500
Rekenkamer van Zeeland, Rekeningen Henegouws-Beierse Tijdvak (1319-1432)
Inleiding
De herkomst van de in den achterstaanden inventaris opgenomen rekeningen en stukken is door Mr. Fruin in de inleiding tot den inventaris van "De rekeningen en andere stukken in 1607 uit de Hollandsche rekenkamer naar de Zeeuwsche overgebracht. Het Bourgondisch-Oostenrijksche tijdvak, 1433-1584", en de daarachter gevoegde Bijlage I verklaard. In de genoemde inleiding vindt men ook de redenen opgegeven, waarom Mr. Fruin in de rekeningen eene scheiding gemaakt heeft met het jaar 1433, en waarom hij de beschrijving van die uit den tijd van het Henegouwsche en Beiersche huis tot later heeft bewaard. Het zijn deze oudere rekeningen met bijbehoorende stukken, welke in dezen inventaris zijn opgenomen.
De eervolle benoeming van Mr. Fruin tot hoogleeraar aan de gemeentelijke universiteit te Amsterdam heeft hem verhinderd aan zijn voornemen tot beschrijving van deze oudere rekeningen gevolg te geven. Het is te betreuren, dat door deze omstandigheid de beide deelen van den inventaris der rekeningen van Zeeland uit den landsheerlijken tijd niet door ééne hand zijn bewerkt. De ontwikkeling van het Zeeuwsche financiewezen is toch alleen door nauwkeurige bestudeering van de rekeningen zelve te verstaan, en de kennis, die Mr. Fruin dienaangaande bij de bewerking van de latere bescheiden heeft opgedaan, is zonder twijfel slechts voor een gedeelte door publicatiën tot gemeen eigendom gemaakt, zoodat ik, wilde ik het onderwerp in zijn ganschen omvang overzien, mij niet tot de behandeling van de oudere rekeningen had mogen bepalen, maar ook van den inhoud der rekeningen en stukken, opgenomen in den inventaris van Mr. Fruin - dien ik deel II wil noemen - zou hebben moeten kennis nemen. Hoewel het onderwerp zeer zeker belangrijk genoeg is om tot uitvoerige bestudeering uit te noodigen, zijn er vele andere gewichtige archieven, die mijne aandacht vragen, zoodat ik gemeend heb mij van een stelselmatig nagaan der latere rekeningen te moeten onthouden. Hetgeen hier in de inleiding omtrent de grafelijke financiën medegedeeld wordt, berust dus grootendeels op de oudere rekeningen; slechts zelden ben ik in mijne nasporingen naar de latere afgedwaald.
2. De rekeningen sluiten
500 Rekenkamer van Zeeland, Rekeningen Henegouws-Beierse Tijdvak (1319-1432)
Niet lang na het bekende verdrag van 1323 met Vlaanderen, waardoor Zeeland voor goed aan den graaf van Holland kwam, is het rentmeesterschap van Zeeland gesplitst in het rentmeesterschap van Bewesten Schelde, en dat van Beoosten Schelde. In de veertiende eeuw zijn de beide rentmeesterschappen meermalen in één persoon vereenigd geweest, maar van Januari 1390 af zijn zij in het hier behandelde tijdvak gescheiden gebleven, n.l. in de rekeningen, want de ambten zijn nog éénmaal gedurende een half jaar door denzelfden persoon bekleed (heer Dieric van Borselen, heer van Zuilen; zie nrs. 69 en 113); hierop berust de indeeling van de eerste hoofdafdeeling van dezen inventaris. Dat niet alle grafelijke inkomsten steeds in handen van de rentmeesters gekomen zijn, laat zich uit vele omstandigheden afleiden. Wat de graaf volgens de rekeningen van de steden ontvangt, is een zoo onbelangrijk bedrag-uit hoofde van molenhuur en dergelijke-dat het bezwaarlijk aan te nemen is, dat zij den graaf niet meer hebben gegeven * . Wat voorts de assignaties in de bederekeningen betreft, die men in de achterstallen zou moeten vinden, maar die daar niet aangetroffen worden, ook van deze moet men aannemen, dat zij buiten den rentmeester om aan den graaf of zijn tresorier betaald zijn. Eindelijk zijn sommige inkomsten verpacht, en hebben de pachters rechtstreeks met den graaf gerekend, zooals eenige rekeningen in dezen inventaris uitwijzen.
In verschillende rekeningen is sprake van personen, die op de verschillende eilanden als tusschenpersonen bij het ontvangen van renten of beden optreden. JAN DIE SCRIVERE, die er een van was, heeft, toen hij rentmeester geworden was, rekening van zijne vorige administratie aan den graaf gedaan (nr. 137), maar voor het overige zullen deze ontvangers met den rentmeester gerekend hebben. Zelden is voor de inning eener bede een afzonderlijk ontvanger benoemd, die buiten den rentmeester om met den graaf rekende (nrs. 138, 139), maar in de vrij talrijke gevallen, waarin de rentmeesters alleen het totaal eener bede in ontvangst stellen, zijn waarschijnlijk de uitvoerige rekeningen van de ontvangers ter controle overgelegd. Misschien mag men hetzelfde vermoeden voor de ontvangsten uit hoofde van tiendpachten, waarvan, gelijk boven is gezegd, op den duur eveneens alleen de totalen der verschillende eilanden in de rekening gesteld zijn. Deze meer beknopte wijze van rekenen maakt de latere rekeningen veel minder belangrijk dan de oudere. Misschien is aan de wijziging de omstandigheid niet vreemd, dat de rentmeesters van heer RASE VAN BORSELEN af personen van adellijken huize geweest zijn, van wie boven reeds aangetoond is, hoe zwak zij de geldelijke belangen van den graaf tegenover de ambachtsheeren hebben weten te verdedigen.
De rekeningen van den laatsten niet-adellijken rentmeester, REYNGAER WILLEMANS ZOON, bewijzen de toenemende geldelijke moeielijkheden. In zijn tijd is het bedrag der jaarbede verhoogd, en zijn de rekeningen voor het eerst in andere munt gesteld * . Omtrent de munten is het volgende op te merken. Steeds wordt gerekend in ponden (?) van 20 schellingen (sc.), elk van 12 penningen (d.), en is een sterling of engelsche gelijk aan 1/3 d., een myte aan 1/2 4 d. Maar dit zijn slechts rekenmunten, die verhoudingsgetallen aangeven; daarnaast dient dus te worden uitgedrukt, welke munt werkelijk bedoeld is. Wanneer, wat zeer dikwijls het geval is, de renten en beden in ongelijke munt voldaan zijn, moet eene herleiding plaats hebben, hetzij bij eiken post, hetzij aan het einde van een hoofdstuk, opdat de ontvangsten en uitgaven tegenover elkander gesteld kunnen worden. Tot REYNGAER WILLEMANS ZOON is alles herleid tot Toursche grooten. In nr. 34 is in de onderdeelen niet steeds tot dezelfde munt herleid, en ontbreekt dientengevolge een totaal van de ontvangsten; maar daar het reces van een verschil tusschen ontvangsten en uitgaven gewaagt, moet er bij de afrekening eene becijfering plaats gehad hebben. Aan nr. 35 ontbreekt het reces. In nr. 36 en latere rekeningen vindt men geregeld opgaven van de verhouding van de grooten, waarin gerekend is, tot werkelijke geldstukken, de plak of Dortschen gulden of den Engelschen nobel.
Zoowel vóór als na de groote muntverandering komen in de rekeningen tal van munten voor, die tot de hoofdmunt der rekening moeten herleid worden, en sedert 1368 is eene herleiding noodig, waar binnen den termijn van eene verhuring eene nieuwe verzwakking van de munt plaats gehad heeft. Voor de geschiedenis van het muntwezen vindt men in de rekeningen dus overvloedige gegevens. Op enkele bijzonderheden wil ik hier de aandacht vestigen. Gewoonlijk is er sprake van ponden (sc., d.) grooten, hoogst zelden van ponden (sc., d.) engelschen of myten * . Welke grooten kunnen nu bedoeld zijn? De groot of oude groot in de oudste rekeningen staat gelijk met 16 grooten Tor. * . In de rekening van 1351 vindt men meermalen 1 groot = 1 sc. (of 12 d.) Tor. * . Dit is misleidend; de hierbedoelde groot is de gezel, die in verschillende voorgaande en volgende rekeningen inderdaad 12 d. Tor. geldt. De gezellen of socii schijnen toen veel in omloop geweest te zijn; althans JAN SYMONS ZOON VAN BISANTEN zond (nr. 13) naar Brussel "al ghezellen, daer men aldaer scilde omme wisselen moeste, ommedat men gheene oude scilde in Zeeland gheerighen en conde". In de rekening van 1361-1363 heet 1 d. gr. Vlaamsch = 9 d. Tor. l d. Hollandsch geldt in 1318, 1354 2 d. Tor., in 1372-'74 2d.gr. De 12 grooten per gemet, in 1369 geheven, mogen betaald worden met 6 Hollandsche "plackemoewen" of 9 nieuwe Dortsche grooten, waarvan 36 doen een oud Fransch schild. In de rekening wordt herleid tot grooten, waarvan 11/2 gelijk staan met 1 plak, en daar hetzelfde in de volgende rekeningen geschiedt, mogen we de grooten, ook waar het er niet bij staat, voor de nieuwe Dortsche houden.
Heer RASE VAN BORSELEN, die baten en verlies van paymente in rekening brengt, stelt 1 oude Vlaamsche groot op 6 d. Holl., 1 plak op 1 1/2 groot. In 1377 geldt 1 oud schild in Beoosten Schelde 491/2 d. gr., in Bewesten Schelde 52 d. gr. Van 1375 af rekent men 1 oud schild op 40 Dortsche grooten. De grooten Vlaamsch zijn intusschen gebleven; in 1384-'86 staan 11 d.gr. Vlaamsch gelijk met 10 d. gr. Hollandsch (heerengeld, goed geld), evenzoo 1388-'90 11 (?) gr. Vlaamsch met 10 (?) van ander payment. Eenige jaren lang dient dan de Dortsche gulden als middel van vergelijking; hij geldt in: 1386-'89 31 d. gr. 1390 30 d. gr. (in verschillende hoofdstukken echter 262/3-31). 1391 27 d. gr. 1392 35 d. gr. 1393 25 1/2 d. gr. 1395 27 d. gr. 1396-'97 31 d. gr. (l oude groot = 1 3/5 heeren groot). 1399-1404 27 d. gr. Daarna doet de Engelsche nobel denzelfden dienst. Deze is waard: 1396-1400 6 sc. 8 d. gr. 1401-1401 7 sc. 6 d. gr. 1406-1410 6 sc. 8 d. gr. 1410-1411 6 sc. 10 d. gr. 1411-1412 7 sc. gr. 1412-1415 7 sc. 6 d. gr. 1415-1417 7 sc. 1 d. gr. 1417-1418 8 sc. gr. 1418-1420 8 sc. 2 d. gr. 1422-1425 8 sc. 6 d. gr. In de laatste rekeningen van dit tijdvak gebruikt men voor dit doel de nieuw geslagen schilden. Deze gelden: 1425-1426 6 sc. gr. ("1 nieuw Hollandsen schild"; daarentegen in Beoosten Schelde "l Philippus Bourgondisch schild" = 5 sc. gr.). 1428-1429 5 sc. 4 d. gr. 18 myten ("l nieuw Hollandsen Philippus schild" ; in Beoosten Schelde "l Philippus Bourgondisch schild" = 5 se. 2 d. gr.). 1429-1430 37 gr. (Bourgondisch schild, in Beoosten Schelde Philippus Bourgondisch schild). 1430-1431 36 gr.
Omtrent de afhooring van de rekeningen moge verwezen worden naar hetgeen bij de verschillende nummers van den inventaris is medegedeeld. Op twee onregelmatigheden in de administratie wijs ik nog hier: REINGHER WILLEMANS ZOON, door gravin MARGARETHA tot rentmeester van Beoosten Schelde aangesteld, was in functie, toen de slag op de Maas plaats had, en kon daarna eenigen tijd zijne werkzaamheden voortzetten (nr. 20), ofschoon hertog WILLEM v een ander aangesteld had; de rekening van dezen (nr. 21) heet echter, zooals gebruikelijk, te beginnen met den dag, waarop hem het rentmeesterschap was opgedragen.-In nr. 105 vindt men geen reces, maar wel hoogst eigenaardige ontboezemingen van den rentmeester over zijne onmacht en zijn goeden wil; dat men zijne verzekeringen niet voetstoots mag aannemen, kan men leeren uit het opstel van Jhr. Mr. W. A. BEELAERTS VAN BLOKLAND. Een Geldersen edelman in Hollandschen dienst en het beleg van Loevestein in 1397 * .
De omstandigheid, dat de rekeningen van den laatstbedoelden rentmeester op papier geschreven zijn, pleit ook niet voor eene soliede behandeling van zaken. Het gebruik van perkament is zoozeer regel, dat in den inventaris alleen is vermeld, wanneer men zich van papier heeft bediend.
Van de aan dit werk toegevoegde bijlagen bedoelt de eerste de vervulling van het voornemen, door Mr. FRUIN uitgedrukt op blz. 9 van de inleiding tot deel II, terwijl de tweede een overzicht van de onder de graven uit de Henegouwsche en Beiersche huizen geheven beden geeft.
Inventaris
Regestenlijst
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||


500
Rekenkamer van Zeeland, Rekeningen Henegouws-Beierse Tijdvak (1319-1432)


