202.64
Tentoonstelling Voortrekkers en Stilstaanders. Vijftien generaties dopers leven in Zeeland
Inventaris
Toelichting bij en catalogus van de tentoonstelling Voortrekkers en Stilstaanders. Vijftien generaties dopers leven in Zeeland in het Rijksarchief in Zeeland 10 november 1975 - 17 januari 1976 3. Inleiding sluiten
202.64 Tentoonstelling Voortrekkers en Stilstaanders. Vijftien generaties dopers leven in Zeeland
Wat er kan gebeuren als mens, zonder bemiddeling van een kerk of theologie die steeds weer de neiging vertonen de hoogspanning van het evangelie af te zwakken tot een spanning die het lekenvolk kan verdragen, opnieuw meegesleurd worden door de kracht van de Geest - daarvan is het Doperdom als 'Originalgewaechs' van de zestiende eeuwse reformatie een sprekend voorbeeld. Plotseling worden gewone handwerkslieden tot profeten, die de gang van zaken in de wereld onder Gods kritiek stellen; worden onmondige leken tot priesters die allen, die aan de oproep van het evangelie om Christus te volgen en het leven te beteren gehoor geven, door de doop in de gemeente inlijven; worden geleerden tot onwijzen in de ogen van hen die uiteindelijk toch de macht van het zwaard verkiezen boven de kracht van God. Misschien is deze nieuwe herwonnen - of liever verkregen - openheid voor de Geest, die tot een ander leven aanspoort en gewonnen wordt door de bijbel als levensnorm te hanteren, het geheim van de doperse reformatie, zoals deze openheid het kenmerk is geweest en zal zijn van iedere werkelijke hervormingsbeweging in de geschiedenis van de kerk. Zo mogen de Dopers met ere voortrekkers genoemd worden.
Wat al jaren in het verborgene broeit, wordt in 1525 in Zürich zichtbaar. Daar voltrekt zich de breuk tussen Zwingli, die met behulp van de stedelijke overheid een geleidelijke hervorming tracht door te voeren, en een groep radikalen, die oordelen dat de ware hervormde, gerestitueerde kerk moet bestaan uit wedergeboren mensen. Zo'n kerk kan niet van bovenaf met wereldlijke macht tot stand gebracht worden, maar slechts door een vernieuwing van individuele mensen van binnen uit. Dan wordt ook duidelijk dat de grenzen van de kerk niet meer samenvallen met de grenzen van een stad of land. De grens van de ware kerk wordt de doop van mondige, wedergeboren christenen: een teken van gehoorzaamheid aan en bondgenootschap met God. En ze doopten elkaar met de ware doop. Voor buitenstaanders is dat een aanleiding om de spot de drijven: anabaptisten: wederdopers, worden ze gescholden. Maar tegelijkertijd vraagt men zich terecht beangst af of door deze daad de fundamenten van de toenmalige samenleving, berustend op de heilige eenheid van kerk en staat, niet worden aangetast.
Binnen deze stroming verzamelen zich de ontevredenen met de door Luther op gang gebrachte reformatie. Als een olievlek breidt de beweging zich na 1525 uit over Zwitseland, Oosterijk, Duitsland en de Lage Landen, terwijl ze aan iedere plaatselijke situatie haar eigenheid ontleent. De doperse gemeenten, waarin onder meer een andere houding zichtbaar wordt ten opzichte van het bezit (samen delen), de machtsmiddelen (weerloosheid), het gezag (God meer gehoorzamen dan de overheid) en de hierarchie in de gemeente (algemeen priesterschap der gelovigen), bieden een werkelijk alternatief voor een geestelijk en sociaal ontredderde tijd die van eindtijdverwachtingen is vervuld.
In de Nederlanden is de bodem voor deze vorm van christenzijn reeds bereid door een ascetische lekenbeweging binnen de kerk (Moderne Devotie) en een door Erasmus geïnspireerd humanisme. Een daadwerkelijk verzet tegen de kerk wordt merkbaar in de rederijkersspelen en de weigering van sommigen in brood en wijn meer te zien dan louter tekenen (Sacramentariërs). Is het reformatorisch gevoelen, door de geschriften van Luther in ons land gewekt, voor 1530 nog een zaak van uitsluitend geletterden, hierin zal in de dertiger jaren verandering komen. Men kan terecht stellen dat in die tijd de reformatie onder invloed van de Dopers wordt 'gedemocratiseerd' en zo een beweging wordt, die tot de opkomst van het Calvinisme omstreeks 1560 het gezicht bepaalt van de hervorming in de Nederlanden.
Vanuit Straatsburg, via Oost-Friesland, Leeuwarden en Amsterdam verspreidt de bontwerker Melchior Hoffman de doperse beginselen in de Nederlanden. Zijn aanhangers worden naar hem ook wel Melchiorieten of Bondgenoten genoemd. Als hij evenwel te Straatsburg gevangen genomen wordt, neemt Jan Matthijs van Haarlem de leiding in de Nederlanden over. Doordat hij zendboden uitzendt om te dopen en nieuwe predikers aan te stellen, neemt de verspreiding van de 'leerlinge Melchiorite' een grote vlucht. De opvattingen van Hoffman worden, van hun vreedzame inhoud ontdaan, nu echter gebruikt om de met ongeduld verwachte komst van het Rijk een zichtbare gestalte te geven in de stad Munster. alle aanhangers worden opgeroepen naar het 'Nieuwe Jeruzalem' te trekken, aar Koning Jan van Leiden het samen delen in praktijk brengt en met wapengeweld tegen aanvallen van buitenaf verdedigt, tot in 1535 het onheilig experiment in bloed wordt gesmoord. Het échec van Munster heeft voortdurend daarna de inquisitie en later de Gereformeerde Kerk en overheid een aanleiding gegeven om de van oorsprong en latere weerloze Dopers over één kam te scheren met de Munstergezinden en hen met dit argument in handen naar het leven te staan of hun uitoefening van de godsdienst te belemmeren, ook wanneer de beweging onder de leiding van Menno Simons in rustiger wateren is geleid en de Mennonieten tot de 'stillen in de lande' zijn geworden.
Op dit algemene beeld vormt de doperse beweging in Zeeland geen uitzondering. Hier is al vroeg sprake van reformatorische gedachten, met name in Zierikzee. Op 8 mei 1535 wordt hier de eerste wederdoper gerechtgesteld: Adriane van Aersen, een wever uit Schiedam, die herdoopt was door de Mustergezinde Gerrit van Benschop, Aanhangers van Jan Matthijs van Haarlem prediken hier de doperse beginselen, zoals Leenaart Boekbinder uit Antwerpen, Damus uit Hoorn en Cornelis Pieters uit Den Briel. Uit Middelburg, Veere, Arnemuiden en Reimerswaal gaan wederdopers naar Haarlem en Amsterdam, om via Hasselt samen met anderen op te trekken naar Munster. Een door oorlogen stagnerende Oostzeehandel, de overstromingen van 1530 die grote delen van Zeeland onder water zetten en een pestepidemie die in 1532 alleen al te Zierikzee 3000 mensen het leven kostte, zullen er wel toe bijgedragen hebben dat de eindtijdverwachting en de belofte van een nieuw Jeruzalem in Munster gretig gehoor vond bij het zwaar beproefde volk.
Een van de kenmerken van de doperse beweging uit de begintijd is de grote mobiliteit der aanhangers, die aanvankelijk het gevolg is van het unieke zendingskarakter van deze beweging, terwijl al gauw vervolgingen velen tot ontheemden maken, die voortdurend op zoek zijn naar betrekkelijke veiligheid. Er zijn contacten met Engeland, en door de zware vervolgingen in Vlaanderen zoeken velen vandaar een toevluchtsoord in Zeeland. Deze grote stroom Vlaamse vluchtelingen heeft als geen andere factor de groei van de doperse beweging in Zeeland bevorderd en heeft grotelijks bijgedragen tot de eigenaard der Zeeuwse dopers.
In Vlaanderen, met name in de grote steden Antwerpen, Gent en Brugge die de inwoners een zeker anonimiteit konen waarborgen, vindt men al in 1530 wederdopers. In tegenstelling tot Zeeland, vindt het revolutionaire karakter van het Melchioritisme hier nauwelijks voedingsbodem. Veel groter is de invloed van de geschriften van Menno Simons, met hun nadruk op de waarde van de gemeente en de weerloosheid. Ook krijgt het gezag van de oudsten, die bevoegd waren te dopen en het avondmaal te bedienen, hier veel minder gewicht dan in de noordelijke Nederlanden, waar dit punt aanleiding zou geven tot grote verschillen. De ban, gehanteerd als het middel om de gemeente te vrijwaren van onchristelijke elementen, wordt bij de Vlamingen slechts met mate toegepast. Er is meer aandacht voorde innerlijke geloofsbeleving dan voor de uiterlijke regels van geloof en leven. Dit zijn allerlei kenmerken die het geestesleven der Zeeuwse gemeenten beïnvloeden en die naar voren komen in o.a. de gematigde houding van Valerius de Schoolmeester, Galenus Abrahamsz de Haan tot aan Adriaan van Eeghem toe.
Verschillende golven vluchtelingen uit Vlaanderen zorgen voor de versterking van het doperse element in Zeeland vanaf 1535 en 1541, als daar de eerste plakkaten tegen de wederdopers worden uitgevaardigd, tot 1640, als systematisch alle dopers uit Vlaanderen zijn verdreven. In deze tijd fungeert vooral Aardenburg als toevluchtsoord of doorgangsplaats. Eveneens wordt via deze gemeente vanuit de Zeeuwse gemeenten hulp verleend aan de noodlijdende Vlamingen. De geschiedenis van de dopers in Zeeland kan derhalve niet los van wat er in Vlaanderen gebeurde worden beschreven.
In een van het Spaanse juk bevrijd Zeeland kan de geestelijke erfenis van de Vlamingen zich voorspoedig ontplooien. Het gematigde standpunt dat de gemeenten der Vlamingen innemen laat niet veel ruimte voor het ontstaan van hetzij strengere of nog gematigder groeperingen. Kleine gemeenten der zeer tolerante Waterlanders in Vlissingen en de zeer behoudende Groninger Oude Vlamingen in Middelburg gaan al vlug in de bestaande Vlaamse gemeente ter plaatse op. Van de extreem individualistisch-spiritualistische aanhangers van David Joris vinden we in Zeeland geen spoor.
Willem van Oranje verleent de Middelburgse Mennonieten in 1577 vrijstelling van het afleggen van de eed en in de volgende jaren wordt een regeling getroffen, waardoor de Mennonieten de verplichting om de wapens te dragen kunnen afkopen tegen aanzienlijke bedragen. Het feit dat de Mennonieten de 'honingbijen van de staat' geacht werden, zal wel mede debet zijn geweest aan de tolerante houding van de prins en de stedelijke overheden. De Gereformeerde Kerk kan echter moeilijker de aanwezigheid van minderheidsgroepen zoals Joden, Katholieken, Lutheranen en Mennonieten, die haar hegemonie aantasten, verdragen. In woord en geschrift vinden vooral de Mennonieten bestrijders in onder meer de gereformeerde predikanten Moded, Heidanus, Kimedoncius, Seu en Faukelius, wier geschriften in Middelburg werden gedrukt. De Dopers als latente revolutionairen - dat is het thema wat door alle beschuldigingen heenklinkt, met alle latere variaties van onrechtzinnigheid en socinianisme daaraan toegvoegd. In sommige opzichten is de kritiek ook terecht geweest: door scheuringen en twisten verandert de Nederlandse doperse beweging sinds 1556 in een 'Babel, dat is Verwerringhe der Wederdooperen onder malkander...', om de titel van het boek van Faukelius te citeren.
Deze kritiek treft bij uitzondering nauwelijks de Zeeuwse Dopers. Reeds in 1567 komt de ware aard van de Vlaamse erfenis aan het licht in Zierikzee, waar de gemeenteleden weigeren partij te kiezen in de strijd tussen de Friezen en de Vlamingen. Zij blijven 'stillestaan' en ontvangen de bijnaam 'Stilstaanders'. Maar zoals dat vredestichters in de regel vergaat, treft ook hen de ban van beide strijdende partijen. Nog in 1665 proberen de meeste Zeeuwse gemeenten verzoenend op te treden in de geschillen tussen de aanhangers van Galenus Abrahamsz de Haan en Samuel Apostool, door het heruitgeven van de belijdenissen, op grond waarvan reeds vele breuken in de Broederschap geheeld waren.
Het is niet de intolerantie van de bestrijders geweest, die de Mennonieten - later in navolging van de gematigde Waterlanders doopsgezinden genaamd - grote afbreuk heeft gedaan, maar veeleer de toenemende tolerantie, die in de zeventiende en achttiende eeuw van eens vervolgde vluchtelingen gezeten en verwereldlijkte burgers heeft gemaakt. Landelijk daalt het ledental der gemeenten tussen 1700 en 1808 van 160.000 tot 26.935 leden. Velen hiervan gaan over naar de Hervormde Kerk, waardoor voor hen ambten toegankelijk worden die alleen aan de leden van die kerk waren voorbehouden. Ook in Zeeland treedt het verval van de gemeenten reeds vroegtijdig in. Het wordt voor een deel veroorzaakt door de economische teruggang, die vele handelslieden doet besluiten het geluk in Holland te beproeven. Bloeiende gemeenten leiden door langdurige vacatures een zieltogend bestaan, trachten door kombinaties nog wat tijd te rekken, maar verdwijnen tenslotte. Dit lot treft de gemeenten te Groede, Nieuwvliet, Brouwershaven, Veere, Zierikzee en Sint Maartensdijk. De overigen houden, mede dank zij de hulp van Vlissingen, maar vooral Middelburg, met moeite het hoofd boven water.
Een algemene opleving zal tot ver in de negentiende eeuw op zich laten wachten. Velen die dan hun heil niet meer kunnen vinden in de orthodoxe kerken voelen zich aangetrokken tot de ondogmatische doopsgezinden, bij wie tegelijkertijd door de geringe omvang van de gemeenten de individu meer tot zijn recht kan komen. In het begin van de negentiger jaren kan ds Tj. Kielstra zowel in Goes - Als een phoenix uit de as herrezen; de gemeente telde omstreeks 1825 slecht één lid! - als te Middelburg en Vlissingen, drie nieuwe kerkgebouwen inwijden; een initiatief dat de stoot heeft gegeven tot een voorspoedige ontwikkeling van het gemeenteleven in de eerste helft van deze eeuw.
De tentoonstelling wil in acht onderscheiden rubrieken een indruk geven van de geschiedenis der Dopers in Zeeland tot in onze eeuw. Daarbij krijgen de begintijd en de confrontatie met de overheid en de Gereformeerde Kerk de grootse aandacht. In de twee daarop volgende rubrieken wordt getracht een beeld te schetsen van de situatie binnen de gemeenten. Hier komen onder meer aan de orde de splitsingen, de geloofsinhoud en de strijd om de belijdenissen rond 1665. In de vijfde rubriek passeren bekende personen de revue, die op enigerlei wijze met betrekking tot doopsgezind Zeeland van belang zijn geweest. Voorts is er gekozen voor een afzonderlijke behandeling van de geschiedenis van nog bestaande en reeds verdwenen gemeenten en kernen, waarna in de laatste twee rubrieken enige kleinere facetten van de geschiedenis aan het licht komen in de stukken betreffende de samenwerkingsvormen van de gemeenten en de tijdelijke kolonisatie van Pruisische doopsgezinde vluchtelingen op Walcheren.
Een oprecht woord van dank is hier op zijn plaats aan dr. P. Scherft, rijksarchivaris te Middelburg die met grote zorg en toewijding het archiefmateriaal verzamelde, selecteerde en beschreef; tevens aan de leden van de Doopsgezinde Historische Kring, ds. G.J.W. den Herder te Retranchement, prof. dr I.B. Horst te Heemstede, ds J.P. Jacobszoon te Haarlem, ds H.W. Meijhuizen te Gorssel en dr S.L. Verheus te Amsterdam, die spontaan bereid gevonden werden hun bijdrage tot het verzamelen en beschrijven van een groot deel van het overige tentoonstellingsmateriaal te leveren. Tevens zij met erkentelijkheid vermeld dat de Middenzeeuwse Doopsgezinde Gemeenten hun leraar de tijd hebben gegund het door bovengenoemden aangedragen materiaal te bewerken tot deze catalogus, die, mede dank zij een garantiesubsidie van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit te Amsterdam en de broederlijke medewerking van de heer J.J. Drewes, drukker te Breskens, thans in druk kan verschijnen.
Sjouke Voolstra, leraar bij de doopsgezinden te Goes, Middelburg en Vlissingen
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||




