A  |  A  |  A
Uw zoekacties: Intercommunaal Bouwfonds "Land van Maas en Roer"
 4100 Intercommunaal Bouwfonds "Land van Maas en Roer" ( Gemeentearchief Roermond )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
Inventaris
1. Inleiding
sluiten
4100 Intercommunaal Bouwfonds "Land van Maas en Roer"
1. Inleiding
Vindplaats:
In deze vergadering zijn wij bijeengekomen o.a. om het liquidatie-plan van "Het Land van Maas en Roer" vast te stellen. Immers overeenkomstig uw in de vorige vergadering uitgebracht advies hebben de vijftien gemeenten welke thans nog in ons fonds samenwerken besloten de gemeenschappelijke regeling met ingang van 1 januari 1982 te beëindigen.
Het is daarom wellicht interessant enkele memorabele punten uit het bestaan van het fonds voor het voetlicht te brengen.
De gemeenschappelijke regeling trad in werking op 1 mei 1953. De eerste voorzitter van het fonds was de heer J.P.H. Cartigny, wethouder van financiën der gemeente Roermond, die vanaf 1 mei 1953 tot september 1958 - toen hij terugtrad als wethouder - deze functie vervulde. Hij werd opgevolgd door de heer K.J.H. van Laer, die het voorzitterschap bekleedde tot september 1970. De heer van Laer die zich niet meer als raadslid verkiesbaar had gesteld, werd opgevolgd door ondergetekende die bij de beëindiging van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 1982 zijn functie zal neerleggen.
Tot leden van het dagelijks bestuur werden in de eerste vergadering van de centrale commissie benoemd de heren J.L.H. Claessen, burgemeester der gemeente Beesel en de heer A.B.J. Ewalds, burgemeester van de gemeente Maasbracht.
De heer Claessen was lid van het dagelijks bestuur tot 1959 toen hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Zijn opvolger was de heer F.J. Cuijpers, burgemeester van Echt, die bij zijn pensionering in 1966 werd opgevolgd door de huidige burgemeester van Echt, de heer drs. W.F.A. Heemskerk, die tot op heden zitting heeft.
Het langst heeft deel uitgemaakt van het dagelijks bestuur de heer Ewalds, die van 1 mei 1953 tot zijn pensionering in maart 1978, dus bijna 25 jaar over het doen en laten van "Het Land van Maas en Roer" heeft medebeslist. Zijn opvolger als burgemeester, de heer P.J. Vaes, werd door de centrale commissie als zijn opvolger tot lid van het dagelijks bestuur benoemd en maakt daarvan nog deel uit.
Tot secretaris van het fonds werd door uw commissie in 1953 benoemd de heer Mr. W.F.N. Hosselet secretaris van de gemeente Roermond. Hij bekleedde dit ambt tot zijn overlijden in 1963. Daarna werd benoemd tot secretaris de heer G.F.L. Tulfer, die vanaf de oprichting van het fonds in 1953 tot 1966, in welk jaar de administratie van het fonds naar het Bouwfonds voor Limburgse Gemeenten werd overgeheveld, de functie van administrateur van 'Het Land van Maas en Roer' vervulde.
Zoals ik reeds aanhaalde trad de gemeenschappelijke regeling op 1 mei 1953 in werking.
De eerste lening werd reeds op 8 juni d.a.v. toegekend en was groot fl. 6.000,-. Het maximum bedrag hetwelk als lening kon worden toegekend beliep 90 % van de nettostichtingskosten. Onder netto-stichtingskosten werden verstaan de totale brutoverwervingskosten verminderd met alle van rijkswege te ontvangen bijdragen.
Daarbij moesten de bruto-bouwkosten, ongeacht de door bouwer te betalen aanneemsom, berekend worden aan de hand van een door de hoofdingenieur-directeur van de volkshuisvesting vast te stellen bouwprijs per m3.
In 1953 werd bij een of andere feestelijke gelegenheid een feestnummer uitgegeven van het dagblad "De Limburger".
Hierin is door het fonds een twee pagina's grote advertentie geplaatst. Dit heeft wel vruchten afgeworpen , want twee jaar later in juni 1955 kon reeds de vijfhonderdste lening werd toegekend. Eind 1955 begin 1956 werd door het dagelijks bestuur het plan plan opgevat een folder uit te geven waarin de mogelijkheden van het opnemen van een lening zouden worden uiteengezet, maar die vooral zou moeten dienen om aspirant - bouwers te overtuigen van de wenselijkheid om als spaarder tot het fonds toe te treden en het in die tijd nog benodigde eigen geld bij het fonds te sparen, waarna de lening onder bepaalde voorwaarden tegen een gereduceerde rente zou kunnen worden opgenomen. Prijsopgave en prospectussen van folders waren reeds ontvangen en er waren al foto's gemaakt van woningen, gebouwd met leningen van het fonds, die in de folder zouden worden opgenomen.
Ook waren besprekingen gevoerd met de drie andere in Limburg werkende bouwfondsen (Weert, Venlo en Geleen) om ten aanzien van de spaarders het wederkerigheidsbeginsel in te voeren.
Op 1 juni 1956 trad echter in werking het Besluit bevordering eigen woningbezit.
Hierin werd de oprichting van bemiddelende organen voorgeschreven en die zouden een dikke vinger in de pap krijgen bij de verstrekking van leningen voor eigen woningen en het fonds verwachtte, dat het Besluit Bevordering Eigen Woningbezit de werkzaamheden van de Limburgse bouwfondsen zou doorkruisen.
De uitgave van de folder werd daarom aangehouden.
Gezien de gestegen bouwkosten werd in 1956 besloten de hypotheekgrens van 90% van de netto stichtingskosten met een maximum van fl. 12.000,- te verhogen tot een maximum van fl. 16.000,-.
Door de moeilijkheden op de kapitaalmarkt, ten gevolge van de omstandigheid dat de gemeenten en overheidsinstanties alleen nog maar gelden konden opnemen bij de Bank voor Nederlandse Gemeenten, kwam het fonds in moeilijkheden. Ondanks alle intensieve bemoeiingen kwam het fonds niet in aanmerking om bij de Bank voor Nederlandse Gemeenten een lening te verkrijgen. Diverse andere geldgevers werden benaderd, maar niemand toonde interesse. De gemeente Roermond verstrekte kasgeldleningen om het fonds draaiende te houden. Toen echter aan de wethouder van financiën van Roermond, zijnde voorzitter van het fonds, ter provinciale griffie werd medegedeeld dat de door Roermond voor het fonds gesloten kasgeldleningen zouden worden beschouwd als kasgeldleningen van de gemeente Roermond, zodat deze gemeenten geacht werd de kasgeldnorm te hebben overschreden, werd besloten het verstrekken van leningen voorlopig stop te zetten.
In Juli 1957 slaagde het fonds er eindelijk in een kasgeldlening te sluiten en daarmede de bij de gemeente Roermond opgenomen middelen grotendeels af te lossen.
De Bank voor Nederlandse Gemeenten, nogmaals benaderd, bleef weigeren een vaste lening aan het fonds te verstrekken, omdat deze niet was om te zetten in voor de Nederlandse Bank acceptabele promessen. Er werd geadviseerd -ten einde de voorschot verlening te kunnen hervatten- te bepalen, dat de gemeenten het geld dat hun inwoners als lening bij het bouwfonds wilden opnemen zelf aan het fonds moesten lenen.
De gemeenten konden die gelden dan inbrengen bij het aan de Bank voor Nederlandse Gemeenten te vragen krediet.
In de geest van het vorenstaande is toen aan de aangesloten gemeenten een regeling medegedeeld, maar de gang van zaken werkte toch zeer verstorend op het verstrekken van leningen aan bouwers. Het resultaat was dan ook, dat hoewel de 750e lening al één jaar na de 500e kon worden toegekend (namelijk op 8 oktober 1956) de toekenning van de 1000e eerste plaats had op 13 juni 1962.
Intussen hadden eind 1958 de dagelijkse besturen der vier Limburgse bouwfondsen de hoofden bij elkaar gestoken om te komen tot het gezamenlijk in het leven roepen van een N.V., zulks gedeeltelijk naar het voordeel van de N.V. Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, destijds gevestigd te Assen, naderhand te Hoevelaken.
Indien hieraan uitvoering zou kunnen worden gegeven, zou men geen rekening meer hoeven te houden met het van hogerhand voorgeschreven rentegamma en de m3-prijs. Hoewel een aantal besprekingen zijn gevoerd en zelfs de statuten in ontwerp zijn opgesteld, is het toch niet tot de oprichting van een N.V. gekomen.
In 1959 en 1960 konden weer enkele vaste leningen worden gesloten en ook enkele kasgeldleningen. Nu over weer wat middelen werd beschikt kon ook weer de voorschotverstrekking - zij het mondjesmaat - ter hand worden genomen.
Het fonds kon echter niet meer normaal functioneren. Daarom werd - mede dank zij de bemiddeling van drs. F.M. Feij, destijds burgemeester van Melick en Herkenbosch - toenadering gezocht tot het Bouwfonds voor Zuid-Limburg (zoals destijds de benaming was van het huidige Bouwfonds Limburgse Gemeenten) te Geleen. Na uitvoerige besprekingen is in 1965 besloten aan de aangesloten gemeenten te adviseren toe te treden tot het Bouwfonds in Geleen en na die toetreding de gemeenschappelijke regeling van ons fonds zodanig te wijzigen, dat geen leningen meer kunnen worden uitgegeven, zodat het fonds in Geleen geen concurrentie behoefde te vrezen. De voorzitter van ons fonds -de heer van Laer - ging deel uitmaken van het bouwfonds te Geleen.
Het is wellicht nog interessant nog te vermelden, dat in totaal 1045 leningen door " Het Land van Maas en Roer " zijn verstrekt tot een totaalbedrag van fl. 12.630.000,-.
Het hoogste bedrag dat op een bepaald moment uitstond was in het jaar waarin de moeilijkheden begonnen n.l. 1957. Het uitstaand bedrag beliep toen fl. 7.623.000,-.
Het hoogste leningsbedrag werd toegekend in november 1956 aan een voorschotnemer uit de gemeente Swalmen voor de bouw van een woonhuis met bedrijfsruimte (drogisterij). De stichtingskosten waren geraamd op fl. 92.683,- en het toegekende leningsbedrag beliep fl. 60.675,-.
Het kleinste bedrag hetwelk als lening werd toegekend beliep fl. 1.600,- en werd verstrekt aan een voorschotnemer die in de gemeente Montfort een huis bouwde waarvan de stichtingskosten werden geraamd op fl. 15.820,--. Op grond van de Wet Materiële Oorlogsschade kreeg hij een uitkering van fl. 10.010,-- en bij een eigen geld van fl. 4.210,- kon met een lening van fl. 1.600,- worden volstaan.
Omtrent de rente waartegen de leningen werden verstrekt kan nog het volgende worden opgemerkt.
De looptijd van de leningen beliep vijftien jaar. De rente bleef de eerste 10 jaar gelijk en was de laatste vijf jaar 1/2% hoger dan de tien voorgaande jaren.
Van 1 mei 1953 tot oktober 1956 was de beginrente 3 1/2%. Daarna tot januari 1957 4 %.
Vervolgens werden van januari 1957 tot maart 1964 leningen uitgegeven tegen een rente van 4 1/2 %. De enkele leningen die nog tussen maart 1964 en juli 1964 werden verstrekt, werden belast met een rente van 5 %, terwijl nà juli 1964 nog heel enkele werden toegekend tegen 5 1/2 %.
Het totaal aantal spaarders heeft slechts 59 bedragen. Het totaal van het spaartegoed hetwelk in de loop der jaren bij het fonds heeft uitgestaan beliep met de daarover verschenen rente fl. 139.300,-.
Na de toetreding van de in "Het Land van Maas en Roer" samenwerkende gemeenten tot het Bouwfonds voor Limburgse Gemeenten is overwogen de uitstaande leningen ook over te dragen aan dat bouwfonds. Dit kon echter niet zonder nieuwe notariële akte en de daaraan verbonden kosten zouden dan voor rekening van de geldnemers komen.
Daarom is hiervan afgezien en moest het fonds dus blijven voortbestaan totdat alle leningen waren afgelost. Ieder jaar moest u dus eenmaal bij elkaar komen om rekening en begroting te behandelen. Per 1 januari 1976 zijn de gemeenten Roosteren en Susteren uit de regeling getreden, zodat nog vijftien samenwerkende gemeenten overbleven.
Gezien de looptijd van de leningen heeft het tot heden geduurd voordat beëindiging van de gemeenschappelijke regeling in zicht kwam.
2. Inventaris
Kenmerken
Datering:
1953-1982
ISIL-Code:
NL-RmGA
Vindplaats:
Categorie: