Uw zoekacties: Groote (vroeger Heilige Geesten-) en Voorster gasthuis te Deventer
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
In den loop van het jaar 1874 noodigden de Bestuurderen van het Groote en Voorster gasthuis mij uit, de archieven dier inrigting te onderzoeken, met het oog op de vraag, of de inhoud belangrijk genoeg zoude zijn, om eene catalogisering er van te wettigen. Diezelfde vraag was, naar ik meen, in vroeger jaren ook gedaan aan den gemeente-archivaris Molhuijsen en aan mijn ambtsvoorganger Mr. J. van Doorninck, doch (vreemd genoeg!) door beiden ontkennend beantwoord. In strijd daarmede luidde mijn advies, dat uit een administratief oogpunt bekendheid met de oude titels in ieder geval zeer noodig mogt geacht worden, maar dat, afgescheiden daarvan, genoeg stukken aanwezig waren, welke uit een geschiedkundig oogpunt beschouwd de aandacht verdienden en de beschrijving wettigen zouden. In die meening ben ik later versterkt en zij sal, vertrouw ik, gedeeld worden door een ieder, die den catalogus aandachtig doorlopen heeft.
Op 22 Augustus 1874 besloten Bestuurderen dientengevolge mij op te dragen de archieven in orde te brengen en, na daartoe door Gedeputeerde Staten gemagtigd te zijn bij besluit van 10 Sept. van dat jaar, besteedde ik de zomermaanden van 1875 en volgende jaren aan het rangschikken en beschrijven dier archieven, het in druk bezorgen van den Catalogus en het vervaardigen van een uitvoerigen bladwijzer daarop.
Hoeveel inspanning het mij gekost heeft, om dien arbeid te voltooijen in (de maanden bij elkander geteld) twee en een half jaar tijds, zal slechts beseft worden door hen, die zich wel eens met het beschijven der archieven bezig hielden. En hoewel ik veel meer deed, dan mij opgedragen was, vernam ik, dat sommigen teleurgesteld waren, o.a. omdat de catalogus niet eene geschiedenis der beide gasthuizen bevatte. Om die reden zij hier opgemerkt, dat, hoeveel gegevens de catalogus voor zulk eene geschiedenis ook oplevert, zij slechts zoude kunnen geschreven worden 1°. na eene naauwgezette bestudering der zoo belangrijke reeks van rekeningen (1407-1815) van het gasthuis; 2° na ook onderzocht te hebben, wat het gemeente-archief dienaangaande oplevert (Zie aldaar o.a. No. 487, 488, 1204, 1153). Is het eerste een even loonende als tijdroovende arbeid te achten, het laatste is op het oogenblik nog vrij wel onmogelijk. Immers om slechts één voorbeeld bij te brengen, zal men onder No. 1088 van het gemeente-archief, dat in den Inventaris beschreven is als bestaande uit "Eenige papieren van geen belang", een request aantreffen der bewoners van het Voorster gasthuis, van omstreeks 1590, waarbij zij aan de regering verzoeken provisoren te benoemen, daar anders de geheele inrigting dreigt te gronde te gaan.
Alleen aangaande de stichting der beide gasthuizen moet een enkel woord hier in het midden gebragt worden.
Eene stad was ook oudtijds bezwaarlijk denkbaar zonder een huis, waar de vreemdeling, vooral als hij te arm of te ziek was om verder te reizen, huisvesting vinden kon. Een "gasthuis" duidt dan ook in het algemeen, evenals het word "hospitale" in het latijn, slechts uit een huis voor vreemden. Zulk een huis bezat Deventer ook voordat het over een Heilige-geesten-gasthuis dacht (Zie No. 2-4 van den Catalogus). In het laatst der 12e eeuw echter ontstond de geestelijke orde van den H. Geest, welker leden zich het verplegen van behoetigen ten doel stelde. Het oudste gasthuis van dien aard mij bekend, is dat van 1188 te Marseille. Weldra werden ook hier te lande zulke inrigtingen in het leven geroepen en zij behooren in bijna alle vaderlandsche steden tot de oudste stichtingen.
In 1282 schijnt men te Deventer dit voorbeeld gevolgd te zijn door van het oude gasthuis een H. Geest-gasthuis te maken. Hoe dit zoude ingerigt zijn, bepaalde de stedelijke regering in het begin van het volgende jaar (Zie No. 5.).
Het geestelijk karakter daarvan springt duidelijk in het oog, zoowel uit het feit, dat de Bisschop de ordonnantie bekrachtigde, als uit den naam van convent, aan de bewoners en den titel van Priester, aan den Provisor gegeven (Zie: No. 6,8,10). Een geestelijke herberg zoude men het met den heer Sloet (Zie: Sloet tot Oldhuis, Tijdschr. v. Staathuishoudkunde, V. 332 (1845.)) misschien kunnen noemen, een bedelaarsdoele m.i. niet.
Aangaande den oorsprong van het Groote of H. Geestgasthuis is dus weinig twijfel: het was eene zuiver stedelijke instelling.
