0167
Gemeentebestuur Gendringen, 1811-1940
Inleiding
Historisch overzicht van de bestuurlijke organisatie De gemeente Gendringen 1.1.6.2. 1851 - 1941
0167 Gemeentebestuur Gendringen, 1811-1940
Ingevolge de grondwet van 1848 kwam het tot een wijziging van de Nederlandse staatsinrichting. De volksinvloed op het bestuur werd vergroot door de invoering van rechtstreekse verkiezingen van de Tweede Kamer, de provinciale staten en de gemeenteraden. De gemeenteraad, het vertegenwoordigde lichaam van de plaatselijke burgerij, werd aan het hoofd van het gemeentebestuur geplaatst. Het kiesrecht, aan een censusnorm verbonden, was aanvankelijk alleen voorbehouden aan manspersonen. Voor het kiesrecht van de Gendringse raad schreef de kieswet voor dat jaarlijks minimaal tien gulden aan directe rijksbelastingen moest worden betaald. Voor kamer- en staten-verkiezingen gold het dubbele bedrag. *
De heerlijke rechten aangaande de voordrachten van bestuurders en ambtenaren kwamen te vervallen. *
Verder schreef de grondwet voor dat de bestuursorganisatie bij wet geregeld diende te worden. Voorheen gebeurde dat door bij koninklijk besluit vastgestelde reglementen. De functie van districtscommissaris werd eind 1850 opgeheven. *
De gemeentewet van 29 juni 1851 (Staatsblad 1851, nr. 85) regelde de samenstelling, inrichting en bevoegdheid van de gemeentebesturen. De verschillen tussen de organisatie van stedelijke gemeenten en plattelandsgemeenten kwamen te vervallen. Het bestuur van de gemeente werd in handen gesteld van de raad, de burgemeester en de wethouders. De burgemeester, tevens voorzitter van de raad, werd voor de tijd van zes jaar door de koning benoemd. Mits verkozen kon de burgemeester deel uitmaken van de raad. De achtereenvolgend te Gendringen benoemde burgemeesters D.L. van Woelderen, J.W. van de Laar en J.M.L. Bellaard werden gekozen tot raadslid. De wethouders, voorheen 'assessoren' genoemd, met de burgemeester het dagelijks bestuur vormend, werden door en uit het midden van de raad voor de tijd van zes jaar benoemd. Iedere drie jaar trad één wethouder af en was direct herbenoembaar. Gemeenten met minder dan 20.000 inwoners, waaronder Gendringen met haar 5270 zielen, kregen twee wethoud ers. *
De raadsleden hadden gedurende zes jaren zitting. Jaarlijks trad een zesde deel van de raad af. De aftredenden waren direct herkiesbaar. Het aantal raadsleden, afhankelijk gesteld van het aantal inwoners, werd voor Gendringen bepaald op negen. Als gevolg van de bevolkingsgroei breidde dit aantal zich in 1873 uit tot tien, vervolgens tot elf in 1890, tot dertien in 1901 en tot vijftien in 1931. *
In 1851 voldeden 213 mannelijke inwoners aan de bij wet gestelde normen voor het kiesrecht van de gemeenteraad. *
Door verruiming van deze normen werd het aantal kiezers successievelijk vergroot. De eerste noemenswaardige aanwas van het kiezersbestand had plaats in 1888 toen de kieswet, naar aanleiding van de nieuwe grondwet van 1887, de voorwaarden voor het kiesrecht versoepelde (staatsblad 1887, nr. 212). In de gemeente Gendringen leidde dat tot een groei van het aantal kiezers van 203 in 1887 naar 500 in 1888. Bij wet van 1896 (staatsblad 1896, nr. 154) kwam een nieuwe regeling van het kiesrecht tot stand. Het kiezerspotentieel voor de gemeenteraad, dat in 1896 inmiddels 565 manspersonen telde, steeg daardoor tot 972 in 1897. Na de grondwetsherziening van 1917 werd het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, met het gevolg dat het aantal kiezers voor de raad steeg van 1560 in 1917 naar 2013 in 1918. In 1919 werden ook de vrouwen bedeeld met het kiesrecht, zodat in 1920 3822 ingezetenen als kiesgerechtigd konden worden genoteerd. *
Bij de gemeenteraadsverkiezing van 1923 resulteerde het nieuwe kiesrecht in de verkiezing van de eerste vrouw in de raad van de gemeente Gendringen. De Ulftse Anna Maria Theodora Reigers 'juffrouw Anna' was gedurende één termijn, tot in 1927, lid van de raad. Als gevolg van de wijziging van de grondwet in 1917, waarbij ook het begrip 'evenredige vertegenwoordiging' in het staatsbestel werd geïntroduceerd, werd in de kieswet de zittingsduur van de raadsleden verkort van zes tot vier jaren. Om de vier jaar, voor het eerst in 1919, werd de gehele raad aftredend, waarna alle raadsleden in principe herkiesbaar waren. In 1941 kwam onder de Duitse bezettende macht tijdelijk een eind aan het aldus ontwikkelde gemeentelijke bestuur. Bij verordening van de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied van 12 augustus 1941 werden de taken van de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders toegewezen aan de burgemeester. *
Dientengevolge kwam de gemeenteraad op 19 augustus van dat jaar voor het laatst onder bezettingstijd bijeen. Na de bevrijding in 1945 werd de bestuursinrichting van voor de oorlog hersteld.
Inventaris
Bijlagen
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||








Commissie weg Dinxperlo-Bontebrug