6
Tiendcommissies
Inleiding
Archieven en inventarisatie sluiten
6 Tiendcommissies
De administratieve uitvoering van de tiendwet is met zorg voorbereid door een interdepartementale commissie. Bij aanschrijving van 8 januari 1909 nr. 47 afd. domeinen gaf de minister van landbouw voorschriften aan de secretarissen der commissies. De secretaris moest bijhouden: a. een dagboek, b, een register van ingekomen aangiften met bijboeking van alle stadia der behandeling, c. een verwijslijst der zaken naar het aangifteregister en de dossiers. Later blijkt dat er ook een notulenboek werd gehouden, althans door sommige commissies. De bescheiden moesten dossiersgewijs worden bewaard: voor elk tiendrecht een dossier. De inhoud van elk dossier diende chronologisch gerangschikt te zijn en elk dossier kreeg een doorlopend volgnummer.
Toen de zaak eenmaal goed op gang was rezen er in de Tweede Kamer vragen aangaande de archiefbewaring en het archiefbeheer bij de tiendcommissies, zulks in verband met het feit dat de belanghebbenden hun onvervangbare bewijsstukken aan de commissies moesten overleggen. In Utrecht werd bergruimte in een bankgebouw gehuurd. Na afdoening van het dossier dienden de belanghebbenden hun ingeleverde bewijsstukken terug te krijgen en wat er dan nog van de dossiers over was (dus aangiften, eventuele bezwaarschriften, schattingsstaten, uitspraken, arresten in beroep en eventuele administratieve bescheiden) moest door de secretaris van de tiendcommissie gezonden worden aan de controleur der grondbelasting in wiens district het tiendrecht, of het grootste deel daarvan, gelegen was. Deze beslissing was doelmatig, waar immers de controleurs voor de aanslag der tiendrenten de gegevens der tiendcommissies nodig hadden.
Voor het algemene gedeelte der commissiearchieven, zoals notulenboeken, registers van aangiften, correspondentie, stafkaarten enz. bleef de bij aanschrijving van 27 februari 1913 gen. thes. nr. 54 nader onderlijnde verplichting tot inzending aan het ministerie van financiën van kracht. Wat uiteindelijk is overgebleven van het materiaal, dat de tiendcommissies bij hun ontbinding (Utrecht is ontbonden bij K.B. van 16 mei 1918 nr. 14, Rotterdam bij K.B. van 17 okt. 1918 nr. 58) onder zich hadden is betrekkelijk gering. De originele titels, bewijsstukken en kaarten, die aan de rechthebbenden zijn teruggegeven, worden soms in familiearchieven teruggevonden, maar zijn in vele gevallen verloren geraakt. De kernbestanddelen van de commissiearchieven, de notulenboeken etc., zijn (behalve voor het tienddistrict Arnhem) op het ministerie van financiën opgeborgen in een grote kist op een afgelegen zolder en daar bij een opruiming krachtens luchtbeschermingsvoorschriften in de Tweede Wereldoorlog verdwenen. De uitspraken van de commissies met de daartoe direct betrekkelijke stukken, zijn op grond van een ministerieel schrijven van 28 juli 1949 nr. 45 (organisatie van de belastingdienst) door de hoofden van de controle op de grondbelasting naar de rijksarchiefbewaarplaatsen overgebracht.
Bij de ordening van deze bescheiden zijn de dossiers uiteraard gehandhaafd, maar in alfabetische volgorde der gemeenten gebracht. Verder is steeds ten gerieve van het historisch geografisch onderzoek (op dit punt hebben de archieven hun belangrijkste waarde) de naam van het tiendrecht en de onderverdeling in blokken gegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat verschillende blokken, in vroeger eeuwen deel van een groter geheel, een zelfstandig leven zijn gaan leiden als een afzonderlijk tiendrecht.
De raadpleger van de hier geïnventariseerde archivalia dient overigens te bedenken dat deze voor het in kaart brengen van de tiendrechten niet volledig zijn. Niet alle vroegere tiendrechten bestonden nog in 1907 en niet van alle toen bestaande tienden zijn door de rechthebbenden bij de commissies aangifte gedaan.
Inventaris
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||





Tiendcommissies 1909-1938