Van het Voorster-gasthuis daarentegen was de oorsprong ten eenenmale onbekend. Noch in het Kerkel en Wereldl. Deventer, noch in den Tegenw. staat van Overijssel, noch bij eenigen anderen schrijver is daarover iets te vinden.
In de vestibule van het tegenwoordige gasthuis-gebouw, bij de bestuurskamer, hangen, behalve eenige andere verre van slechte schilderijen van onbekende herkomst, drie damesportretten, waarvan de overlevering zegt, dat de eene, met het opschrift: "aetatis suae 47 a° 1637", Abdis van ter Hunnepe was en de beide andere freules van Twickelo (moeder en dochter) zouden voorstellen. Van 1618- 1650 was Abdis van ter Hunnep Maria van Voorst en zoo meende men daar de stichteres van het Voorstergasthuis te hebben.
De stukken toonen duidelijk, dat de zaak, zich geheel anders toegedragen heeft.
Geerd Hakesberch, van 1456 tot 1464 en mogelijk ook in vroeger jaren reeds Schepen van Deventer, was blijkens de vele door hem gekochte huizen, erven en renten of uitgangen, een vermogend man. In 1434 reeds vond ik hem als kooper vermeld en hij ging daarmede voort tot in 1472. Maar op 20 Maart 1471 (No. 611) beschikte hij over al zijne vaste goederen in de Goltstraat, benevens over andere roerende goederen, om daarvan na zijn dood een gasthuis op te rigten. Of zijne schenking tot oprigting van een Manhuis, welke inrigting in 1473 tot stand kwam (Zie: K. en W. Dev. II 133), doch blijkbaar te voren door hem gesticht was, te gelijk, vóór of na deze stichting van het Voorster Gasthuis heeft plaats gehad, durf ik niet te bepalen.
Dat Geerlich slechts een andere naam voor Geerd was, blijkt duidelijk. Immers reeds op 18 Nov. 1469 en later een paar maal in 1472 (Zie No. 602b, 617a, 620) komt die vorm ook voor.
Van "Geert Hakesberchs gasthuis" vind ik op 10 Mei 1476 (No. 642) gesproken, terwijl op 25 Maart 1478 het eerst sprake is van Provisoren van "zal. Geerd Hakesberges gasthuis geheeten in die Voerst" (No. 655). De te lange naam werd weldra (reeds in 1485) verkort tot het "gasthuis in die Voerst" en zoo ontstond de naam, dien het lange jaren gedragen heeft. Dat men onder "de Voorst" een gedeelte van de Goltstraat verstond, was waarschijnlijk de naaste aanleiding. Waarom dat gedeelte zo heette? Ik wees er elders (Zie: Overijss. Bijdr. II. 337) op, dat te Deventer, evenals te Utrecht, Kampen, enz. versterkte of zoogenaamde "Wighuizen" aanwezig waren, die aan adelijke geslachten toebehoorden, zooals het huis Duno, het erve Nijenbeke, het erve Almelo, enz. Daarbij had kunnen gevoegd worden, dat blijkens No. 577 van het Deventer archief, Roderik Heer van Voorst en Keppel met Wolter en Johan van Voorst in 1365 hun erve "Keppel" in de Bagijnestraat aan de stad verkochten. Zoude het nu bij de vele betrekkingen tusschen Deventer en de heeren van Voorst, zoo vreemd geweest zijn, als men daar ook een erve de Voorst gehad had? Zeker neen; immers onder de stukken in het gemeente-archief, welke (als van onwaarde) door den heer Molhuijsen ter zijde geschoven werden, trof ik een charter van S. Vitus 1397 aan, waarin Sweder Heer van Voerst, van Keppel en van den Ahues voor een erftins verhuurt zijn erve, gelegen op het erve van ouds geheeten Voerster-erve binnen Deventer, tusschen het erve van Mense Copes en dat van Elsebe Reijners met haar kinderen, zijnde 24 voet breed en strekkende met het achterste einde aan het erve van Trude Boldermans.
De vereeniging der beide gasthuizen, welke in het laatst der 17e eeuw plaats had, heeft invloed gehad op hun archieven. Deze waren zoo door elkander geraakt, dat niet meer behoorlijk te onderscheiden was, wat tot het eene en wat tot het andere betrekking had. Wel heb ik getracht zooveel mogelijk bij elk stuk op te geven, tot welk gasthuis het behoorde, maar zonder eenigen twijfel heb ik mij daarbij wel eens vergist. Men vertrouwe dus niet al te vast op de letters H.G. en V.G. bij de nommers geplaatst.
Ook de Fransche tijd heeft de verwarring helpen vermeerderen. Tengevolge toch der vereeniging onder hetzelfde bestuur van het Groote, het Voorster-, het S. Jurriensgasthuis, het Stappen-convent. Meijershof, het Armgard - Zwartjens-, het Herman-Boevincks- en het Mouwijcks-huis heeft gemaakt, dat een tal van stukken - en daaronder het geheele archief van de laatstgenoemde instelling - zich in het archief van het Gr. en Voorster Gasthuis bevonden. Zij zijn thans teruggekeerd naar de plaats waar zij behooren.
