overschotten van de Nieuwe Kamer en ook de opbrengst van het opgeheven Oude Mannenhuis aan het St. Elisabeth-gasthuis te geven (1755). Tot het einde der Republiek bleef de financiële toestand echter onbevredigend.
Het bestuur van het St. Elisabeth-gasthuis berustte bij 2 provisoren, die door Schepenen en Raad werden gekozen en aan de zogenaamde overprovisoren jaarlijks rekening en verantwoording moesten afleggen. De twee overprovisoren werden gekozen één door de Schepenen en één door de Raden uit hun midden.
De hierna beschreven stukken uit het archief van het St. Elisabeth-gasthuis werden op 8 september 1943 door de heer P. Stoffel Pzn. aan het Oud-Archief der gemeente overgedragen. De heer Stoffel had deze stukken van zijn vader ontvangen, die toendertijd samen met Dr. A.J. Kronenberg bestuurslid van het Gasthuis was. Omstreeks 1890 hadden deze twee heren het gehele archief van het St. Elisabeth-gasthuis geordend en in een kist gedeponeerd. Later werd het archief, omdat men de kist voor iets anders nodig had, opgeruimd (waarschijnlijk vernietigd). Alleen de hier beschreven stukken zijn behouden gebleven doordat de boven genoemde heren deze apart hadden gehouden, daar zij van mening waren, dat deze niet van het St. Elisabeth-gasthuis afkomstig waren. Na bestudering der afzonderlijke stukken bleek echter, dat zeer veel stukken zonder enige twijfel uit het archief van het St. Elisabeth-gasthuis komen en er goede reden bestaat, dat ook de andere stukken waarschijnlijk eigendom van de gasthuisbestuurders waren of geworden zijn. Vele van deze stukken, oorspronkelijk uit het archief van het Oude Mannenhuis, zijn na de opheffing van dit gesticht met de afdraging van de financiële overschotten aan het St. Elisabeth-gasthuis in 1755 vermoedelijk in het bezit van de bestuurders van laatstgenoemd gasthuis gekomen. Ander financiële stukken, zoals schuldbekentenissen en kwitantiën van zuiver persoonlijke aard kunnen in handen van de bestuurders van het St. Elisabeth-gasthuis gekomen zijn doordat de betreffende personen of hun naaste familieleden in het gesticht werden opgenomen.
Het bleek daarom wenselijk deze verzameling onder de naam "Stukken uit het Archief van het St. Elisabeth-gasthuis" te handhaven. Een zuiver chronologische ordening dezer stukken bleek de enigst aangewezen te zijn.
In 1959 uitgetypt door W. Klaassen, zijnde een uitwerking van een map + inventaris van Mr. B. van 't Hoff (inv.no 75).
In 1967 zijn de stukken deugdelijk ingepakt, en in de inventaris enigszins door mij bijgewerkt. Vervolgens gebonden.
H.R. v. O
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1583-1772
Omvang:
0,25 m
Opmerkingen:
Zie ook ID 796 ID 700, inv. nrs.46-65, 253-1
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 0795, Sint Elisabethsgasthuis, inv.nr. ....
Citeertitel kort:
NL-DvSA, ID 0795, inv.nr. ....
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS