A  |  A  |  A
Uw zoekacties: Rechterlijke Archieven Zeeuwse Eilanden (RAZE)
 10 Rechterlijke Archieven Zeeuwse Eilanden (RAZE) ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
Inleiding
Voorbericht
Algemeen
1. Lotgevallen en aard van de archieven
sluiten
10 Rechterlijke Archieven Zeeuwse Eilanden (RAZE)
Inleiding
1. Lotgevallen en aard van de archieven
Vindplaats:
Zoals de titel al aangeeft, zijn in dezen inventaris samengebracht drie soorten archieven, die als gevolg van drie verschillende bestuursmaatregelen of reeksen van bestuursmaatregelen in het rijksarchief-depôt in Zeeland zijn te land gekomen; allereerst de archieven der rechtbanken krachtens Koninklijk Besluit van 8 maart 1879 *  , welk besluit nader is gewijzigd bij verschillende Koninklijke Besluiten, laatstelijk bij dat van 16 December 1904 *  , vervolgens de archieven der weeskamers als gevolg van art. 9 van de Wet van 14 november 1879 *  en de naar aanleiding daarvan gegeven speciale regeeringsvoorschriften, ten slotte de archieven der notarissen krachtens de beide eerste alinea's van art. 69a van de Wet op het Notarisambt van 9 Juli 1842 (Stsbl. nr 20), zoals die laatstelijk is gewijzigd bij de Wet van 12 December 1905 (Stsbl. nr 320), en het daaruit voortvloeiende Koninklijk Besluit van 23 augustus 1907 (Stsbl. nr 237).
Over de lotgevallen van ieder dezer groepen van archieven afzonderlijk een enkel woord.
Artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 8 maart 1879 bepaalde, dat 'de oude rechterlijke archieven, welke dagtekenen van vóór de invoering der Franse wetgeving en thans nog bij de gerechtshoven, arrondissementsrechtbanken en kantongerechten bewaard worden of onder de hypotheekbwaarders berusten, zullne worden overgebragt naar de bewaarplaats der Rijksarchieven te 's-Gravenhage of naar het archief-depoôt, gevestigd in de hoofdplaats der onderscheiden provinciën, en onder bewaring gesteld worden van den archivaris des Rijks of van de provinciale archivarissen'
Voor de tegenwoordige provincie Zeeland had deze bepaling dit te beteekenen, dat, wat betreft het tegenwoordige Zeeuwsch Vlaanderen, alle 'oude regterlijke archieven' van vóór het jaar 1795, wat betreft de rest van de tegenwoordige provincie Zeeland, welk gebied we in dezen inventaris steeds als 'De Zeeuwsche eilanden' zullen aanduiden, dezelfde archieven van vóór het jaar 1811 naar het in 1879 nog onder provinciaal beheer staande archief van Zeeland moesten worden overgebracht. Alleen de laatstgenoemde archieven zijn in deze inventaris beschreven-de archieven van de rechtbanken, weeskamers en notarissen in Zeeuwsch Vlaanderen zullen later in een afzonderlijke inventaris worden behandeld-en daarom kunnen we hier volstaan met het geven van een overzicht van de wijze, waarop in 1811 in het in 1810 met het geheele koninkrijk Holland bij Frankrijk ingelijfde Zeeland de Franse wetgeving, of liever de Franse rechterlijke organisatie, is ingevoerd, en wat de gevolgen van het een en ander zijn geweest voor de archieven der oude rechtbanken, die vóór 1811 binnen dat gebied gevestigd waren *  .
Allereerst moet ik dan opmerken, dat, zo min als de geheele tegen-woordige provincie Zeeland, het gebied van de Zeeuwse eilanden op hetzelfde tijdstip in zijn geheel bij Frankrijk is ingelijfd. Reeds den 10den november 1807 was bij het verdrag van Fontainebleau de stad Vlissingen met omliggend gebied van 1800 meters in straal door koning Lodewijk aan Napoleon afgestaan, en sedert de proclamatie van den Fransen generaal Gilly van 27 December 1809 *  was het geheele eiland Walcheren als een deel van Frankrijk beschouwd, nadat in den tussentijd van 15 augustus tot 24 December 1809 Vlissingen door de Engelsen was bezet geweest, en daarna nog enkele dagen geheel Walcheren onder Hollands krijgsbewind gestaan had. Ten slotte zijn 16 maart 1810 ook de overige Zeeuwse eilanden door koning Lodewijk bij verdrag aan Frankrijk afgestaan. Ze zijn aanvankelijk bij Senatusconsulte organique van 24 April 1810 (Bulletin des lois 28) gevoegd bij het Departement des deux Nèthes, maar spoedig daarop, na het bezoek van Napoleon aan Walcheren op 9 mei en vlg. dagen *  , bij Keizerlijk Decreet van 15 mei 1810 (B. des L. 288) gemaakt tot een afzonderlijk Departement des Bouches de l'Escaut.