Nog van een anderen ballast is de te beschijven verzameling bevrijd. Van menigen kostgever nl. waren bij zijn dood de papieren in het archief geraakt en in deze meerendeels nietswaardige massa heeft eene opruiming plaats gehad. Mogelijk had zij zich verder moeten uitstrekken, dan geschied is, doch ik heb gemeend mij te moeten bepalen tot datgene, hetwelk van volstrekt geen belang voor wien ook zijn kon.
Ten slotte eenige aanwijzingen bij het gebruiken van den catalogus.
Schepenen en Schepenen en Raad (zonder bijvoeging van plaats) betekent Schepenen van Deventer, resp. Schepenen en Raad van deventer
In de oorspronkelijke inventaris was de volgende zin opgenomen:

+ = bij sommige nommers aan band AA ontleend, beteekent, dat dit merk in het handschrift er bij geplaatst is, ten bewijze dat het stuk afgedaan is en dus niet meer in originali aanwezig is.

Dit betreft de volgende inv. nrs:

390a. V.G.
409a. V.G.
599a. V.G.
602a. V.G.
409b. V.G.
264a. V.G.
268. V.G.
433a. V.G.
537a. V.G.
558a. V.G.
560a. V.G.
675a. V.G.
758b. V.G.
790a. V.G.
847a. V.G.
855a. V.G.
898b. V.G.
966b. V.G.
967a. V.G.
968a. V.G.
970a. V.G.
976a. V.G.
976b. V.G.
984a. V.G.
a, b, c, enz. = bij de nommers gevoegd, wijzen aan, dat deze stukken niet in de kast, maar in een bundel gevonden worden, zooals band A, AA, B. enz.
De taal van alle stukken is de Hollandsche, tenzij het tegendeel opgegeven is.
Tot aan het jaar 1600 zijn alle op perkament en van 1600 af alle op papier geschreven, tenzij het tegendeel vermeld is. Zoo ook zijn alle zegels uithangend en gaaf, als niet gezegd is, dat zij opgedrukt of geschonden zijn.
Bij gebrek aan bewijs, op welken dag men met het jaar plagt te beginnen, is 1 Januari daarvoor aangenomen. Hoewel dit welligt niet juist is, heb ik gemeend daarvan niet te mogen afwijken, omdat elke andere als begin aangenomen dag niet beter te verdedigen zoude zijn. (Zie: Vgl. Overijss. Bijdr. IV. 203).
Wat den bladwijzer betreft, daarin is, evenals in dien op het Tijdrek. Register op het Prov. archief en dien op de Overijsselsche Bijdragen, die alphabetische orde gevolgd, welke het best de verschillende spellingen op één woord samenvoegt. Men heeft dientengevolge ae op aa, j en ij op i, oe en oi op oo, ue op uu, de ph op de f, de gh en ch op de g de als k uitgesproken c op de k, de z op de s, enz. te zoeken.
Vaak is het moeijelijk te bepalen, wat de naam en wat het ambt van een persoon is, b.v. Jan Gerritzen Holtsager van Vreden kan Gerritzen Holtzager of van Vreden heeten; Jan Wilmsen Becker kan Wilmsen heeten en bakker van zijn ambacht zijn, of ook wel den naam Becker voeren.
In dergelijke gevallen heb ik zooveel mogelijk dezelfde persoon op verschillende namen vermeld.
Bij het maken van den catalogus teekende ik nog de volgende acte op:
(15)83. Op sunte Antonius dage. (17 Jan.)
Schepenen en Raad bepalen, dat voortaan de zusters die aangenomen worden in het Heilige Geest of Groote Gasthuis om de armen te dienen, geen kosten zullen maken, behalve naar oude gewoonte na den vesper wijn en "kruijt" geven, waarop zij slechts 6 paar vrouwen en 6 paar mannen mogen noodigen.
Onderaan staat nog: "Saijssche hoijken noch anders gheijne kledijnge dan allene...."
Dumbar K. en W. D. II. 218 schijnt dit stuk gekend te hebben, doch stelt het op 1483.
Het kladje papier waarop het stond bleek bij de nommering tusschen andere papieren geschoven te zijn, zoodat ik niet kan nazien of Dumbar gelijk of ongelijk heeft.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1267-1920
Omvang:
3,5 m
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Taal:
Nederlands
Opmerkingen:
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verschillende stukken verloren gegaan. Dit is aangegeven in de inventaris per inv. Nr.
Zie ook ID 700.
Zie ook ID 777.
Publicaties:
C.M. Hogenstijn, De Verenigde Gestichten : geschiedenis van Deventer gasthuizen en hun landerijen, Nieuwegein 1988.
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 0767, Groote (vroeger Heilige Geesten-) en Voorster gasthuis te Deventer, inv.nr. ....
Citeertitel kort:
NL-DvSA, ID 0767, inv.nr. ....
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS