Uw zoekacties: Stichting Steun Kerkopbouw
x1474 Stichting Steun Kerkopbouw ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1474 Stichting Steun Kerkopbouw ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Stichting Steun Kerkopbouw * 
De Generale Synode van Rotterdam (1952) behandelde een brief van de particuliere synode van Zuid-Holland-Noord, waarin aandacht werd gevraagd voor het probleem van kerkbouw in snel groeiende nieuwe wijken van grote steden. Vanwege het ontbreken van de nodige gegevens ging de synode niet op dit schrijven in, maar gaf de particuliere synode wel in overweging contact te zoeken met andere kerken, die in gelijke omstandigheden verkeerden. Korte tijd later gebeurde dat ook: kerken uit de classes Amsterdam, 's-Gravenhage-Oost en -West en Rotterdam ontmoetten elkaar om oplossingen te zoeken voor de zgn. noodgebieden, waar dringend behoefte was aan kerkgebouwen en de nodige geldmiddelen ontbraken. Er werd een commissie gevormd, bestaande uit prof. dr. K. Dijk (Amsterdam-Zuid), ds. J. B. van der Sijs (Amsterdam-West), ds. Chr. W. J. Teeuwen (Diemen) en de zakenman R. Dooijes. De commissie legde contacten met de kerken in Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Dit initiatief leidde op 25 maart 1954 tot oprichting van Stichting Steun Kerkbouw (SSK) met als doelstelling: "het verlenen van steun aan die Gereformeerde Kerken in Nederland, die niet in staat zijn om zelve genoegzaam te voorzien in de door woningbouw ontstane behoefte aan nieuwe kerkgebouwen, pastorieën, vergader- en verenigingslokaliteiten, kosterswoningen en in het algemeen gebouwen ten dienste van het kerkelijk leven." Deze omschrijving gaf later wel enige moeilijkheden, omdat men niet had voorzien dat ook gereformeerde kerken in het buitenland zich zouden melden bij het stichtingsbestuur en ook steunaanvragen zouden binnenkomen voor gebouwen, speciaal bestemd voor het evangelisatiewerk. Maar ook deze aanvragen werden in behandeling genomen.
Voor de afhandeling van steunaanvragen ontwierp het bestuur een zorgvuldige procedure: een verzoek om steun werd eerst voorbereid door het dagelijks bestuur, vervolgens beoordeelde een commissie van advies de steunaanvraag en bracht daarover advies uit. Daarop nam het dagelijks bestuur een voorlopig besluit, dat tenslotte werd voorgelegd aan het algemeen bestuur. Het definitieve besluit over al of niet inwilliging van het verzoek werd uiteindelijk genomen door het algemeen bestuur.
Het stichtingsbestuur zette de geldwerving in met het voor die dagen grote streefbedrag van 1 miljoen gulden. Alle plaatselijke kerken werden aangeschreven. Om aan het streefbedrag te kunnen komen, werd van ieder gemeentelid een bedrag van fl. 1,50 gevraagd en daarmee was de eerste actie van de Stichting Steun Kerkopbouw van start gegaan, uiteraard ondersteund en aanbevolen door de generale synode. Voor de geldwerving richtte het bestuur zich ook op het bedrijfsleven. Grote bedrijven werden aangeschreven in de hoop, dat zij met forse giften over de brug zouden komen. Maar dat viel tegen. Een enkel bedrijf schonk fl. 500 gulden. Voor de tijd daarna moest het stichtingsbestuur het vooral hebben van door de generale synode aanbevolen landelijke collecten en extra acties zoals bijvoorbeeld de SSK 1 procent actie in 1961 (zie inv.nr. 62).
In de loop van de jaren kwam een nieuwe inkomstenbron in het vizier, namelijk overheidssubsidie. Hoewel een plaatselijke overheid hier en daar wel enige steun gaf, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de grondprijs, viel deze steun toch in het niet bij de grotere geldbedragen die later van de zijde van rijksoverheid werden verkregen. De Wet Premie Kerkbouw (officieel: "Wet van 29 november 1962 tot regeling van het verstrekken van een premie aan kerkgenootschappen ter zake van de stichting van kerkgebouwen") kende als voornaamste artikel, dat een kerkgenootschap voor het stichten van een kerkgebouw aanspraak kon maken op een door de overheid te verstrekken premie van 30 procent van de stichtingskosten, die nauwkeurig omschreven waren in de wet. Bij de uitvoering van deze wet was het bestuur van de Stichting Steun Kerkopbouw nauw betrokken door middel van een afvaardiging in de interkerkelijke Commissie van Advies (zie inv.nr. 71).
In 1964 hield een aantal samenwerkende kerkgenootschappen een grootscheepse interkerkelijke actie voor geldwerving ten bate de kerkbouw in Nederland onder de slogan: "Antwoord '64. Kerkbouwactie der Samenwerkende Kerken" (zie inv.nrs. 63 en 64). Het bestuur van de Stichting Steun Kerkopbouw was ook hier vertegenwoordigd door een afvaardiging vanuit het bestuur in het organiserend comité.
Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw stond de Stichting Steun Kerkopbouw voor een belangrijke beleidswijziging, omdat er geen groei meer in de kerkbouw zat. Het kerkbezoek ging verontrustend achteruit, vooral in het westen van het land, en ook liep het aantal leden van de kerken terug. De behoefte aan kerkgebouwen met vele honderden zitplaatsen slonk tot bijna het nulpunt. Het bestuur richtte zich toen meer en meer op steun aan plaatselijke kerken, die hun gebouwen moesten aanpassen, renoveren of vervangen dan wel nieuwe kerkgebouwen gingen realiseren in samenwerking met andere kerkgemeenschappen. Eind jaren zeventig moest het bestuur opnieuw de koers enigszins aanpassen. Kerken die vanwege onverwachte ontwikkelingen van de woonomgeving of van het kerkelijk leven niet meer konden voldoen aan hun financiële verplichtingen, konden toen ook in aanmerking komen voor steun bij het aflossen van hun hypotheken, zij het onder stringente voorwaarden. Kerken die te kampen hadden met achterstallig onderhoud kwamen niet in aanmerking voor een financiële bijdrage of lening, hoewel daar eind jaren tachtig weer verandering in kwam. Onder bepaalde voorwaarden kon eveneens financiële steun worden verleend bij uitbreiding en renovatie van bestaande projecten.
De doelstelling is toen als volgt omschreven:
"Aan gereformeerde kerken in Nederland financiële steun te verlenen ten behoeve van:
- nieuw te bouwen kerkelijke centra, ook indien deze gebouwd worden samen met andere kerkgenootschappen
- aanpassing en/of uitbreiding van bestaande kerkgebouwen aan de huidige behoeften en eisen onder andere als gevolg van een groei of afname van het ledental
- het verminderen van schulden op kerkgebouwen in die gevallen, door onvoorziene omstandigheden anderszins zonder hun schuld in financiële problemen zijn gekomen
- groot onderhoud van kerkgebouwen van die kerken die door bijzondere omstandigheden onvoldoende financiële middelen hebben kunnen reserveren en deze ook op korte termijn niet in voldoende mate bijeen kunnen brengen."
Ten behoeve van pastorieën, kosterswoningen en orgels werd toen geen steun meer verleend.
Aan het einde van 1976 ontving het bestuur van de stichting het verzoek van de generale synode om met het deputaatschap 'Onderlinge Bijstand' te overleggen over een bundeling van de werkzaamheden. In dit deputaatschap zou de Stichting Steun Kerkbouw als een sectie kunnen worden opgenomen naast een sectie 'onderlinge bijstand'. In het stichtingsbestuur waren voor- en tegenstanders van deze mogelijkheid, maar uiteindelijk ging de meerderheid van het bestuur akkoord met de samenvoeging. Voordelen waren dat de beide secties rechtstreeks contact konden onderhouden over elkaars beleid en gemakkelijk onderling gegevens konden uitwisselen over steunaanvragen. Het bestuur van de Stichting Steun Kerkbouw bleef wel verantwoordelijk voor de eigen besluiten. De synode van Zwolle (1977/1978) besloot in 1978 dit plan te effectueren. Met ingang van 1 januari 1979 werd de stichting dus onderdeel van het deputaatschap Onderlinge Bijstand. Het gehele deputaatschap ontving als algemene opdracht financiële steun aan kerken en kerkelijke organen, instellingen en stichtingen te verlenen ten behoeve van het functioneren van het kerkelijk leven als zodanig, hetzij als bijdrage in de stichtingskosten en/of exploitatie van een bouwproject. Het stichtingsbestuur werd voor het door haar gevoerde beleid verantwoording schuldig aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken en was daarmee terecht gekomen in de landelijke organisatie van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
In oktober 1999 is het werk van het deputaatschap Onderlinge Bijstand, waaronder dat van de Stichting Steun Kerkbouw, overgedragen aan de nieuwe landelijke Samen-op-Weg organisatie, te weten het Landelijk Dienstencentrum van de Samen-op-Weg Kerken te Utrecht, sinds 1 mei 2004 de arbeidsorganisatie van de toen ontstane Protestantse Kerk in Nederland.
Archief en inventarisatie
Addendum
Inventaris
thumbnail
Kenmerken
Datering:
1954-2000
Toegangstitel:
Inventaris van het archief de Stichting Steun Kerkopbouw van de Gereformeerde kerken in Nederland 1954-2000
Auteur:
B.W. Jagt en C.J. de Kruijter
Datering toegang:
2009
Datering bewerking:
2010
Openbaarheid:
Op het archief is een openbaarheidsbeperking van 25 jaar van toepassing
Rechtstitel:
Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen
Omvang:
11,5 m
Rubrieken:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS