Uw zoekacties: Doopsgezinde gemeente te Utrecht
x714-1 Doopsgezinde gemeente te Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

714-1 Doopsgezinde gemeente te Utrecht ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De oudste stukken in het archief van de Doopsgezinde gemeente te Utrecht dateren uit de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw: een aantal eigendomsbewijzen uit 1523 e.v. en een kasboek uit de jaren 1606-1623. Vooral dank zij dit kasboekje kan men zich thans enigszins een indruk vormen van de omvang en welstand der Vlaamsche Doopsgezinde gemeente.
In die vroege tijd telde Utrecht namelijk drie Doperse groepen of gemeenten: een Vlaamse, een Friese en een Hoogduitse. Van de twee laatste is alleen bekend, dat zij zich reeds vóór 1630 verenigden. Geschreven stukken zijn er van hen niet bewaard gebleven. De Vlaamse Doopsgezinden schijnen het talrijkst te zijn geweest. In 1611 moet deze groep ongeveer 150 leden hebben geteld *  .
De resolutie- en notulenboeken maken het mogelijk vanaf 1969 - het jaar waarin de eerste besluiten werden genoteerd -, de ontwikkelingen op de voet te volgen.
Op 19 mei 1639 in Utrecht de plechtige vereniging plaats van de Vlaamse met de Friese en Hoogduitse Doopsgezinden *  . Onder het gezelschap dat zich op die gedenkwaardige dag in de "dienarenkamer" (de kerkeraadskamer) van het kerkgebouw aan de Jufferstraat (nu Springweg) had verzameld, bevond zich ook Huybert Boongaert, dienaar of diaken van de verenigde Duitse en Friese gemeenten. Deze maakte enige dagen later opnieuw zijn opwachting in de dienarenkamer, nu om het geld, de brieven en de akten die nog onder hem berustten en die tezamen een waarde van ƒ 1519,- vertegenwoordigden, bij de kerkeraad van de nieuwe gemeente in te leveren *  . Deze papieren zijn, zoals reeds gezegd, in het archief niet teruggevonden.
De nieuwe gemeente grondde haar bestaan op een belijdenisgeschrift uit 1636, het "Olijftacxken", waarin het individuele geloof centraal werd gesteld. Waarschijnlijk nam zij de naam aan van "Vereenigde Duitsche, Friesche en Vlaamsche gemeenten" naar voorbeeld van andere Doopsgezinde gemeenten in den lande, o.a. van die in Amsterdam en Haarlem. Aan de hand van de archivalia is dit echter niet onomstotelijk aan te tonen.
Een feit is echter, dat in 1764 ds. Schagen protest aantekende tegen het woord "vereenigde" en de kerkeraad daarop besloot de oude benaming te wijzigen *  .
Naar de motieven die ds. Schagen er toe hebben gebracht, op naamswijziging aan te dringen, kan men slechts gissen. Mogelijk heeft de vredelievende leraar een duidelijke streep onder het verleden willen zetten en de herinnering aan vroegere verdeeldheid bij zijn gemeenteleden willen uitwissen. Hoe het ook zij, naderhand is de gemeente bekend geraakt onder de naam die zij nog draagt: Doopsgezinde Gemeente te Utrecht.
In de zeventiende eeuw is het pad van de jonge gemeente niet over rozen gegaan. Het woord "verdeeldheid" is reeds gevallen. En inderdaad leidde een richtingenstrijd er toe, dat Utrecht tien jaar lang (1665-1675) niet één, maar twee Doopsgezinde gemeenten binnen haar muren herbergde.
Voor een goed begrip van zaken volgt hier in het kort de geschiedenis van deze verwarde episode.