Wat nu betreft de invoering van de Franse rechterlijke organisatie in deze verschillende gedeelten van Zeeland, in Vlissingen is al spoedig na de inlijving, den 16den April 1808 *  , de oude rechtbank van die plaats door den maire op last van den prefect van het Departement de l'Escaut *  ontbonden. Langer duurde het op de rest van Walcheren en op de overige Zeeuwse eilanden, voordat ook daar de oude rechtbanken geheel tot het verleden behoorden. Het was eerst een goed jaar na de vorming van het Departement des Bouches de l'Escaut, dat door en prefect van dat departement bij Arrêté van 18 mei 1811 *  deze zaak definitief werd geregeld. Hij deed dit ingevolge de Keizerlijke Decreten van 8 november 1810 (B. des L. 327) 'contenant réglement sur l'organisation judiciaire et l'administration de la justice dans le(s) Departement des .... Bouches de l'Escaut' en van 25 november 1810 (B. des L. 329) 'relatif à la mise en activité ... de la nouvelle organisation judiciaire'. Bij laatstgenoemd decreet had Napoleon o.a. voorgeschreven, dat 'les ... lois relatives à l'administration de la justice ... ne seront exécutoires dans les departements (waartoe ook het Departement des Bouches de l'Escaut) que du jour de l'installation des cours impériales dans le ressort desquelles ils se trouveront respectivement compris'.
Volgens art. 26 nu van bovengenoemd Keizerlijk Decreet van 8 november 1810 zouden de in het Département des Bouches de l'Escaut nieuw in te stellen rechtbanken onder de Cour impériale te Brussel komen te ressorteeren, en volgens een mededeeling van den procureur-général bij de reeds 1 maart 1811 geïnstalleerde *  Cour impériale te 's-Gravenhage aan den prefect zou de installatie van de na de inlijving van ons land bij Frankrijk nieuw georganiseerde Cour impériale te Brussel den 20sten mei 1811 plaats hebben. Met ingang van dien datum was dus feitelijk de Franse rechterlijke organisatie in geheel Zeeland ingevoerd, en zo werd dan ook door den prefect bij Arrêté van 18 mei 1811 allereerst voorgeschreven de verzegeling van de archieven der oude rechtbanken door een aantal nader aan te wijzen autoriteiten. Het spreekt van zelf, dat deze archieven niet lang verzegeld konden blijven: immers vooral in den eersten tjid zou men bij de nieuwe rechtbanken, over welke functies van de oude rechtbanken verdeeld waren, deze stukken voor de lopende zaken nog voortdurend moeten gebruiken.
Bij arrêté van 8 juni d.a.v. *  werd dan ook door den prefect de ontzegeling van al deze zelfde archieven gelast, en bovendien had dit arrêté nog een verder strekking. Het diende tevens ter uitvoering van art. 48 van het reeds genoemde Keizerlijke Decreet van 8 november 1810, waarin bepaald was, dat de 'procureura imperiaux de concert avec les préfects feront remettre les registres, papiers et minutes des anciennes juridictions dans les greffes auxquelles ils devront appartenir d'après la nature des affaires que ces registres et papiers concernant', hetgeen dus betekende, dat de archieven der oude rechtbanken, al naar gelang van de functies, die vroeger door deze waren uitgeoefend, zouden moeten verdeeld worden over de nieuw ingestelde Franse rechterlijke colleges. Het archief van het Departementaal Gerechtshof behoorde naar de Cour Impériale te Brussel te worden overgebracht en de archieven der vroeger bestaan hebbende plaatselijke rechtbanken moesten worden verdeeld over de tribunaux de 1re instance, die in de hoofdplaatsen der arrondissementen, te Middelburg, Goes en Zierikzee gevestigd werden, de in elk kanton *  ingestelde justices de paix enz. enz.
Intussen was de praktijk in deze niet geheel in overeenstemming met de gegeven voorschriften: het archief van het Hof is voorloopig nog in de Abdij te Middelburg gelaten, ter plaatse waar de zetel van dat sedert 1803 bestaan hebbende college gevestigd was. Ten aanzien van de archieven der plaatselijke rechtbanken mag men echter aannemen, dat deze voor het meerendeel *  nog in hetzelfde jaar, of anders zeker in 1812, naar de nieuw ingestelde rechterlijke colleges zijn overgebracht. In de praktijk kregen deze tribunaux de 1re instance te Middelburg, Goes en Zierikzee het leeuwenaandeel, terwijl slechts enkele stukken onder het beheer van een juge de paix, of, zo de stukken de verwillige rechtspraak betroffen, onder dat van een hypotheekbewaarder gesteld worden.
