Uw zoekacties: Archief van het Kapittel van de H. Petrus te Sint Odiliënber...
x14.A002B Archief van het Kapittel van de H. Petrus te Sint Odiliënberg, sinds 1361 Kapittel van de H. Geest te Roermond, sinds 1569 Kathedraal Kapittel (858) 1297-1797 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

14.A002B Archief van het Kapittel van de H. Petrus te Sint Odiliënberg, sinds 1361 Kapittel van de H. Geest te Roermond, sinds 1569 Kathedraal Kapittel (858) 1297-1797 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
1. Geschiedenis van het kapittel
2. Geschiedenis van het archief
3. Verantwoording van de inventarisatie
Regestenlijst
3 1297 november 29 “anno Domini millesimo ducentesimo nonagesimo septimo in vigilia beati Andree apostoli”

Gerardus genoemd de Melke, schout, Godefridus genoemd Lidbecker, Henricus de Foro, Johannes de Pasche en de overige schepenen van Odiliënberg verklaren dat wijlen Theodercius de Lobbroc, pastoor te Wessem, zijn tiende te Overho aan de kerk te Odiliënberg ter dotatie van het Maria Magdalena-altaar in zijn uiterste wil had gelegateerd.
Zij verklaren voorts dat Katharina, weduwe van Gerardus de Utwike, ridder, en hun kinderen Godefridus, Winmarus, Gerardus, Theodericus en Megtildis een rente van vier malder rogge en vier malder haver ten laste van hun goederen te Odiliënberg bij de plaats geheten Vosloc ten behoeve van genoemd altaar hadden geschonken. Zij deden dat in aanwezigheid van Wernerus de Dasselre en van Winricus, zoon van wijlen Swaef, getrouwen van de graaf.
Zij verklaren dat de kinderen van wijlen Covo de Berge, te weten Henricus, Theodericus, Wilhelmus, Johannes en Gerardus, een rente van twee malder rogge, twee malder haver en twee schelling ten laste van hun goederen geheten Vosloc of Corfgaet aan de genoemde kerk ten behoeve van genoemd altaar hebben overgedragen.
Vervolgens heeft Theodericus, zoon van wijlen Covo, die door het kapittel van Odiliënberg krachtens het vergevingsrecht van Ge., proost van het kapittel, voor dit altaar is voorgedragen, beloofd de koordiensten bij te wonen en, zodra hij tot priester is gewijd, aan het altaar de mis te lezen.
Bezegelaars: Het kapittel van Odiliënberg, Godefridus, deken te Aken, Gerardus de Kerreke en Theodericus, voogd te Roermond.

31 1361 mei 12 “anno Dominice nativitatis millesimo trecentesimo sexagesimo primo mensis maii die duodecima”

Engelbert, bisschop van Luik, verklaart dat de kanunniken van het kapittel van de H. Petrus te Odiliënberg hem verhaald hebben dat zij hun leven en goed niet zeker zijn op deze verlaten plaats en hem hebben verzocht het kapittel over te brengen naar de stad Roermond die van de Luikse kerk in leen wordt gehouden, en wel naar de kapel van de H. Geest die dan tot kapittelkerk verheven moet worden. Aangezien de proost van het kapittel van Odiliënberg die het vergevingsrecht van de prebenden bezit, de bisschop van Utrecht die het vergevingsrecht van de proost bezit, Reinald hertog van Gelder en zijn broer Eduard, evenals Godefridus de Elmpt, pastoor van de parochiekerk te Roermond die het vergevingsrecht van de kapel bezit, en Reinaldus de Ursinis, diaken-kardinaal en aartsdiaken van Kempenland, hun goedkeuring hebben gegeven, brengt Engelbert het kapittel over naar Roermond en verheft de kapel van de H. Geest tot kapittelkerk.
Het kapittel krijgt de toestemming om alle (roerende) goederen over te brengen naar Roermond. De bisschop van Utrecht behoudt het vergevingsrecht van de proosdij, de proost het vergevingsrecht van de prebenden. De Utrechtse kerk behoudt haar rechten, met name de schenking van de plaats Odiliënberg door Lotharius, rooms-keizer.
In de kerk van de H. Petrus te Odiliënberg en de kapel van de H. Maria zullen drie priesters blijven, te weten de pastoor, de kapelaan van de altaren van de H. Catharina en de H. Maria Magdalena, en de koster.
De vice-deken, aartsdiaken en kapittel van Luik verklaren dat het bovenstaande met hun goedkeuring geschiedt.

59 1390 maart 7 “in ’t jair ons Heren 1300 negentich des zevenden daechs in den maende meertz”

Dederyc Bake, rechter, en Johan Averecht en Dederyc van den Grynde, schepenen te Roermond, verklaren dat Geraert van Muggenbroke, priester, kanunnik in de H. Geest te Roermond, heeft overgedragen aan het kapittel van de H. Geest, ten behoeve van de prebende die Conradus van Muggenbroke en Gertruyt en hijzelf hebben gesticht, zijn groot huis naast zijn klein huis en het huis van Godart Reesmans. Voorts heeft hij aan het kapittel de volgende renten overgedragen, te weten een rente van twee gouden schilden ten laste van het huis en twee raamsteden van Henke Mulrepasch de touwslager in der Stegen, een rente van drie gouden schilden ten laste van het huis van Weltger Watelz aan de Roer dat voorheen aan Johan van der Boverien toebehoorde, een rente van een Rijnse gulden ten laste van het huis van Gerart Schelen de pelser van Venlo tegenover de H. Geest.
Voorts heeft hij aan het kapittel overgedragen akten betreffende de volgende renten, te weten een rente van vier oude schilden ten laste van het huis van wijlen Gerart van der Koken, nu behorend aan Wynant van den Fellenorde, een rente van twee gouden Brabantse dubbele mottoenen ten laste van het huis en de kamer van Katherijne Hugelijns aan het kerkhof van de H. Geest, een rente van twee gulden ten laste van de huizen van Geraert Schelen de pelser en Rut van Halen dat wijlen Johan Quynckartz toebehoorde, een rente van twee gulden ten laste van het huis van Jacop Keyns, een rente van vier kapoenen ten laste van het huis van wijlen Frederick Holtsniders te Zwartbruke, een rente van twee gouden schilden ten laste van de stad Roermond afkomstig van het huis van Baetze [Cloets] en een rente van 7½ paar koren en 7½ kapoen ten laste van goederen te Ole.
Medebezegelaars: Geraert van Muggenbroke en het kapittel van de H. Geest.

139 1430 juni 1 “anno a nativitate Domini millesimo quadringentesimo tricesimo indictione octava die vero prima junii”
Hilbrandus Sterck, prior van het klooster Sint Elisabeth, laat aan de bisschop van Luik en alle belanghebbenden weten dat door het kapittel van de H. Geest te Roermond een akte van paus Martinus V is getoond, waarvan hij een vidimus geeft.
Ter uitvoering van deze akte heeft hij Arnoldus, proost van de H. Geestkerk, en andere belanghebbenden gedaagd en het onderzoek verricht en op grond daarvan de waardigheid van deken als tweede waardigheid in de H. Geestkerk ingesteld. Vervolgens heeft hij de parochiekerken van Vlodrop, Odiliënberg en Steinkirchen in de dekenij en kapittel geïncorporeerd en in elke parochie een pastoor geïnstalleerd die belast is met de zielzorg.
Voor de pastoor van Vlodrop reserveert hij de pastorie, de kleine tienden alsmede gedeelten van de grote tienden te Rure tussen Hertzighenstege en het bos Wolfhage en van de Rure Nynhemmer Oye. De overige grote tienden behoren aan de deken en het kapittel die verplicht zijn het koor van de kerk te onderhouden.
Voor de pastoor in Odiliënberg reserveert hij de pastorie en de grote en kleine tienden in Odiliënberg en Melick. Aan de deken en het kapittel behoren de grote en kleine tienden van Odiliënberg in Montfort. Zij zijn verplicht het koor van de kerk in Odiliënberg te onderhouden.
Voor de pastoor van Steinkirchen reserveert hij de pastorie en de kleine tienden en een gedeelte van de grote tienden. De andere delen van de grote tienden behoren aan de deken en het kapittel. Zij zijn verplicht het koor van de kerk te onderhouden.
153 1434 maart 13 “anno a nativitate Domini millesimo quadringentesimo tricesimo quarto indictione duodecima mensis martii die decima tertia”
Bruno de Boechem, kanunnik te Luik, laat aan de bisschop van Luik, de proost, deken of vice-deken en het kapittel van de H. Geest en alle belanghebbenden weten dat door Sibertus de Herkenbosch een akte van Julianus, diaken-kardinaal en legaat in Duitsland, is getoond waarvan hij een vidimus geeft.
Ter uitvoering van deze akte heeft hij de proost, deken en kapittel van de H. Geest en andere belanghebbenden gedaagd, waarop genoemde Sibertus en Emondus de Griende, deken van het kapittel, verschenen. Sibertus verklaarde dat hij ten behoeve van de prebende had geschonken een huis te Roermond op der Bruggestraten bij de poort, de hof te Hoeboert in de parochie Linne en vier bunder akkerland aldaar, en een derde gedeelte van de hof van Buggenum. Ten behoeve van de cantorij had hij geschonken een rente van een halve mark ten laste van het huis van Johannes de Griende de jonge, een rente van een kapoen en een halve mark ten laste van het huis van Petrus Fabri bij Bethelem en een rente van vijf schelling ten laste van de stad Roermond. Hij beloofde voorts dat, wanneer hij zijn beide zusters zou overleven, hij uit de nalatenschap twintig malder rogge erfpacht uit de tienden van Sevenum, tien malder pacht ten laste van landerijen te Vurst, een huis te Roermond tegenover de H. Geestkerk, negen vat rogge ten laste van de molen van Johan Hillen, twee morgen weiland te Melick en tweederde gedeelte van de hof te Buggenum ten behoeve van de prebende en cantorij zal geven in de verhouding 2 : 1.
Het vergevingsrecht van de prebende en cantorij komt toen aan Godefridus Hillen, gehuwd met zijn zuster Mette, en hun kinderen en daarna aan zijn zuster Elisabeth.
Bruno de Boechem sticht aldus het ambt van cantor en de prebende met toestemming van de deken Emundus.
168 1438 maart 17 “in ’t jair ons Heren dusent vierhondertachtendederttich op sent Gertrudendach virginis”
Theodericus Pollaert, deken, kanunnik en vice-proost van de H. Geest te Roermond, Rycwinus van Broeck en Alardus Ludinck, kanunniken en gezworen mannen van de proost, verklaren dat Heinric van Loeven en Ermgarde hebben overgedragen aan de deken van het kapittel, ten behoeve van de presentiën, de hof in ghen Dael te Odiliënberg. Voorts hebben Heinric van Loeven en Ermgard een ruiling aangegaan met Johan van Kessel, rector van het Sint-Johansaltaar in de H. Geestkerk, waarbij Johan van Kessel een tiende verwerft voor de hof Averen, te weten de lammer- en varkenstiende op de hof Averen en de korentiende die zich uitstrekt van de grote eik naar Averen op ’t Korffgaet en van dezelfde grote eik naar de Roer, recht op de Woeste Schuyre. De hof in den Dael, de genoemde tienden en de tienden die Johan van Baexen bezit, vormen een leengoed van de proost als vermeld in de getransfigeerde akten.
Tegen de geruilde tienden verwerft Heinric van Loeven een perceel land, toebehorend aan het Sint-Johansaltaar, te Ool geheten Daelmans laeck en gelegen tussen Schenken baent en Coppelweyde, alsmede een rente van 3½ mark ten laste van de Lombardijen te Roermond waarvan twee mark aan het Sint-Johansaltaar toebehoort en 1½ mark aan het H. Geestaltaar. De rector van het H. Geestaltaar zal tenslotte voor deze 1½ mark door ruiling uit de renten van het Sint-Johansaltaar ontvangen vijftien schelling ten laste van het huis van Hencken Cruytz achter der Cloester muyren en drie schelling ten laste van het huis dat voorheen toebehoorde aan Mathijs van der Craken, kanunnik in de H. Geest, in der Stegen.
Bezegelaars: Theodericus Pollaert, Rycwinus van Broeck, Johan Herkenbosch, het kapittel van de H. Geest, Johan van Kessel en Heinric van Loeven.
175 1443 juni 26 “anno a nativitate Eiusdem millesimo quadringentesimo quadragesimo tercio indictione sexta die vero vicesima sexta mensis junii”
Cristianus de Erpell, doctor in de rechten, proost van de H. Maria ad Gradus te Keulen, en Johannes Pollart, licentiaat in de beide (rechten), proost van de H. Walburgis te Arnhem en kanunnik van Sint Andreas te Keulen, executeurs-testamentair van Johannes de Lovania van Roermond, doctor in de beide rechten, proost van het kapittel van de H. Victor te Xanten en kanunnik van de kerk te Keulen, stellen met toestemming van de afwezige executeurs-testamentair Johannes Tollener, kanunnik te Spiers, en Jordanus de Baest, kanunnik te Luik, statuten vast voor het door Johannes de Lovania gestichte Sint-Hieronymuscollege voor studenten van de universiteit te Keulen.
In het huis zullen acht studenten zijn die artes, medicijnen, kanoniek en civiel recht en theologie studeren. Zes van hen zijn geboortig van Roermond, waarbij de nakomelingen van Johannes broer Henricus de voorkeur genieten. Een van de acht is rector geboortig van dezelfde plaats en één is afkomstig uit de stad Erpel. Bij de laatstbedoelde hebben de nakomelingen van de broers en zusters van de proost Cristianus de voorkeur en vervolgens die van de broers en zusters van Henricus de Erpell, proost van Sint Severinus te Keulen.
De executeurs-testamentair hebben overeenkomstig het testament eerst Johannes de Lovania, de zoon van de broer van de testateur, gepresenteerd, maar die wilde daar niet gaan wonen. Bij gebrek aan nakomelingen hebben de executeurs-testamentair vervolgens Godefridus Milter, kanunnik van het kapittel van de H. Geest, meester in de artes, Thomas Fabri de Elmt, baccalaureus in de beide rechten, Johannes Bruwer de Erpell, kanunnik van de H. Maria ad Gradus te Keulen, Theodericus Huyshaven, Hugo Tollener, Conradus Dalen, Johannes Bruwer en Petrus Symonis, allen geboren te Roermond, gepresenteerd.
255 1483 augustus 20 “anno a nativitate Eiusdem millesimo quadringentesimo octuagesimo tertio indictione prima die vero vicesima mensis augusti”
Voor notaris en getuigen maakt Wynandus Haecken, priester, zijn testament. Hij wil begraven worden in de H. Geestkerk te Roermond voor het altaar gewijd aan de heiligen Silvester, Servatius, Martinus en Severinus op welke altaar wekelijks zes missen moeten worden gelezen. Voor de beide door hem gestichte officies heeft hij renten gekocht van zestien Rijnse gulden ten laste van de goederen van Wilhelmus de Elmpt te Echt en van acht Rijnse gulden ten laste van goederen te Erkelenz waarvan zijn zuster het vruchtgebruik heeft, voorts een rente van acht Rijnse gulden ten laste van de goederen van Rugerus aen den Ende te Thorn, een rente van twaalf Rijnse gulden te betalen door Theodricus Cruchten alias Hugen, een rente van 21 Rijnse gulden ten laste van de visserij van Wilhelmus de Vlodorp bij Roermond en een rente van zes Rijnse gulden ten laste van goederen van Marcelius van Wessem.
Ten behoeve van de presentiën van de bezitters van beide officies kocht hij een rente van twee Rijnse gulden ten laste van het huis van Gerardus Bijns in vico Pontis (Brugstraat) en een rente van twee Rijnse gulden ten laste van de stad Roermond.
Na zijn dood en die van zijn zuster zullen beide officianten wonen in zijn huis, terwijl de bedienaar van het altaar in het aangrenzende huis woont. Het vergevingsrecht van beide officies komt toe aan de deken en de twee oudste kanunniken en aan de burgemeesters en de twee oudste schepenen van Roermond.
Voor de vier koralen kocht de testator een rente van negen Rijnse gulden bij het kapittel, een rente van twaalf Rijnse gulden bij de stad Erkelenz en een rente van drie Rijnse gulden bij de stad Roermond. Voor het dagelijkse Marialof heeft hij een rente van twee Rijnse gulden gekocht.
285 1492 juni 12 “anno Domini millesimo quadringentesimo nonagesimo secundo duodecima die mensis junii”
Johannes de Novimagio, deken van het kapittel van de H. Geest te Roermond, maakt zijn testament. Hij wenst begraven te worden in de H. Geestkerk bij het graf van zijn zuster Berte. Hij stelt renten ten laste van het graafschap Horn, de stad Sittard en de hof van Gerardus de Broeckhusen te (Maas)Bracht ter beschikking van zes wekelijkse missen op het altaar van de H. Rumoldus in de H. Geestkerk, de presentiën en andere goede doelen.
Hij benoemt zijn neef Costinus de Dadenberch, zoon van zijn nicht Elizabeth, tot universeel erfgenaam. Hij legateert hem een rente ten laste van de stad Bree die voorheen aan zijn zuster Berte toebehoorde, waarvan het vruchtgebruik echter ten dele toe zal komen aan Costinus moeder Elizabeth en aan Anchinus, moniaal in Sint Mauricius. Zijn roerende goederen en kleinodiën laat hij voor de helft na aan genoemde Costinus, met uitsluiting van zijn moeder Elizabeth en haar echtgenoot Fredericus, en voor de andere helft aan de erfgenamen van vaderszijde.
De kinderen van Gerardus de Neil, voorheen inwoner van Nijmegen, te weten meester Elbertus, nu burger te Roermond, en zijn broers en zusters, en Arnolda Wynantz de Venlo, en haar broers en zusters, als erfgenamen van de vader van de vader van de testateur, en de kinderen van Henricus Roderis, voorheen burger van Roermond, en de kinderen van wijlen Petrus Laten, wonend in het land van Cuijk, als erfgenamen van de moeder van zijn vader, zullen erven het stenen woonhuis van de testateur, een rente van drie malder rogge te Maasniel, een tuin extra porta Neillensis (buiten de Nielderpoort), de helft van de renten ten laste van huizen retro Murum claustri (achter Kloosterwand), in Foro sub divo seu leuve (op de Markt, onder aan de Luif), de Veltstraet, de Steenwech, in bassa platea Hegstraet (de Lage Hegstraat), de helft van vier huisjes op den Poel,
298 1496 februari 3 “anno a nativitate Domini millesimo quadringentesimo nonagesimo sexto indictione quarta decima die vero mercurii tercia mensis februarii”
Voor Leonardus de Prumeren, conservator van de rechten en privileges van de universiteit te Keulen, werd een procedure gevoerd tussen Theodericus de Hushoeven, baccalaureus in de rechten en kanunnik van het kapittel van de H. Geest te Roermond, enerzijds en de deken of vice-deken en kanunniken van genoemd kapittel anderzijds. Uiteindelijk droegen Theodericus de Hushoeven alsmede Johannes Gellen, vice-deken, Henricus Tolner en Johannes Benedicti, kanunniken, namens het genoemd kapittel, de beslissing van de geschillen op aan scheidslieden, te weten Tilmanus Slecht, doctor der decreten, proost van de Apostelenkerk te Keulen, Johannes de Dalen, licentiaat in de decreten, advocaat van het hof te Keulen, en Henricus Hushoeven, baccalaureus in de rechten.
In aanwezigheid van notaris Gortfridus Tzevel de Floverich en de getuigen Johannes Fabri de Ruremunda, Petrus de Gutzenraid en Hermannus Gravenkamp de Tremonia deden de scheidlieden de volgende uitspraak: Theodericus van Hushoeven zal zijn prebende als vanouds met alle inkomsten genieten. Deken en kapittel zullen hem als oudste kanunnik op waardige wijze behandelen. Indien hij resideert en aan het officie deelneemt, heeft hij deel aan de presentiën en uitdelingen. Hij ontvangt binnen twee weken de helft van de presentiegelden waarop hij recht meent te hebben, de vordering die aanleiding gaf tot het proces.
Kenmerken
Datering:
(858) 1297-1797
Auteur:
G. Venner
Inventaris:
Inventaris van het archief van het Kapittel van de H. Petrus te Sint Odiliënberg, sinds 1361 Kapittel van de H. Geest te Roermond, sinds 1569 Kathedraal Kapittel (858) 1297-1797
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS