18-2
Strafinrichting te Rhenen
Inleiding
Wettelijke regelingen 1838-1886
18-2 Strafinrichting te Rhenen
De reorganisatie van het gevangeniswezen van 1821, die overigens pas in 1838 van kracht werd, bracht de volgende veranderingen met zich mee. De gevangenissen werden onderverdeeld in drie klassen: 1. Huizen van correctie, bestemd voor de opname van korrektioneel gestraften tot meer dan 4 á 6 maanden gevangenisstraf. 2. Huizen van reclusie en tuchtiging, tot opsluiting van krimineel veroordeelden. Militairen die tot een onterende gevangenisstraf waren veroordeeld en niet meer in de militaire stand konden worden gehandhaafd werden eveneens hierin geplaatst. 3. Huizen van militaire detentie, bestemd voor militairen uitgezonderd de bovengenoemde kategorie. Behalve deze gevangenissen waren er: 4. Huizen van arrest. 5. Huizen van justitie. 6. Provoosthuizen. 7. Huizen van bewaring.
De huizen van arrest, de huizen van justitie en de provoosthuizen dienden tot het in verzekerde bewaring stellen van personen die van misdaad of wangedrag werden beschuldigd. Waar de drie huizen in één en dezelfde stad voorkwamen werden zij zo mogelijk samengevoegd tot een burgelijk en militair huis van verzekering. Dit gekombineerde huis diende tevens voor burgelijke en militaire gevangenen, die tot minder dan 4-6 maanden waren veroordeeld en voor disciplinair gestrafte militairen. De huizen van bewaring, waartoe ook de maison de police municipale, maison de passage en maison de sûreté gerekend werden bleven dienen voor dezelfde doeleinden als vroeger. Gevangenen met een vonnis van maximaal één maand, gegijzelden wegens schulden en personen, op verzoek van de familie in hechtenis genomen wegens verkwisting of wangedrag werden eveneens hier ondergebracht.
Onder de supervisie van het departement van justitie oefenden de provinciale gouverneurs toezicht uit over alle gevangenissen en huizen van bewaring in hun ressort. Iedere gevangenis werd door een kollege van regenten of, voor de grotere, door een kommissie van administratie bestuurd. Bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1822 werd een instruktie voor deze kolleges en kommissies vastgesteld. Ook de positie van het personeel werd geregeld. Het reglement van organisatie en bezoldiging van het personeel der gevangenissen, vastgesteld bij K.B. van 11 december 1822, gaf bepalingen over de samenstelling van het personeel. In de burgelijke en militaire huizen van verzekering was een cipier en per 75 man een knecht of bewaarder. De huizen van arrest kenden eveneens een cipier en verder een knecht of bewaarder, mits er minimaal tien gevangenen waren. De cipiers werden benoemd door de koning op voordracht van de minister van justitie en na voorafgaande nominatie door de gouverneur, Voor de overige posten doen de kolleges van regenten voorstellen aan de gouverneur. Vanaf 1856 heetten de cipiers in de huizen van verzekering in de hoofdplaatsen van de provincies direkteur, vanaf 1886 allen gestichtshoofden. Van 1816 tot 1823 ressorteerde het gevangeniswezen onder het departement van justitie. Daarvoor en van 1823 tot 1842 onder dat van binnenlandse zaken. Met ingang van 1 juli 1842 kwam het blijvend onder justitie.
Inventaris
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||





Kollege van toezicht over het huis van bewaring te Rhenen 1848-1878