Na het herstel van onze onafhankelijkheid in 1813 is, zoals bekend, de rechterlijke organisatie vrijwel onveranderd gebleven. De rechtbanken van eersten aanleg veranderden in 1827 alleen van naam, en werden toen arrondissementsrechtbanken, en hetzelfde had plaats met de vredegerechten, die nu in kantongerechten werden herdoopt. Van iets meer belang waren enkele vergaderingen, aangebracht door de wet op de rechterlijke organisatie van 1837 *  . Daarbij werd voor iedere provincie afzonderlijk weer een Provinciaal Gerechtshof ingesteld *  . Deze gerechtshoven vervielen tussen weder na de wijzigingswet van 1875. Er werden bij deze wet nieuwe gerechtshoven ingesteld, die een aantal provinciën of deelen van provinciën te zamen kwamen te omvatten. Ten slotte werden bij de wijzigingswet van 1877 enkele kleinere arrondissementsrechtbanken opgeheven, en het gebied van deze aan reeds bestaande arrondissementsrechtbanken toegevoegd: zo werd in Zeeland de rechtbank te Goes opgeheven, en vereenigd met de rechtbank te Middelburg.
Ook ten aanzien van de bewaarplaatsen der archieven bracht een en ander slechts geringe wijzigingen. Alleen werd in 1837 het archief van het Departementaal Gerechtshof van Zeeland, dat na de opheffing van dit college in 1811 nog steeds ter plaatse, waar het gefungeerd had, was blijven berusten, naar het nieuw ingestelde Provinciaal Gerechtshof van Zeeland overgebracht. Toen in 1875 ook dit hof ophield te bestaan, heeft men gemeend het archief van het Departementaal Gerechtshof van Zeeland niet naar 's-Gravenhage te moeten zenden: het is voorloopig in het gebouw van het voormalige gerechtshof op het Hofplein, waar toen de zetel van de arrondissementsrechtbank gevestigd werd, gelaten, en het archief is twee jaar later, in 1877, in het Provinciaal Archief van Zeeland gedeponeerd. De archieven van de plaatselijke rechtbanken bleven steeds in dezelfde bewaarplaatsen onder de zoeven genoemde colleges en personen berusten. Alleen werden begrijpelijkerwijze de te Goes bewaarde archieven in 1877 naar de Middelburgse rechtbank overgebracht. Zondert men dus het archief van het Departementaal Gerechtshof van Zeeland uit, dan berustten bij de afkondiging van het in den aanvang genoemde Koninklijk Besluit van 8 maart 1879 de in dat besluit bedoelde 'oude regterlijke archieven' nagenoeg allen nog terzelfder plaatse, waarheen ze, zoals we boven zagen, in 1811 en 1812 dadelijk na de invoering der nieuwe rechterlijke organisatie waren overgebracht *  .
Intussen moet hier nog gewezen worden op één bijzonderheid, die men reeds spoedig na het jaar 1879 is gaan inzien. Feitelijk toch was het Koninklijk Besluit van dat jaar niet geheel volledig. Zoals we zagen, heeft men de overneming van de archieven in 1811 en 1812 zeer vlug bewerkstelligd, maar men was daarbij slordig te werk gegaan, en met name had de splitsing tussen rechterlijke en administratieve stukken in de gemeenten vaak onzuiver plaats gehad. Zo waren er in verscheiden gemeenten nog groote hoeveelheden archiefstukken van rechterlijke aard achtergebleven. Reeds vroeger had men dat hier en daar opgemerkt en zo zijn b.v. in 1839 uit verscheiden gemeenten op Schouwen en Duiveland en op Tholen een aantal stukken van rechterlijke aard naar de arrondissementsrechtbank te Zierikzee overgebracht *  . Een volledige bijeenbrenging van alle onder de gemeenten berustende stukken van rechterlijken aard was echter daarmede op verre na nog niet bereikt. Dit werd mogelijk gemaakt door het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1882 (Stbl. No. 141), waarbij art. 1 van het Koninklijk Besluit van 8 maart 1879 ook tot bij de gemeentebesturen berustende archiefstukken werd uitgebreid.