Aanleiding tot de moeilijkheden was het eigenzinnig optreden van de nog jonge leraar, dr. Willem van Maurik. Er bestond in het land reeds lang een controverse tussen de Vlaamse, Friese en Hoogduitse gemeenten enerzijds en de Waterlandse anderzijds. Deze laatsten onderhielden kerkelijke gemeenschap met de Remonstranten, Collegianten en Socianen en wezen iedere van boven opgelegde geloofsbelijdenis af, redenen te over voor de meer rechtzinnige gemeenten zich zo weinig mogelijk met de Waterlanders in te laten. Toen nu Willem van Maurik in 1661 zonder toestemming van zijn kerkeraad een preekbeurt bij de Rotterdamse Waterlanders vervulde, haalde hij zicht de toorn van een deel van de gemeente op de hals. In een kerkeraadsvergadering raakten de gemoederen zo verhit, dat de vroedschap tussen beide moest komen en uiteindelijk besloot de wens van de confessionelen in te willigen en Willen van Maurik met drie van zijn confraters, t.w. Goris van Alendorp, Arent van Heuven en Johannes Andriesz., als leraar te schorsen.
Voorlopig had de aanhang van de rechtzinnige leraar Robert van Hoogveldt het pleit dus gewonnen. Het bleek echter een schijnoverwinning te zijn. Toen in 1664 de schorsing werd opgeheven, werd de strijd weer met hetzelfde vuur voortgezet. Een poging van de stedelijke overheid om de partijen te verzoenen, leed jammerlijk schipbreuk, en op 2 oktober 1665 werd met goedkeuring van de vroedschap de scheiding uitgesproken. Deze werd tot in de kleinste details doorgevoerd: niet alleen de kas, maar ook de armen werden verdeeld, en van de aanwezige kastruimte kreeg ieder nauwgezet de helft toegewezen. Alleen het kerkgebouw zelf bleef ter beschikking staan van beide partijen.
Wat zich in de kerkekamer tussen 4 juli en 11 oktober 1665 heeft afgespeeld, zullen wij nooit weten. Het resolutieboek doet er het zwijgen toe en dat geeft op zichzelf al genoeg te denken.
Als het doek weer opgaat, zitten Willem van Maurik en zijn geloofsgenoten om de tafel.
De groep van Robert van Hoogveldt, die zelf reeds in 1663 was overleden, raakte in de volgende jaren steeds meer op de achtergrond. Verschillende gemeenteleden die zich aanvankelijk bij Van Hoogveldt hadden aangesloten, werden of lid van de "Gereformeerde" kerk of liepen over naar de vrijzinnige Doopsgezinde gemeente. Een klein groepje dat de oude beginselen trouw bleef, sloot zich in 1674 bij de Zonsche Sociëteit aan.
Deze sociëteit dankte haar naam aan het Doopsgezinde kerkgebouw de Zon aan het Singel te Amsterdam. Zij was opgericht door enkele confessionele Doopsgezinde gemeenten op Amsterdams initiatief.
Ook in de Amstelstad waren toentertijd de Mennisten door een richtingenstrijd verdeeld: de behoudende Zionisten stonden er tegenover de vrijzinnige Lamisten of Galenisten, de laatsten zon genoemd naar hun kerkgebouw het Lam aan het Singel en naar hun voorman Galenus (Abrahamsz de Haan). Het zou tot 1801 duren, voordat beide partijen voldoende tot elkaar waren gekomen om weer tot één gemeente te worden verenigd.
In Utrecht was ook in het vrijzinnige kamp tegen het einde van de 17e eeuw de strijdlust aanmerkelijk verflauwd. Ongetwijfeld hield daarmee het vertrek van Willem van Maurik verband, die in 1673 het leraarschap bij de inmiddels vernigde Lamisten en Waterlanders in Amsterdam aanvaardde. Dat hij zich in de navolgende jaren ontpopte als een groot bewonderaar van Galenus, zal niemand meer verbazen. Als vriend en vertrouwensman stond hij deze in diens laatste dagen terzijde (1706).
In 1675 kwam tenslotte de verzoening van de partijen tot stand. Op zondag 14 maart vierde men de hereniging in een morgen- en middagdienst, waarbij resp. de vrijzinnige Jan Andriesz en de confessionele Jacobus van Griethuysen voorgingen. Een nieuw tijdperk trad in: het oude resolutieboek werd afgesloten, de resoluties van de volgende vergaderingen zouden in een nieuw "schrijfboek" worden opgetekend.
Dat de geest van Van Maurik de overwinning had behaald, blijkt o.a. uit het feit, dat de gemeente in 1675 er niet over dacht tot de confessionele Zonsche Sociëteit toe te treden. Zij liet haar leden echter vrij om dit individueel te doen. In de 18e eeuw maakte de Utrechtse gemeente wél deel uit van de sociëteit, maar toen lagen de kaarten ook in Amsterdam heel anders. Het heette zelfs, dat de Zonisten in die tijd van confessioneel liberaler waren geworden dan hun liberale tegenstanders, de Lamisten. De Zonsche Sociëteit bleef tot 1796 bestaan.
In de achttiende eeuw bevond de gemeente zich in een heel wat rustiger vaarwater. De problemen waarmee zij werd geconfronteerd, waren dan ook van geheel andere aard. Zo vroeg o.a. het financieel beheer meer aandacht dan voorheen. In dit verband mag het College van contribuerende broeders niet onvermeld blijven.
De leden van dit college hadden zich verplicht tot een jaarlijkse bijdrage t.b.v. de predikdienst en konden daardoor veel invloed uitoefenen in een tijd dat de leraren steeds meer in beslag werden genomen door hun pastorale arbeid en daardoor niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien.
Het kapitaal dat de contribuerende broeders bijeenbrachten, werd beheerd door zes broeders, die voor drie jaar uit de contribuanten werden verkozen. Diakenen-contribuanten konden eveneens zitting hebben in het bestuur, maar hadden niet meer stem dan de andere leden.
Na de Napoleontische tijd, toen het van lieverlee een normale zaak werd dat alle gemeenteleden die hiertoe in staat waren, de gemeente financieel steunden met een vaste bijdrage, hield het College van contribuerende broeders op te bestaan *  .
Een belangrijke gebeurtenis in de achttiende eeuw was ongetwijfeld de bouw van de kerk aan de Oudegracht.
In 1618 kwam de Vlaamse gemeente in het bezit van een eigen kerkgebouw in de Jufferstraat, de tegenwoordige Springweg *  . Het werd aangekocht door Jan van de Voort, die volgens een aantekening in het oudste kasboek in 1606 "ouderman" van de Vlaamse gemeente was geworden *  .
Dit gebouw was echter in 1771 - dus na ca. 150 jaar trouwe dienst - in een dusdanig staat van verval geraakt, dat men besloot het met de aangrenzende panden te verkopen. Enkele kapitaalkrachtige "broeders" kochten daarom voor de gemeente de brouwerij "De witte Leeuw" aan de Oudegracht bij de Weesbrug. Na een grondige verbouwing werd dit pand als de nieuwe Doopsgezinde kerk op 7 november 1773 ingewijd.
In de loop van de volgende anderhalve eeuw werden de aangrenzende percelen eveneens aangekocht. Toen in 1920 het pand Oudegracht 272, dat tot pastorie was voorbestemd, aan het huizenbezit was toegevoegd, constateerde de voorzitter met voldoening, dat de gemeente nu alle percelen tussen de Regulierensteeg en de Dorstige Hartsteeg in haar bezit had *  .
Vele stukken in het archief herinneren aan de contacten die de Utrechtse gemeente in de negentiende en twintigste eeuw onderhielden met landelijke of regionale overkoepelende organisaties.
De organisaties waren de volgende:
1. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit (A.D.S.)
Aanleiding tot de oprichting van de sociëteit in 1811 waren de moeilijke financiële omstandigheden waarin de Lamistengemeente te Amsterdam door de slechte economische toestanden verkeerde. Deze gemeente had tot op dat ogenblik de kosten van het seminarie voor Doopsgezinde leraren alleen gedragen, maar zag daartoe voor de toekomst geen kans meer. Het ging dus in de eerste plaats om de instandhouding van dit seminarie. Daarnaast wilde men jonge afgestudeerde predikanten van een redelijk minimumsalaris verzekeren.
De Utrechtse gemeente sloot zich in 1811 aan. Het duurde tot 1870, voordat alle Doopsgezinde gemeenten in Nederland tot de A.D.S. waren toegetreden.
Na 1923 werd het werkterrein van de A.D.S. geleidelijk uitgebreid. Tevens trad zij meer naar buiten en nam contact op met buitenlandse Doopsgezinde groeperingen en met andere kerkgenootschappen. In de Tweede Wereldoorlog maakte de A.D.S. deel uit van het Inter Kerkelijk Doopsgezinde Broederschap in Nederland.
In 1926 nam de A.D.S. de uitgave van het weekblad "De Zondagsbode" over van de Zwolsche Vereeniging, die hiermee in 1887 was gestart. Sinds 1948 wordt dit weekblad verspreid onder de naam "Algemeen Doopsgezind Weekblad".
2. De Ring Arnhem, opgericht in 1856, onderhield contacten met diverse gemeenten in het oosten des lands en met enkele in Duitsland (Kleef en Emmerik). Haar voornaamste oogmerk was het onderhouden van de predikdienst. Men onderscheidde de Kleine en Grote Ring. Waarschijnlijk is de Ring te beschouwen als een onderafdeling van de Zwolsche Vereniging.
3. "De Vereeniging van Doopsgezinde gemeente in Overijssel, Gelderland, Utrecht en van naburige in het koninkrijk Pruisen", opgericht in 1858 te Zwolle en sinds 1885 bekend onder de naam Zwolsche Vereeniging.
Pruisen was in deze vereniging vertegenwoordigd door Emmerik en Kleef. Na 1879 sloten zich ook Zuidhollandse en Zeeuwse gemeenten en de gemeente van Eindhoven en Zuid-Limburg aan.
Ook de Zwolsche Vereeniging beoogde, in de eerste plaats de instandhouding van de predikdienst. Daarnaast ijverde zij voor het verlenen van financiële steun aan noodlijdende gemeenten (de "Zwolsche Kas") en het steunen van Doopsgezinden in de verstrooiing.
4. "De Vereeniging van Doopsgezinde gemeenten ter bevordering van gemeenschappelijke belangen der Doopsgezinden", beter bekend onder de naam Haarlemsche Vereeniging (1860-1925). Onder deze vereniging ressorteerden de "Vereeniging tot het domicilie van onderstand", de "Vereeniging tot de attestatiën", de "Vereeniging tot de Doopsgezinden in de verstrooiing"en het "Fonds voor de wezen". De behartiging van de belangen van elk van deze onderafdelingen werd steeds voor een periode van vijf jaar aan éénn of meer aangesloten gemeenten toevertrouwd.
Uit de aard van de zaak werden deze contacten in de eerste plaats onderhouden door de kerkeraad van de gemeente en het wordt dan ook tijd aan dit bestuurslichaam nu enige aandacht te besteden.
In 1639 bestond de kerkeraad uit vijf leden, t.w. twee leraren of predikanten en drie dienaren of diakenen. In de volgende decennia breidde zij zich vrij snel uit: in 1661 waren er zeven leraren en acht diakenen. In de 18e eeuw werd de gemeente in het algemeen door twee leraren bediend, na 1828 slechts door één. Het aantal diakenen bleef door de eeuwen heen tussen de vijf en acht schommelen. Tot 1920 konden alleen mannelijke leden tot diaken worden gekozen. In dat jaar echter trad mevrouw M. Guise-Lulofs tot de kerkeraad toe. Zij was tevens de eerste vrouwelijke aalmoezenier
Het autonome karakter van de Doopsgezinde gemeenten en de onafhankelijkheid van hun kerkeraad werd door de voorzitter van de diakenen, L. Arisz, in zijn toespraak tot de ledenvergadering van 25 oktober 1898 als volgt getypeerd:
"Onze Doopsgezinde Gemeenten zijn te vergelijken met een aantal onafhankelijke staatjes in den lande. Wij hebben geen kerkelijk hoofdbestuur; administratieve banden bestaan bij ons niet. Voor zooveel onze Gemeenten lid zijn van de Doopsgezinde Societeit, en andere verwante instellingen, zijn zij dit vrijwillig en kunnen dat lidmaatschap afbreken zonder daardoor op te houden eene Doopsgezinde Gemeente te vormen.
De kerkeraad is alzoo bij ons het hoogste Bestuurs lichaam. Hij vertegenwoordigt de leden en treedt op als hun gemachtigde". "De kerkeraad zelf regelt het aftreden zijner leden en benoemt hunne opvolgers. De verwisselingen in het Bestuur worden slechts aan de Gemeente medegedeeld. De kerkeraad beheert de geldmiddelen der Gemeente, de diakenen die een geldelijk beheer hebben doen daarvan jaarlijks rekening en verantwoording aan hunne medeleden van den kerkeraad. In de laatste jaren is het bovendien gewoonte geworden dat die rekening voor de Contrubuerende leden ter inzage ligt, op een dag die vooraf is bekend gemaakt en dat twee leden der gemeente door den Kerkeraad bepaaldelijk worden uitgenodigd om daarvan inzage te nemen.
Dit overleggen der rekening is gewoonte geworden, de kerkeraad is daartoe echter niet verplicht" *  .
De bedoeling van de bijeenkomst op die 25e oktober was het oordeel van de leden te peilen over een voorstel van de kerkeraad om tot het ontwerpen van een reglement over te gaan. De Doopsgezinde broeders en zusters zullen wel even aan het idee hebben moeten wennen. Een reglement "legt banden aan, die belemmerend kunnen werken, en wij Doopsgezinden hebben onze vrijheid zoo lief *  . Maar het voorstel haalde het toch, een commissie werd aan het werk gezet en reeds 1 januari 1899 kon het nieuwe reglement worden ingevoerd *  .
Enkele van de belangrijkste bepalingen hieruit zijn:
- Aan een financiële commissie van drie leden wordt rekening en verantwoording gedaan van het gehouden beheer (art. 6).
- De verkiezing van diakenen, diaconessen en leden der financiële commissie geschiedt bij stemming door de gemeenteleden. De kerkeraad doet een voordracht van drie personen voor elke vacature (art. 7).
- Jaarlijks treedt een lid der kerkeraad af, om de twee jaar een lid van de financiële commissie en om de drie jaar een diacones (art. 9).
- De kerkeraad bestaat uit twee onderafdelingen. Van de eerste, de brede kerkeraad, maakt naast de diakenen ook de leraar deel uit. Zij behandelt de kerkelijke aangelegenheden. De tweede onderafdeling, waarin alleen diakenen zitting hebben, is een administrerend college, dat alle overige aangelegenheden beheert en behartigt, met name de financiën en de armenzorg (art. 10).
N.B. Deze splitsing van de kerkeraad dateert reeds uit het begin van de 19e eeuw.
De notulen van de vergadering van diakenen zijn vanaf 1916 in het archief aanwezig.
- De diaconessen maken geen deel uit van de kerkeraad, zij worden daarin vertegenwoordigd door de kameraar en de aalmoezenier (art. 10).
- Het college van diakenen vertegenwoordigt de gemeente in rechten en is bevoegd daartoe alle burgerlijke handelingen te verrichten (art. 12).
- De leraar wordt gekozen door de leden. Het beroepingswerk wordt voorbereid door een commissie bestaande uit kerkeraadsleden, leden van de financiële commissie en gemeenteleden (art. 14 en 15).
In 1930 trad een gewijzigd reglement in werking, dat op verschillende punten afweek van het vorige *  . Zo werd niet meer over een splitsing van de kerkeraad gesproken.
Wanneer men de notulen van de vergadering van de diakenen uit de jaren twintig en dertig doorbladert, valt allereerst op, dat de diakenen geregeld overleg pleegden op de z.g. "vertoevingen", die zondagsmorgens na de godsdienstoefeningen plaats vonden. Ook de leraar was dan aanwezig. In december 1929 woonde deze voor het eerst een doordeweekse vergadering bij en dit werd daarna gewoonte.
De brede kerkeraad bleef nog tot eind 1933 bestaan, maar de slordig geschreven notulen van de scriba, ds. Glasz, doen vermoeden dat deze vergaderingen niet meer zo veel om het lijf hadden. De vergaderingen van de diakenen kregen daarentegen steeds meer inhoud; na 1934 worden zij terecht "kerkeraadsvergaderingen" genoemd. De enige beperking die de leraar in het reglement van 1930 nog werd opgelegd, was dat hij geen kerkeraadsvergaderingen mocht bijwonen, waarin zijn financiële verhouding tot de gemeente werd herzien of behandeld (art. 7).
Uit de zeventiende- en achttiende-eeuwse archivalia is weinig op te maken over de taakverdeling binnen het college van diakenen. De administratie van de gemeente was vooral in de eerste eeuw van haar bestaan niet bepaald omvangrijk. Financieel lagen de zaken vrij eenvoudig. De uitgaven betroffen merendeels de armenzorg en het onderhoud van de gebouwen. De leraren oefenden allen een beroep uit naast hun pastorale arbeid, en konden dus zichzelf bedruipen. De gemeente gedijde door schenkingen en giften.
Eerst in de negentiende eeuw, na de Franse tijd, traden uit het midden van de diakenen enkele functionarissen duidelijk naar voren:
1. De kashouder of boekhouder, die met het algemeen financieel beheer was belast.
2. De kameraar onder wie de huishoudelijke dienst ressorteerde. Hij had o.a. de zorg voor het kerkgebouw en voor de huizen die eigendom van de gemeente waren.
Ook hield hij toezicht op het werk van de koster, de kosteres en de kerkeknechts. In deze laatste taak werd hij bijgestaan door de diacones.
3. De aalmoezenier, die de leiding had over de armenzorg en daarbij geassisteerd werd door één of twee diaconessen. In 1920 werd de Commissie van Armenzorg, na 1929 Commissie voor Maatschappelijken Bijstand genoemd, belast met de zorg voor de hulpbehoevende -gemeenteleden. De aalmoezenier was uit hoofde van zijn functie voorzitter van de commissie. In januari 1938 werd de Commissie van Hulpbetoon geïnstalleerd ter vervanging van de Commissie voor Maatschappelijken Bijstand. In de nieuwe commissie hadden o.a. zitting de leraar van de gemeente als adviserend lid; twee kerkeraadsleden, waaronder de aalmoezenier; en enkele diaconessen. De commissie kon eventueel uitgebreid worden met meer adviserende leden. Het dagelijks bestuur bestond uit een voorzitter, een secretaris-penningmeester en de aalmoezenier.
Na 1950 spreekt men van de Commissie voor Maatschappelijke Zorg. Deze is op dezelfde wijze samengesteld als haar voorgangster. Alleen is de voorzittershamer weer bij de aalmoezenier teruggekeerd.
Het archief van de Doopsgezinde gemeente te Utrecht werd in 1965 in bruikleen aan het Gemeentearchief Utrecht afgestaan. Bij de inventarisatie is de oorspronkelijke orde, voor zover deze nog waarneembaar was, gehandhaafd.
De attestaties, die deels chronologisch, deels alfabetisch geordend werden aangetroffen, zijn door C.F.M.J. barones Schimmelpennick van der Oye-Van Dam van Isselt, bibliothecaresse bij het Gemeentelijk Archief, in één chronologie ondergebracht en van een alfabetische index voorzien.
Voorts bevonden zich in het archief een aantal akten - voornamelijk charters -, waarvan de herkomst reeds vroegere archiefbeheerders niet duidelijk is geweest. Sommige van deze stukken bleken bij nadere beschouwing betrekking te hebben op het huizenbezit van de gemeente in de Jufferstraat en zijn daarom bij de nummers 152-153 ondergebracht. De overige akten kan men terugvinden in rubriek C.
De in het archief onder de nummers 156, 160-162, 165, 167, 169, 170 en 190 aangetroffen bouwtekeningen zijn in de Topografische Atlas van het Gemeentearchief Utrecht opgenomen. Afleveringen van Ons Maandblad en De Zondagsbode werden naar de Bibliotheek van het Gemeentearchief overgebracht.
Een lijst van predikanten is als bijlage toegevoegd.
J.G. Riphaagen
Literatuur
Addendum
Inventaris
1. Algemeen
2. Bijzonder
3. Stukken van onbekende herkomst
Bijlage
Lijst van predikanten
Kenmerken
Datering:
(1523) 1606-1971
Toegangstitel:
Inventaris van het archief van de doopsgezinde gemeente Utrecht (1523) 1606-1971
Auteur:
J.G. Riphaagen / A. Graafhuis
Datering toegang:
1973 / 2002
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen
Omvang:
10,82 m zuurvrije dozen
Rubrieken:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS