27
Onze Lieve Vrouwe Abdij te Middelburg
Inleiding
Inventaris
2. Financieel beheer van de Abdij en hare goederen
De Abdij trok hare inkomsten hoofdzakelijk uit haar grondbezit, dat vooral in Walcheren zeer aanzienlijk was. Oorspronkelijk schijnt het beheer der Abdijgoederen in ééne hand te zijn geweest. Voor zooverre de Abt het zelf niet uitoefende, schijnt het aan den proost opgedragen geweest te zijn. Zoo was de toestand nog in het midden der 15e eeuw. Naarmate de Abdij intusschen hare bezittingen ook buiten Walcheren uitbreidde, werd het noodzakelijk voor die buitenbezittingen bijzondere rentmeesters aan te stellen. In 1464 komt voor het eerst zulk een ambtenaar voor de goederen in het land van Heusden voor. Zoo beperkte zich het beheer van den proost langzamerhand uitsluitend tot de Walchersche goederen. Het financieel beheer in het algemeen schijnt toen bij den Abt zelf berust te hebben (van daar dat de buiten Walcheren gelegene goederen, die dus niet onder het beheer van den proost stonden, in 1535 de goederen, behoorende tot mijns heeren kamer, worden genoemd, in tegenstelling tot de Walchersche proosdijgoederen). De abt Maximilianus van Bourgondië (1518-1536) was voor zooverre bekend de eerste, die zich in deze deed vervangen door een rentmeester-generaal der Abdij. In 1534 werd de rentmeester-generaal ontslagen en de klachten, die over zijn beheer vielen, bewijzen voldoende, hoezeer deze instelling tegen de oude gebruiken streed. Nog tijdens het bewind van dezen abt schijnt toen het financieel beheer in zijn geheel aan den proost te zijn opgedragen, wien de overige rentmeesters ondergeschikt waren. Of dit een terugkeer tot den toestand vóór 1518 was, blijkt uit de stukken niet. In elk geval kwam er spoedig verandering. Reeds in 1540 was de proost uitsluitend tot het beheer der Walchersche goederen beperkt, en berustte het, algemeen financieel bestuur bij den Abt, die zich zoo noodig door den prior liet vervangen.
Behalve deze inkomsten uit zijne goederen, had de Abt nog andere ontvangsten. De bakmeester en de kelderwaarder der Abdij hadden elk hunne eigene goederen, waaruit zij in de eerste plaats de noodige betalingen ten behoeve der kanunniken deden, maar het saldo werd aan den Abt afgedragen. Bovendien ontving de Abt als ambachtsheer van Oostkapelle en andere perceelen ambachts in Walcheren zekere inkomsten uit de opbrengst der lasten, over die ambachten omgeslagen, en als eerste lid der Staten van Zeeland zijn aandeel aan het surcrois. Daarbij kwamen dan nog de toevallige baten, die in geene rekening verantwoord werden.
Wat de uitgaven betreft, hoofdzakelijk was elke rentmeester alleen belast met die uitgaven, die voor het onderhoud enz. der door hem beheerde goederen noodzakelijk waren, maar de proost was, zeker als een gevolg van den vroegeren toestand, toen hij met het geheele financiëele beheer belast was, gehouden uit zijne inkomsten jaargelden en lijfrenten, die niet op elders gelegene goederen gevestigd waren, en bovendien hetgeen de Abt dagelijks noodig had, te betalen.
In het achterstaand gedeelte van den inventaris is hoofdzakelijk de indeeling van 1540 en later gevolgd.
2.2. Beheer der proosdijgoederen 2.2.8. Duinen
27 Onze Lieve Vrouwe Abdij te Middelburg
Regestenlijst
Bijlagen
In de oorspronkelijke, gedrukte inventaris zijn de bijlagen opgenomen na de inleiding.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||