In 1883 en volgende jaren zijn nu ter uitvoering van de genoemde Koninklijke Besluiten alle archieven van vóór 1811 op de Zeeuwse eilanden gezeteld hebbende rechtbanken overgenomen, eerst in de jaren 1883-1888 die, berustende bij de arrondissementsrechtbanken te Middelburg en Zierikzee, bij het kantongerecht te Middelburg en bij de hypotheekbewaarder aldaar, vervolgens in de jaren 1896-1909-incidenteel ook al reeds vroeger in 1889-1892-de stukken, die nog in verscheiden gemeenten waren achtergebleven *  . De archieven, die betrekking hebben op de gemeente Middelburg zijn wel door de toen nog provinciale archivaris van Zeeland overgenomen, maar krachtens machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 mei 1893 aan de gemeente Middelburg in bewaring gegeven, een en ander in verband met art. 2 van het Koninklijk Besluit van 8 maart 1879, waarbij voor gemeenten, die een eigen gemeentearchivaris en doelmatige archieflokalen hebben, deze inbewaarneming mogelijk gemaakt wordt. Van de in dezen inventaris beschreven archieven van rechtbanken op de Zeeuwse eilanden zullen dus de op Middelburg betrekking hebbende archieven, als niet in het Rijksarchief-depôt in Zeeland berustende, zijn uitgezonderd.
Evenzeer niet alle verenigd in het Rijksarchief-depôt in Zeeland zijn de archieven hierboven in de tweede plaats vermeld. In zekeren zin zou men deze, de archieven van de weeskamers, kunnen rekenen tot de 'oude regterlijke archieven' bedoeld in meergenoemd Koninklijk Besluit van 8 maart 1879. Ook wanneer men de bewoordingen in het Arrêté van de Prefect van het Departement des Bouches de l'Escaut van 8 mei 1811 *  nader beziet, wordt men in die mening bevestigd. Er is daar namelijk steeds sprake van de verzegeling zowel van de archieven der rechtbanken als die van de 'chambres des orphelins', en dat niet alleen: men kan zelfs met zekerheid zeggen, dat de werkelijk meermalen in 1811 en 1812 die archieven te zamen met de archieven der oude rechtbanken naar de nieuw ingestelde rechterlijke colleges zijn overgebracht. Zeer zeker is het dan ook de bedoeling van de Franse wetgever geweest, dat dit overal zou geschieden, maar in de uitvoering van deze zaak, die niet anders beoogde dan een verplaatsing van de archieven van de vroegere weeskamers naar de 'justices de paix', voor welke volgens de Franse wetgeving voortaan de zaken, die vroeger tot de competentie van de weeskamers behoorden, moesten worden behandeld, heeft men al dadelijk op verscheiden plaatsen *  grote moeilijkheden ondervonden.
Het gevolg was, dat bij het herstel onzer onafhankelijkheid in 1813 een groot aantal weeskamerarchieven nog steeds op dezelfde plaats was gebleven, war ze zich vóór 1811 bevonden hadden. En van de verplaatsing kon nu zeker niet meer komen: immers de oude weeskamers werden in 1813 door de Nederlandse wetgever weder hersteld: weliswaar werden het nu colleges, die slechts dienden tot afdoening van de vóór 1811 nog aanhangig zijnde zaken, maar toch op zich zelf staande lichamen, die hoogstens door een persoonlijke band met het kantongercht of gemeenbestuur waren verbonden doordat vaak de functies van gemeentesecretaris of griffier bij het kantongerecht ter eener, secretaris van de weeskamer ter andere zijde in een zelfde persoon waren verenigd. Art. 1 van het Koninklijk Besluit van 1 april 1835 *  betreffende de vereffening der boedels en nalatenschappen onder de voormalige weeskamers of momboirkamers berustende spreekt nog van 'de leden der voormalige wees- of momboirkamers of degenen, die hen hebben te vervangen en thans nog in functie zijn'.
Eerst bij de wet van 5 maart 1852 *  hebben deze weeskamers voor goed opgehouden te bestaan. Bij art. 2 van die wet is bepaald, dat de voormalige wees- en momboirkamers zullen worden vervangen door eene Algemeene Commissie van Liquidatie, die te 's-Gravenhage zal zijn gevestigd. Art. 3 heeft het over de archieven: ook nu zullen deze in het algemeen ter plaatse blijven, maar daarnaast kan de Algemeene Commissie van Liquidatie gemachtigd worden de archieven, die zich in lokalen van openbare besturen bevinden, geheel of gedeeltelijk te verplaatsen. Is dit laatste niet het geval, dan behoort de Commissie ze onmiddellijk onder hare bewaring te nemen. Op deze wijze zijn nu ook uit Zeeland sedert het jaar 1852 een groot aantal archieven van weeskamers in hun geheel of gedeeltelijk naar 's-Gravenhage overgebracht. Eene uitzondering moet hier gemaakt worden ten aanzien van die stukken, die, zoals we boven zagen, dadelijk in 1811 en 1812 met de stukken van rechterlijke aard bij de nieuwe rechterlijke colleges geplaatst waren, en altijd met die stukken waren verenigd gebleven. Intussen heeft men een enkel maal ook aan deze stukken gedacht: in 1867, toen er een nieuw gebouw kwam voor de arrondissementsrechtbank te Zierikzee, heeft men bij de verplaatsing daarheen van de oude rechterlijke archieven *  , de weeskamerstukken daarvan afgescheiden en naar de Algemeene Commissie van Liquidatie te 's-Gravenhage doen overbrengen.
Op haar beurt is nu deze Commissie vervallen bij de wet van 14 november 1879, de bestuursmaatregel, als gevolg van welke, zoals we boven blz. 6 zagen, deze groep van archieven in het Rijksarchief-depôt in Zeeland te land is gekomen. Ten aanzien van de archieven der voormalige weeskamers werd in art. 9 van die wet bepaald, dat de gemeenten, die op het bezit dier archieven prijs stellen, binnen zekeren termijn deze van de Commissie konden opvragen, anders was de Minister van Financiën gemachtigd er over te beschikken. In Zeeland hebben enkele gemeenten *  van dit aanbod gebruik gemaakt, het meerendeel echter niet. Er is daarop gevolgd een overleg tussen de Minister van Financiën en de Provinciale Archivaris, en zodoende zijn de archieven van alle weeskamers, voor zover ze niet door de gemeentebesturen waren opgevraagd, naar het Provinciaal Archief van Zeeland opgezonden.
De verzameling was hiermee intussen nog niet volledig: immers, zoals we boven zagen, had na 1852 de overbrenging naar 's-Gravenhage uit de kantongerechten en gemeenten veelal slechts gedeeltelijk plaats gehad. In 1909 is daarom een onderzoek ingesteld, welke archieven daar nog waren achtergebleven *  . Voor de kantongerechten leverde dit onderzoek niets op, maar van verschillende gemeentebesturen-natuurlijk voor zover deze niet in 1879 hun weeskamerarchief uit 's-Gravenhage hadden teruggevraagd *  -konden nog oude weeskamerstukken worden overgenomen. Een enkele maal bleek toevalligerwijze, dat er stukken van andere gemeente waren verzeild geraakt. Zo werden nog in 1912 een aantal registers van weesakten van Sint Annaland (inv.nrs 5860-5870) van het gemeentebestuur van Tholen overgenomen.
Behalve de beide in deze inventaris opgenomen grote rubrieken van de archieven der rechtbanken en weeskamers, is er nu nog een derde rubriek van krachtens bestuursmaatregel overgenomen archieven te vermelden: de archieven van de op de Zeeuwse eilanden geresideerd hebbende notarissen. Art. 69A van de wet op het notaris-ambt van 9 juli 1842, zoals die laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 12 december 1905, bepaalt het volgende: 'De notariëele archieven, welke van vóór de invoering van de Fransche wetgeving dagteekenen, zullen worden overgebracht naar 's Rijks algemeen archief-depôt te 's-Gravenhage en naar de Rijksarchiefdepôts in de provincies of naar andere bij algemeenen maatregel van bestuur nader aan te wijzen archiefdepôts', en volgens art. 7 van het Koninklijk Besluit van 23 augustus 1907 (de boven blz. 6 bedoelde algemene maatregel van bestuur) wordt de mogelijkheid geopend, dat die notariële archieven, die op een bepaalde gemeente beterkking hebben, op zekere voorwaarden aan die gemeente in bewaring worden gegeven.
Evenals met de rechterlijke archieven, is dit in Zeeland krachts machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 maart 1910 alleen geschied ten aanzien van de gemeente Middelburg, en met uitzondering van de Middelburgse notarissen zijn dus verder de archieven van alle op het gebied der Zeeuwse eilanden geresideerd hebbende notarissen in deze inventaris opgenomen. Ook hier volledigheidshalve nog een kort woord over de vroegere lotgevallen van deze archieven. In tegenstelling met de rechterlijke zijn de archieven van de notarissen bij de invoering van de Franse rechterlijke organisatie overal geheel onaangeroerd gelaten, en is er door de Franse wetgever ook geen enkele bepaling daaromtrent gemaakt. Zo bleven deze archieven dus voorlopig nog onder de hoede van de gemeentebesturen: immers onder de Republiek was over het algemeen in Zeeland de toestand deze, dat de archieven der overleden notarissen krachtens plaatselijke bepalingen *  aan de secretaris van het stads- of heerlijkheidsbestuur moesten worden ter hand gesteld om in het 'secreet comtoir' te worden bewaard *  .
De wet op het notaris-ambt van 1842 maakte nu hieraan een einde door in art. 69 te bepalen, dat alle notariële archieven, die zich op dat ogenblik in openbare bewaarplaatsen bevonden, moesten worden overgebracht naar de nieuw ingestelde algemene bewaarplaatsen der notariële protocollen bij de arrondissementsrechtbanken. Uit deze bewaarplaatsen, in Zeeland sedert de opheffing van de rechtbank te Goes in 1877 alleen nog te Middelburg en Zierikzee, zijn nu in 1910 en 1911 volgens bovengenoemde wet van 12 december 1905 de notariële archieven van vóór de invoering der Franse wetgeving naar het Rijksarchief-depôt in Zeeland overgebracht.
In de voorgaande bladzijden zijn de lotgevallen van de in deze inventaris beschreven groepen van archieven, naar ik hoop, voldoende in het licht gesteld, en is tevens de verklaring gegeven, op grond waarvan deze archieven, hoewel in sommige opzichten een geheel van elkaar verschillend karakter dragen, maar toch onder meer hierin allen overeenkomende, dat ze krachtens bestuursmaatregel in het Rijksarchief-depôt in Zeeland geplaatst zijn, in één inventaris zijn verenigd.
Intussen wil ik deze paragraaf niet afsluiten zonder nog eens meer opzettelijk een paar algemene opmerkingen gemaakt te hebben omtrent de aard van een bepaalde soort der archieven, die nl. van de plaastelijke rechtbanken en van de weeskamers *  . Het best zal dit mogelijk zijn, wanneer ik daarbij weder uitga van het omtrent de overbrenging van de oude rechterlijke archieven, zoowel in het Koninklijk Besluit van 8 maart 1879, als in de Arrêté's van de Prefect van het Departement des Bouches de l'Escaut van 18 mei en 8 juni 1811 bepaalde. Al deze besluiten waren zeer zeker heilzaam, laatstgenoemde uit het oogpunt van de plaats van bewaring der archieven, omdat er in het vervolg betere waarborgen voor een goede bewaring zijn zouden bij de nieuwe rechterlijke colleges of bij de hypotheekbewaarders dan bij de besturen der vaak zeer kleine gemeenten, waar de stukken anders zouden blijven berusten, het Koninklijk Besluit van 1879 uit het oogpunt van de raadpleging der archieven: immers de archieven, die tot dusverre voor de wetenschap generlei of weinig nut konden afwerpen, kwamen nu onder beheer van een archivaris, die ze in dit opzicht veel beter tot hun recht kon doen komen.
Uit een archiveconomisch oogpunt was echter zowel het ene als het andere besluit in strijd met de eerste grondbeginselen van de archiefleer. Toen er toch bij de invoering van de nieuwe rechterlijke organisatie in 1811 colleges werden ingesteld, die zich in het vervolg uitsluitend met rechtspraak zouden hebben bezig te houden, gingen weliswaar de rechterlijke functies van alle plaatselijke besturen op die nieuwe colleges over, maar daarmee was nog niet gezegd, dat die plaatselijke besturen nu ook ophielden te bestaan. Integendeel bleven ze als gemeentebesturen, geheel als vroeger, hun administratieve functies voortzetten, en, hoezeer het nu ook uit een practisch oogpunt gewenst was de stukken, die van hun vroegere rechterlijke functies de neerslag vormden, bij de nieuwe rechtbanken te deponeren, waar uit de aard van de zaak vooral in de eerste tijd deze stukken nog vaak zouden moeten worden geraadpleegd, in theorie was deze handelwijze niet anders dan het uiteenrukken van een levend organisme, dat, na de instelling van de rechtbanken, in de gemeentebesturen nog voor een belangrijk, zo niet het belangrijkste gedeelte bleef voortleven. Anders, en beter had men vroeger gehan deld in dat gedeelte van Zeeland, dat reeds in 1795 Frans was geworden.
Hoewel ook daar spoedig na de inlijving de nieuwe rechterlijke organisatie was ingevoerd, en daarmee de rechterlijke functies van de plaatselijke besturen op de nieuwe rechterlijke colleges waren overgegaan, zo waren daar toch alle stukken voorlopig onder berusting van de verschillende plaatselijke besturen gelaten. Veel later zijn deze stukken ook daar uit hun verband gerukt: immers het Koninklijk Besluit van 9 oktober 1883 bepaalde, zoals we boven zagen, dat alle rechterlijke archieven, die onder de gemeentebesturen berustten, moesten worden overgenomen, en zo worden dus thans de rechterlijke gedeelten van de archieven der plaatselijke besturen in Zeeuwsch-Vlaanderen bewaard in het Rijksarchiefdepôt in Zeeland, afgezonderd van de administratieve gedeelten, die zich nog in de gemeenten bevinden.
Evenwel-en dit geldt evenzeer voor Zeeuwsch-Vlaanderen als voor het overige gedeelte van Zeeland-behalve de gemeentebesturen waren er nog verscheiden andere levende organismen, als besturen van polders, gilden, kerken, het bestuur van de Schotse Stapel te Veere, enz. enz., die evenzeer vóór 1811 zekere rechterlijke functies hadden uitgeoefend, welke in dat jaar op de nieuwe rechterlijke colleges waren overgegaan, zodat dus evengoed de stukken, die de neerslag van deze rechtspraak vormden, naar de nieuwe rechtbanken hadden moeten worden overgebracht. Inderdaad heeft de Franse wetgever dit zo bedoeld: in art. 1 van het Arrêté van de Prefect van het Departement des Bouches de l'Escaut van 18 mei 1811 leest men van de 'cours, tribunaux, chambres des orphelins et généralement toutes les juridictions' en nog duidelijker spreekt een aanschrijving van de Intendant van Binnenlandse Zaken aan de Prefect, waarin gezegd wordt, dat naar de nieuwe rechtbanken moeten worden overgebracht de archieven der 'justices seigneuriales, féodales et autres tribunaux d'exception quelconque, même ecclésiastiques et académiques'. Intussen, in de praktijk is van een overbrenging van al deze archieven, de een of andere soort van bijzondere rechtspraak betreffende, niets gekomen: de rechterlijke gedeelten van de archieven der polderbesturen zijn onder die besturen gebleven, de besturen der gilden hebben hun archieven in hun geheel gehouden, de besturen van kerkelijke lichamen hebben de stukken onder zich gehouden, ook voor zover die de rechtspraak mochten betreffen, die op de wereldlijke rechter was overgegaan.
Vanzelf is dus een beschrijving van al deze fragmentarische archieven in onze inventaris, waarin immers uitsluitend krachtens bestuursmaatregel overgebrachte archieven zijn opgenomen, uitgesloten, ook waar het geldt fragmenten van archieven,die van ouds in het Statenarchief berust hebben, of die op de wijze, als bedoeld in § 4,60. van de Handleiding in latere tijd toevalliger wijze, door schenking of anderszins in het Rijksarchief-depôt in Zeeland geplaatst zijn. In de Utrechtse inventaris van de rechterlijke archieven *  zijn ook alle laatstgenoemde archieven opgenomen, en zo had men ook in Zeeland kunnen doen met het archief van de Staten van Zeeland, voor zover het betreft de rechtspraak in belastingzaken, met de archieven van de directe en de indirecte belastingen in Zeeland, voor zover deze de rechtspraak van de admiraliteit van Zeeland betreffen *  , met de archieven van enkele heerlijkheden, die later in het Rijksarchief-depôt geplaatst waren, en misschien nog met enkele andere archieven. Behalve om bovengenoemde redenis dit echter ook hierom niet geschied, omdat al deze onder het beheer van de rijksarchivaris staatnde stukken toch al zijn beschreven of te eeniger tijd zullen beschreven worden tegelijk met het gehele archief,-hetzij dan het Statenarchief of eenig ander archief-waarvan ze een intregrerend gedeelte uitmaken.
