Uw zoekacties: Collegium musicum Ultrajectinum te Utrecht
x731 Collegium musicum Ultrajectinum te Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

731 Collegium musicum Ultrajectinum te Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Het Collegium Musicum Ultrajectinum werd op 1 januari 1631 opgericht als een gezelschap van dilettanten, die muziek wensten te beoefenen. In de loop van de tijd vulde men het gezelschap aan met gehuurde beroepsmusici, die steun gaven waar de amateur-leden tekortschoten. Verordeningen maakten deze gehuurde krachten duidelijk wat hun plaats was ten opzichte van de deftige betalende amateur-leden. Zo bleef het de gehele achttiende eeuw door. * 
Gaandeweg breidde de kring zich uit tot een instelling die concerten verzorgde voor een groter publiek. Het zwaartepunt kwam te liggen op een vast orkest van beroepsmusici, veelal gehuurd van het muziekcorps der Stedelijke Schutterij, en beroemde-ook uit het buitenland aangetrokken-solisten en zelfs componisten. Het actieve aandeel van de leden van het Collegium werd daardoor steeds kleiner.
In de negentiende eeuw maakte Utrecht een zeer bloeiend muziekleven door. Het uitvoerende deel van het gezelschap van het Collegium en de ingehuurde krachten groeide uit tot een symfonieorkest. De talrijke gewone leden vormden het concertpubliek. Zij en hun introducés behoorden tot het patriciaat en de deftige burgerij. Beroemde solisten/componisten als Clara Schumann, Camille Saint Saëns, Johannes Brahms traden in Utrecht op en waren zeer gevierd. De portretten van velen der solisten werden vanaf ca. 1850 in fotoalbums bewaard (inv.nr. 41).
Als men het muziekleven elders in Nederland vergelijkt met dat te Utrecht dan krijgt men de indruk dat onze stad, na een eeuwenlange muziektraditie, in de negentiende eeuw een hoogtepunt beleefde. De houding van het publiek ten opzichte van de musici was in Utrecht anders dan bijvoorbeeld in Duitsland. De dirigent van het Collegium, Kufferath, werd door velen niet zozeer gezien als 'kunstenaar', doch meer als 'betaalde kracht'. De moeilijkheden die tussen deze orkestleider en enige bestuurders rezen, waren mede het gevolg van deze instelling.
In de negentiende eeuw trachtte het Collegium de muziekbeoefening ook in bredere kring te bevorderen. *  Reeds in 1829 had het Collegium samen met de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst deel in de besprekingen die uitmondden in de oprichting van de Stedelijke Zangschool. Toen Johann Hermann Kufferath op 19 januari 1830 werd aangesteld als dirigent van het orkest van het Collegium, nam hij tevens de verplichting op zich muziek- en zanglessen aan deze school te geven. Aan het einde van de periode Kufferath (1862) wenste men aan het muziekonderwijs weer nieuwe stimulansen te geven. Ook zijn opvolger, dirigent Richard Hol (1862-1904), verzorgde het onderwijs op de vernieuwde muziek- en zangschool. * 
Wat de financiën betreft kende men tijden van bloei en dreigende ondergang. Dit stond in nauw verband met het beheer. Het dieptepunt lag in de jaren 1840-1843, toen de zittende secretaris/penningmeester er met de kas vandoor ging (inv.nr. 25). Ook het archief schijnt in die periode geleden te hebben.
Deze crisis kwam bijzonder ongunstig omdat juist omstreeks 1840-op de plaats waar het Collegium meer dan een eeuw (n.l. in het koor van de Mariakerk) bijeen was gekomen-het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen verrees en moest worden ingericht. De nieuwe behuizing kwam de zorg voor instrumenten en muziekbibliotheek ten goede en gaf nieuw élan aan het verenigingsleven en de concerten.
De Stadsconcerten vonden plaats in K. en W. tot de tijd dat de concerten van het Collegium werden overschaduwd door de uitvoeringen van het orkest van de Stedelijke Schutterij, dat vanaf 1871 onder de naam Utrechtsch Symphonie Orchest (vanaf 1895 Utrechtsch Stedelijk Orkest) optrad in de zaal van de NV Tivoli. Deze nieuwe concertzaal in het Tivolipark aan de Kruisstraat oefende op de Utrechters grote aantrekkingskracht uit. Dit succes ging ten koste van de Stadsconcerten van het Collegium. Ook de samenwerking van het CMU met het USO die in 1895 tot stand kwam, bracht uiteindelijk geen verandering in deze neergaande ontwikkeling, zodat in 1920 werd besloten tot opheffing van het CMU in 1920. In 1938 volgde weliswaar een heroprichting van het CMU, maar dit behelsde in wezen een samengaan met het binnen de universiteit opererende Collegium Musicum, dat uitvoeringen van onbekende muziek verzorgde. Vanaf 1960 komen we het CMU tegen als adviesorgaan van B&W van de gemeente Utrecht inzake alle Utrechtse activiteiten op muziekgebied.
Het verzorgen van muziekconcerten in de stad Utrecht gebeurde na 1920 uitsluitend door het Utrechts Stedelijk Orkest, vanaf 1966 tot 1985 het Utrechts Symfonie Orkest. *  Tot de komst van het Muziekcentrum Vredenburg in 1979 speelde dit symfonieorkest in Tivoli. Op het programma zag men tot voor enige jaren het vignet van het Collegium Musicum Ultrajectinum met de zinspreuk die allen tenslotte tot samenwerking bracht: 'Amat Alta Silentia Musa'. * 
De oudste stukken uit het archief van het Collegium werden in 1918 door het CMU in bruikleen gegeven aan het (voormalige) Gemeentearchief Utrecht. Later werd het hier bewaarde archief aangevuld met andere delen van het archief over de periode 1631-1920 en 1938-1950, waaronder enkele stukken uit de boedel van J. Hora Siccama (inv.nrs. 4, 9, 11-12, 15-17, 25, 42, 46, 48 en 53). Bij het Gemeentearchief is het archief (omvang 5 m) in 1970 geïnventariseerd door H.J.H. Knoester. Deze inventaris is in 2002 waar nodig voorzien van deelbeschrijvingen. Ook werd de inleiding van Knoester enigszins aangepast en aangevuld. Bovendien werd aan de inventaris een reeks beschrijvingen toegevoegd van stukken afkomstig uit de GAU-Bibliotheek.
In 2003 zijn aan het archief enkele stukken van het pensioenfonds Bertha Johannssen toegevoegd (omvang 0,05 m). De stukken werden aangetroffen in het archief van de Vereeniging het Utrechtsch Stedelijk Orchest (USO) en zijn te beschouwen als gedeponeerd archief van het CMU.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1631-1920 (1959)
Toegangstitel:
Inventaris van het archief van het collegium musicum Ultrajectinum 1631-1920 (1959)
Auteur:
H.J.H. Knoester
Datering toegang:
1970 / 2003
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen
Omvang:
5,32 m zuurvrije dozen
Rubrieken:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS