366
Eigenaren Polder Voor-Donkersloot en Woude
Inventaris
1. Inleiding
Het archief van de eigenaren van de polder Voor-Donkersloot heeft betrekking op de eigendom, het beheer, de betwisting en de waterstaat van het gebied, dat begrensd wordt door de haven van Ridderkerk, de rivier de Noord en de polder Nieuw Rijerwaard. De laatste vormt met de polder Voor- Donkersloot en Woude de noord oostelijke hoek van het eiland IJsselmonde. De polder beslaat tezamen met het gebied, dat is ontstaan nabij de hofstede te Woude, de onbedijkte gedeelten niet meegerekend, een oppervlakte van 130 ha. Op de waterstaatkundige kaarten komt hij voor als de polder Voor- Donkersloot en Woude.
1.2. Eigendom en betwisting van de gronden
366 Eigenaren Polder Voor-Donkersloot en Woude
Eerst dan namelijk kan de polder als weiland worden gebruikt, Tegen dit gebruik hebben de heemraden van de Alblasserwaard zich geruime tijd verzet. Herhaaldelijk komt men in de stukken van het archief een verwijzing tegen naar keuren, die het doen weiden op de gronden van de polder verbieden; zie hiertoe inv. no. 15, eerste alphabetische nummering, omslag B, tweede alphabetische nummering omslag H, regesten nrs. 14, 20 en 50. Niettemin heeft het gebruik doorgezet en de vroegste acten van verpachting van hooiland in de polder treffen we aan in 1597; zie inv. no. 31. De eigendom van de polder en de ermee samenhangende rechten zijn dan vastgelegd. In hoofdzaak is dit geschied door een tweetal twistgedingen. Het eerste twistgeding, chronologisch, speelt tussen de heer van Alblasserdam, Godschalck van Outheusden, oud- dijkgraaf, en de hoge-in de stukken vermeld: dijk--heemraden van de Alblasserwaard. Het tweede speelt tussen één van de zes kinderen van de broer van bovengenoemde Godschalck, Jan, en wel Anna, de weduwe van Arent Coebel, en de heer van Ridderkerk; raadpleeg voor de familierelaties de bijlagen. Ondanks de geografische verlegging blijft de polder behoren tot het leenverband van het ambacht Alblasserdam. Tot deze uitspraak komt het Hof van Holland op 15 maart 1584; zie inv. no. 18.
Het eerstvermelde twistgeding gaat tot voor de Grote Raad van Mechelen. Na ampel beraad doet deze uitspraak op14 februari 1579. Het proces sleept dan 34 jaar. De uitspraak van de Grote Raad bevestigt die, in eerste aanleg gedaan door het Hof van Holland. De rechten op boete uit keur worden de eigenaren toegekend, de aardhaling geschiedt tegen vergoeding; zie inv.nrs.15 en 16, regesten nrs. 57, 62 en 70. Tot deze tijd maakt de polder deel uit van de ambachtsheerlijkheid Alblasser-dam, hetgeen in de stukken van het archief, vooral voorzover het de processen betreft, zijn neerslag gevonden heeft. Tal van retro-acta bij de processen hebben betrekking op de heerlijkheid. Deze stukken zijn soms reeds eerder geïnventariseerd, dan wel er bevinden zich aanvullingen op deze stukken in andere archieven, zoals in het archief van de Grote Raad te Mechelen, dat voorzover het de processen uit Holland betreft zeer recent is geïnventariseerd door de werkgroep Grote Raad onder leiding van prof. mr. J. TH. de Smidt. Bij de beschrijving van de regesten is er naar gestreefd de in een eerder uitgekomen inventaris vermelde vindplaats van het originele stuk, dan wel van aanvullende stukken de zaak betreffende, te noemen.
In de zeventiende eeuw wordt de band die bestaat tussen de heerlijkheid en de polder verbroken. Door de erfgenamen van Anna van Outheusden worden gedeelten van de polder verkocht. Aanvankelijk is dit een zesde gedeelte; waarschijnlijk waren aan de vermelde erfgenamen van Anna of van Jan, haar vader, de bovengenoemde broer van Godschalck, gedeelten van de polder kindsdeelsgewijs toegewezen, terwijl Arent Coebel het overige gedeelte van de heerlijkheid had overgenomen van Jan, zijn neef. In de tweede helft van de zeventiende eeuw wordt van het oorspronkelijke bezit wederom een gedeelte, thans een derde, verkocht. Kopers zijn de eigenaren van het overig gedeelte van de polder naar evenredigheid van hun bezit, Ten gevolge daarvan ligt voor het vervolg een verdeling in vierde parten voor. Eén vierde part is het vergrote voorvermelde zesde gedeelte dat is overgegaan op Pieter van der Dussen uit Delft. De verkoop geschiedt door Maria Anna van Outheusden, weduwe van Peter de Huter, die de bedijker van de polder was geweest en voor 20 jaar huurder van het gedeelte, dat niet tot het bezit van zijn vrouw behoorde: zie inv. no. 4. Tot de bedijking hadden de dijkheemraden van de Alblasserwaard toestemming gegeven, onder de voorwaarde, dat een gedeelte van de polder onbedijkt zou blijven met het oog op het uitoefenen van het recht van aardhaling; zie inv. no. 20.
De drie vierde parten, welke vanuit de van Outheusden tak komen aan de familie d'Overschye vinden we in 1730 wederom in één hand; zie inv. no. 5 en bijlage 3. Zij het voor korte tijd. De eigenaar, Charles Joseph d'Overschye, weet, ondanks betwisting van zijn rechten op de eigendom door de heer van Ridderkerk zijn bezit te verkopen, waarschijnlijk aan Leendert Pijl, dezelfde, die, omstreeks deze tijd, van de heer van Alblasserdam de buitendijkse aanwassen aan Alblasserdamse zijde in erfpacht en achterleen ontvangt; zie inv. no. 6 en inv. no. 9. Zijn erven verkopen dit bezitsdeel weder, en wel voor de helft aan Otto de Kat, die in de tijd van de Bataafse republiek tevens beheerder is van de polder, en voor de helft aan Ocker Gevaerts. De eerste weet als beheerder Willem Joseph van Brienen, die door erfenis eigenaar is geworden van het andere kwart, te betrekken bij de transacties, die de, dan gezamelijke, eigenaren van de polder afsluiten met de erven Pijl. Onder de sluier van de Franse revolutie is het door Leendert Pijl verworven achterleen namelijk als volledig bezit te boek komen te staan en eenzelfde claim menen zijn erven te moeten doen gelden op buitendijkse aanwassen aan de zijde van de polder Voor-Donkersloot. Ten einde deze aanwassen met het bezit van de polder als geheel weder te verenigen worden de voorvermelde transacties afgesloten; inv. nrs. 11-14.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||