Hetzelfde standpunt had men zeer zeker ook kunnen innemen ten aanzien van de rechterlijke gedeelten van de archieven van de plaatselijke besturen, m.a.w. men had met de beschrijving daarvan kunnen wachten, totdat ook de inventarissen van de administratieve gedeelten van die archieven waren gereed gekomen. Zodoende hadden in deze inventaris alleen behoren te worden opgenomen het archief van het Departementaal Gerechtshof van Zeeland en de archieven van de notarisen, die allen uit de aard van de zaak een afgesloten geheel vormen, en bovendien de archieven van de landsvierscharen te Veere en te Vlissingen, die, zoals we in de volgende paragraaf nader zullen aantonen, ook niet als fragmenten van elders berustende archieven kunnen beschouwd worden. De publicatie van alle verder in deze inventaris beschreven archieven van de plaatselijke rechtbanken en van de weeskamers had dan moeten worden uitgesteld, totdat toevalligerwijze ook de bijbehorende administratieve stukken, die nog in de betrokken gemeente berusten, geïnventariseerd waren. In de gegeven omstandigheden scheen dit echter niet gewenst. Op deze wijze toch had de verschijning van het belangrijkste gedeelte van deze inventaris nog jaren lang moeten worden uitgesteld, of in ieder geval slechts stukgewijze kunnen plaatsvinden, en dat bezwaar doet zich nog te meer gevoelen in de provincie Zeeland, waar nog slechts zeer enkele archieven van gemeenten aan rijk in bruik-leen zijn afgestaan, en waar, wat betreft het gebied van de Zeeuwse eilanden-met uitzondering van de in zeer bijzondere omstandigheden verkerende stad Reimerswaal-nog geen enkel archief van een plaatselijk, hetzij stads-, hetzij heerlijkheidsbestuur, wetenschappelijk is geregeld.
Omgekeerd kan de publicatie in deze inventaris van de rechterlijke gedeelten van genoemde archieven er wellicht juist toe leiden, dat sommige gemeenten te eerder hun oud-archief van vóór 1811 aan het rijk in bruikleen afstaan, of, zo men er - wat zeer begrijpelijk zijn zou - prijs op stelt de stukken onder eigen beheer te houden, op het rijksarchief doen regelen. In de op deze wijze samengestelde definitieve inventaris van het oud-archief van iedere gemeente afzonderlijk zullen dan steeds ook de betrokken nummers uit onze inventaris moeten vermeld worden: immers eerst zodoende zal weder een in alle opzichten volledig beeld worden verkregen van het archief van de magistraat, zoals dat vóór het jaar 1811, als onafscheidelijk geheel, in elke stad en heerlijkheid bestaan heeft, en zullen zowel de stukken van administratieve aard, die in het gemeentearchief berusten, als de stukken van rechterlijke aard, die in deze inventaris zijn beschreven, elkaar ophelderend en aanvullend voor de beoefenaren der geschiedenis en alle verder archiefonderzoekers dat nut kunnen afwerpen, dat men van een wetenschappelijke beschrijving daarvan rederlijkerwijze mag verwachten.
2. Indeling van de inventaris
[Samenstelling van de regestenlijst]
Inventaris
Regestenlijst
Regesten van akten daterende vóór 17 april 1577 die zijn uitgegaan van colleges of personen van wie de archieven niet in deze inventaris zijn beschreven. Voor een toelichting op de samenstelling van de regestenlijst zie de inleiding, paragraaf 'Regestenlijst'.
Kenmerken
Datering:
1456-1811 (1852)
Andere namen:
Oud Rechterlijk Archief, Oude Rechterlijke Archieven (ORA), Oud Notarieel Archief, Oude Notariële Archieven (ONA), Weeskamerarchief, Weeskamerarchieven, RAZE, "Lasonder", "Las."
Toegankelijk:
Inventaris
Openbaarheid:
Geen beperkingen
Inzage:
Studiezaal, in origineel
Opmerking:
In 1940 zijn de volgende inventarisnummers verloren gegaan: 258, 286, 368, 370, 373-377, 450-451, 453-454, 476, 946, 1076-1080, 1187, 1188, 1296, 1305, 1306, 1310-1311, 3106, 3110, 3111, 3146, 3147, 3167, 5539-5541. De archieven van de vierschaar, de weeskamer en de notarissen van de stad Middelburg, die niet in deze inventaris waren beschreven, zijn eveneens geheel verloren gegaan. De verloren gegane nummers zijn in de inventaris als zodanig gemerkt. Enkele onderdelen zijn overgedragen aan gemeentelijke archiefdiensten, dit is bij de betreffende beschrijvingen vermeld.
Omvang:
90 meter
Jaar bewerking:
1914
Titel publicatie:
L.W.A.M. Lasonder, De archieven van de rechtbanken, weeskamers en notarissen, die over het tegenwoordig grondgebied der provincie Zeeland gefungeerd hebben. [Deel 1]: De Zeeuwsche eilanden 1456-1811 (1852) ('s-Gravenhage 1914)
Beschrijving:
Verzamelinventaris van de archieven van de gerechten, weeskamers en notarissen in het gewest Zeeland (het huidige Zeeland zonder Zeeuws-Vlaanderen [het voormalige Staats-Vlaanderen])
Collectie:
Rijksarchief in Zeeland
Vindplaats:
Categorie: