147
Hervormde Kerk Spijkenisse
Inleiding
Archiefvorming Geschiedenis van de instelling Organisatie Kerkvoogdij
147 Hervormde Kerk Spijkenisse
Schout en Schepenen van Spijkenisse waren de kerkmeesters. Waaruit hun inkomsten als kerkmeesters bestonden is, behalve uit de collecten in de kerkdiensten, niet na te gaan. Dat ze niet erg scheutig waren met geld blijkt hieruit, dat de kosten gemaakt bij het beroepingswerk in 1787 niet door hen vergoed werden. Ook de diaconie weigerde deze te betalen. In.1789 waren de hiervoor gemaakte schulden nog niet betaald en men besloot een collecte te houden, Deze bracht iets meer op dan het benodigde bedrag. Het restant werd als liefdegave in de diaconiekas gestort. In 1794 deed hetzelfde geval zich wederom voor. Weer weigerden de kerkmeesters de kosten te betalen, al stonden zo wel toe te gaan beroepen. Uit naam van de kerkenraad wordt dan geschreven: de kerken-raad neemd van den Achtbn Gerechte, voor tegewoordig, - de gegeven handopening tot het beroep van een predikant, zooals die nu gegeven is, eerbiedig aan: behoudende aan zig het recht, om in vervolg van tijd, het recht des kerken-raads, dat zij zouden vermenen te hebben, te rnainteneren". * Zo ging het ook met de pastorie De ambachtsheer bemoeide zich er mee en verlangde o.m. dat voor het beroep de kwestie van pastorie en tuin opgelost moest worden. * Op 4 juni kwamen kerkenraad en magistraat (= kerkmeesters) bijeen om de zaak van de pastorie op te lossen welke afdoening wierd gevonden... dat den Predikant voor zijn reekening had opgenomen, alles te betalen, wat er nog te betalen stond bij 't eindigen van de verbetering van Pastorie en thuin..." hoewel de predikant verklaarde nooit "zulks gezegt of gedagt te hebben, maar de proevles van zijn grooten Heer en Mr te willen gehoorzamen, welke vorderde: dat zoo iemand den Rok wilde nemen men hem ook den Mantel moest laten, dat Hij hem om des Evang. willen en zijn's Naams Eer verkoos te Eerbiedigen...." *
Van 1799 af vinden wij kerkmeestersrekeningen. * De inkomsten bestaan uit collecten in de kerk, pachten en renten, graven, zitplaatsen in de kerk. De uitgaven betreffen voornamelijk de onderhoudskosten, wijn en brood: voor het avondmaal en de salarissen van de kerkelijke functionarissen. De predikant krijgt voor de classis Brielle een bedrag uitbetaald. Het traktement van de predikant wordt door het gouvernement uitbetaald, maar dit laat wel te wensen over. Als in vele andere gemeenten wordt dit jaren achtereen niet uitbetaald. * In de jaren 1843 - 1845 doen de kerkvoogden en notabelen moeite het rijkstraktement verhoogd te krijgen. Doch zonder succes. * De gemeente springt dan bij door een derde collecte in de kerkdienst, die genoemd wordt "voor het fonds" ten einde hierdoor het predikantstraktement te kunnen verhogen. De overgang van "kerkmeester" naar "kerkvoogd" vindt plaats in 1821. De rekening van Huibregt de Baan als kerkmeester over 1820 is de laatste; de rekening over 1821 vermeldt: "Huybregt de Baan als ontfanger van zulke gelde welke hij in zijn administratie van de kerk en Pastorie ontfange en uytgegeve heeft". * Verdere aawijzingen over deze wisseling zijn in dit archief niet te vinden. Daar de notulen van Kerkvoogden en Notabelen niet vóór 1860 aanwezig zijn, is niet na te gaan hoe deze functionarissen verkozen werden. Sinds 1860. blijkt dat twee kerkvoogden zitting hebben namens de gemeente, één namens de gemeenteraad en twee namens de kerkenraad. Uit de notulen blijkt voorts, dat de verkiezing door coöptatie geschiedde. Op 18 november 1871 worden echter de notabelen door stembevoegde mannelijke lidmaten gekozen en op 20 december verkiezen de notabelen de kerkvoogden. Het onderscheid tussen kerkvoogden namens de gemeente, namens de gemeenteraad of namens de kerkenraad is dan vervallen.
Inventaris
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||





