A  |  A  |  A
 95.1 Marine-Etablissement Vlissingen ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
95.1   Marine-Etablissement Vlissingen
1. Geschiedenis van het archiefvormend orgaan
Het marine-etablissement te Vlissingen werd in 1814 ingericht op en naast het terrein van de voormalige Admiraliteitswerf. Het stond onder leiding van de Directeur en Commandant der Marine te Vlissingen en bestond uit een Werf van Aanbouw en een Werf van Uitrusting. In 1868 werd het Vlissingse marine-etablissement opgeheven.
1.1. Landelijke organisatie
Tijdens de Republiek hadden alle vijf Admiraliteiten de beschikking over een eigen werf. Direct nadat het gehele grondgebied van de Republiek op 27 februari 1795 in Franse handen was gevallen werden de Collegiën ter Admiraliteit opgeheven. In hun plaats kwam één Comité tot de Zaken van de Marine. Onder het Comité ressorteerden vijf departementen van Marine: te Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Vlissingen en Harlingen. Vanaf november 1807, na de inlijving van Vlissingen bij Frankrijk, ressorteerde de marinewerf aldaar onder de maritieme prefectuur van Antwerpen. De overige marinewerven werden, bij de inlijving van de rest van Nederland, verdeeld tussen de onder-arrondissementen te Amsterdam en Rotterdam, beiden ressorterend onder de zeeprefect in het arrondissement Holland.
De gecentraliseerde marineleiding bleef na 1814 grotendeels gehandhaafd. Eén van de weinige uitzonderingen hierop was de organisatie van de marinewerven. De situatie van vóór 1795 werd min of meer hersteld met de vestiging van werven en etablissementen in Willemsoord (Den Helder), Medemblik, Enkhuizen, Hoorn, Amsterdam, Rotterdam, Hellevoetsluis en Vlissingen. De belangrijkste reden hiervoor was dat de marineleiding op deze manier aan elk der belangrijke zeegaten een steunpunt bezat. Bovendien werden hiermee de activiteiten gespreid over verschillende zeehavens waardoor het wegvallen van de Oost- en Westindische Compagnieën kon worden gecompenseerd. Tevens bleef men de mogelijkheid behouden om in geval van oorlogsdreiging de verschillende werven binnen korte tijd grote aantallen schepen te laten bouwen.
Bij Koninklijk Besluit van 18 december 1815 werden de marinewerven georganiseerd in drie hoofddepartementen. Onder het Hoofddepartement van de Zuiderzee vielen de vestigingen te Amsterdam (archief in Noord-Hollands Archief, toegang 187), Willemsoord (archief in Noord-Hollands Archief, toegang 375 en toegang 374), Enkhuizen (archief onbekend), Hoorn (archief onbekend) en Medemblik (dit archief is in 1865 op last van de Minister van Marine vernietigd daar het 'volstrekt zonder eenige waarde of tot eenig einde dienstig' was, vgl. De Hullu, VROA, 1918, p. 581). Het Hoofddepartement van de Maze omvatte de werven in Hellevoetsluis (archief in Nationaal Archief, toegang 3.09.14 en toegang 3.09.16.02) en Rotterdam (archief Nationaal Archief, toegang 3.09.16.01) en het Hoofddepartement van de Schelde bestond alleen uit het marine-etablissement te Vlissingen. Scheepsnieuwbouw vond uitsluitend plaats op de Werven van Aanbouw in Amsterdam, Rotterdam en Vlissingen.
Geen enkele werf had de bevoegdheid gekregen om zelfstandig beslissingen te nemen. Voor iedere zaak ontstond daarom een uitvoerige correspondentie. Deze geldverslindende bureaucratie, samen met het volgens velen te grote aantal werven en de hoge kosten aan de duizenden werknemers die op de werven werkzaam waren, stond voortdurend bloot aan grote kritiek vanuit de marine zelf en de Tweede Kamer. Spoedig werden daarom de meest excentrisch gelegen werven in Enkhuizen, Hoorn en Medemblik (1828) gesloten.
Een verdere rationalisatie werd afgekondigd bij Koninklijk Besluit van 10 juli 1843. De organisatie in hoofddepartementen werd vervangen door een meer overzichtelijke organisatie in vijf directies: te Willemsoord, Amsterdam, Rotterdam, Hellevoetsluis en Vlissingen. Alleen in Willemsoord en Vlissingen bleef een Werf van Aanbouw gevestigd. De Directeur en Commandant ontving volmachten om in de dagelijkse gang van zaken te beslissen, waarna één maal per maand verslag werd uitgebracht aan de minister. Een groot deel van de omvangrijke correspondentie met Den Haag werd hiermee stopgezet. Overtollig personeel werd met pensioen gestuurd en de traditionele jachten van de werven werden afgeschaft. In 1850 werd bovendien de vestiging in Rotterdam gesloten.
1.2. Vlissingen
In Vlissingen bestond reeds lang een Admiraliteitswerf. Deze was gelegen aan het zuidoostelijk gedeelte van het dok. In 1767 werd het door brand verloren gegane arsenaal op verzoek van de Admiraliteit van Zeeland vervangen. Vanaf 1795 stond de werf tevens ter beschikking van de Fransen. Bij de inlijving van Vlissingen bij Frankrijk gingen de Fransen er toe over de vervallen terreinen en gebouwen te herstellen. In december 1809 werd de gehele werf door de Engelsen bij het verlaten van Vlissingen vernield. In 1810 is de werf door de Fransen geheel nieuw opgebouwd.
Ook de reeds bestaande marinewerf in Antwerpen werd door de Fransen sterk uitgebreid. Ingevolge het internationaal verdrag waarbij in ruil voor een Pruisisch garnizoen in Luxemburg was afgesproken dat Antwerpen uitsluitend een koopvaardijhaven mocht zijn, kon de werf in Antwerpen niet meer blijven bestaan. Een deel van het personeel en zelfs een deel van de gebouwen verhuisde in 1814 naar Vlissingen.
Deze verplaatsing betekende dat de werf in Vlissingen aanzienlijk werd uitgebreid. Op de terreinen van de voormalige Admiraliteitswerf, aan het zuidoostelijk gedeelte van het dok, werd de reeds bestaande Werf van Uitrusting verbeterd en uitgebreid. Aan het noordwestelijk gelegen deel van het dok, het zogenaamde 'Lands Dok', werden nieuwe terreinen aangekocht en ingericht tot een geheel nieuwe Werf van Aanbouw. De Werf van Uitrusting en de Werf van Aanbouw vormden samen het marine-etablissement, onder leiding van een Directeur en Commandant.
1.3. Directeur en Commandant
Het bestuur van het marine-etablissement was opgedragen aan de Directeur en Commandant der Marine te Vlissingen. Dit was altijd een vlagofficier (commandeur, schout-bij-nacht, vice-admiraal of luitenant-generaal). Hij had een gecombineerde civiele en militaire functie. Als directeur was hij belast met de dagelijkse leiding betreffende de gehele werf en als zodanig verantwoording schuldig aan de Minister van Marine. Als commandant der marine was hij verantwoordelijk voor de militaire orde en tucht over de aanwezige manschappen en schepen en als zodanig verantwoording schuldig aan de Opperbevelhebber der Marine. Tussen 1830 en 1839 was de directeur en commandant tevens waarnemend opperbevelhebber der vesting Vlissingen (zie voor zijn archief in die functie toegang 183).
De Directeur en Commandant der Marine gaf leiding aan de Constructeur, welke aan het hoofd stond van het Vak van Scheepsbouw (Constructie), en aan de Equipagemeester, welke aan het hoofd stond van het Vak van Uitrusting (Equipage).
1.4. Vak van Scheepsbouw (Constructie)
De grootte van de terreinen en de gebouwen van de voormalige Admiraliteitswerf vond men in 1814 ongeschikt voor de aanbouw en reparatie van marineschepen. Daarom bouwde men, onder leiding van constructeur Cornelis Soetermeer, aan het verderop gelegen oostelijk gedeelte van de haven een nieuwe Werf van Aanbouw. Er werden twee met houten kappen overdekte hellingen gebouwd voor de bouw van linieschepen, daarnaast werd er een sleephelling voor de reparatie van schepen aangelegd. In 1823 werden nog twee kleinere hellingen, eveneens overdekt, gebouwd. Verder bestond de werf uit een houtmagazijn en een groot gebouw met de kantoren voor de beambten, met op de eerste verdieping de magazijnen voor ijzer- en koperwerk, een schilder- en timmerwerkplaats en een model- en tekenkamer en op de tweede verdieping een malzolder waar de mallen voor de te bouwen schepen werden gemaakt. In 1818 werd een grote smederij gebouwd, met 22 vuren.
De Werf van Aanbouw (meestal genoemd het Vak van Scheepsbouw of Constructie) stond onder leiding van een Constructeur (later kreeg hij de titel Hoofdingenieur). Onder hem stonden Onder-Constructeurs (later Ingenieurs), met daaronder commandeurs, onder-commandeurs en werklieden, en een Opper-Magazijnmeester van Constructie, met daaronder boekhouders, klerken en bewaarders.
Aanvankelijk bouwde men op de Nederlandse marinewerven nog steeds houten schepen. De in Vlissingen geplaatste constructeur Cornelis Soetermeer verrichtte, in navolging van Britse experimenten, pionierswerk door met ijzeren constructiedelen de houten romp zodanig te verstevigen dat veel grotere schepen dan voorheen gebouwd konden worden. Ook op de introductie van de scheepsschroef en de stoommachine werd snel ingespeeld. Nadat men in 1852 in Amsterdam de kiel had gelegd van het eerste schroefstoomkorvet, begon men een jaar later in Vlissingen met de bouw van het fregat met hulpstoomvermogen Prinses Amelia, dat in 1855 tewater werd gelaten. De bouw van stoommachines liet men over aan het bedrijfsleven. In het begin van de jaren zestig werden de werven in Amsterdam en Vlissingen ingericht voor de bewerking van pantserplaten. Verschillende schepen konden zo worden voorzien van ijzeren bepantsering.
1.5. Vak van Uitrusting (Equipage)
De reeds bestaande Admiraliteitswerf werd ingericht tot een Werf van Uitrusting. Dit bestond uit het in 1767 gebouwde en in 1810 herbouwde arsenaal (magazijn no 1) waarin alle benodigdheden voor de uitrusting van de schepen bewaard werden, met een zeilmakerij. De voormalige Oostkerk werd vanaf 1815 ingericht tot magazijn no 2 voor de opslag van ankers, kabels en touwwerk. Hiernaast stond het takelmagazijn waar het want van de schepen in orde gemaakt werd. Tevens waren er een kuiperswerkplaats, een smederij, een werkplaats voor blokmakers en opslagplaatsen voor houtwerk en kogels.
De Werf van Uitrusting (meestal genoemd het Vak van Uitrusting of Equipage) stond onder leiding van een Equipagemeester. Onder hem stond een Onder-Equipagemeester, met daaronder weer commandeurs en werklieden, en een Opper-Magazijnmeester van Equipage, met daaronder boekhouders, klerken en bewaarders.
1.6. Sluiting
Nadat een beslissing over de toekomst van de marine jarenlang was uitgesteld, werd in 1867 besloten tot uitvoering van het vlootplan. De hierin opgenomen nieuw te bouwen pantserschepen moesten op Nederlandse werven worden gebouwd. Om deze operatie te kunnen financieren zou de scheepsnieuwbouw nog meer geconcentreerd moeten worden. De pantserinrichting van Vlissingen werd daartoe overgebracht naar Amsterdam. Ook het personeel werd grotendeels overgeplaatst naar de andere Rijkswerven, de rest werd ontslagen of gepensioneerd. De gebouwen werden ontmanteld en gereedschappen en materialen weggevoerd. Op 1 oktober 1868 werd het beheer van de terreinen en gebouwen van het marine-etablissement te Vlissingen overgedragen aan de dienst der domeinen.
Al in 1865 was B.J. Tideman met een ontwerp gekomen tot uitbreiding van de haven van Vlissingen en inrichting van de voormalige marinewerf tot particulier scheepsbouwbedrijf. Dit plan vond geen doorgang. Toen koning Willem III in 1873 de nieuwe haven- en spoorwegwerken opende en de vervallen gebouwen van de voormalige marinewerf zag, werd Tideman uitgenodigd opnieuw een plan te ontwerpen. Hij wist scheepsbouwer Arie Smit er toe te brengen een concessie-aanvraag in te dienen, welke op 8 september 1875 werd verleend. Op het terrein van het voormalige marine-etablissement vestigde zich de NV Koninklijke Maatschappij 'De Schelde'.
1.7. Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw
In 1843 werd een Korps Ingenieurs der Marine opgericht. *  Aan het hoofd van dit korps stond een hoofdingenieur der marine, die de titel 'directeur van scheepsbouw' kreeg. De eerste Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw werd C.J. Glavimans. Op 1 april 1857 werd deze opgevolgd door de toenmalige Hoofdingenieur van Scheepsbouw bij de marinewerf van Vlissingen, L.K. Turk (1811-1873). * 
De HID van Scheepsbouw diende een rechtstreekse briefwisseling te onderhouden met de Hoofdingenieurs bij de verschillende marinewerven, welke verplicht waren hem alle rapporten e.d. te geven over personeel en materieel van de scheepsbouw. Tevens moest hij met regelmaat naar het Departement van Marine, de Rijkswerven en andere aan te wijzen plaatsen reizen, waarbij hij de minister in kennis moest stellen van zijn vertrek uit en terugkomst in Vlissingen. In Vlissingen kreeg de HID van Scheepsbouw een tekenaar en klerk tot zijn beschikking en op het departement in 's-Gravenhage moest hem zodanige hulp als hij tijdelijk nodig had worden geboden.
Artikel 10 van de instructie bepaalde dat de nu benoemde HID van Scheepsbouw belast bleef met de betrekking van Hoofdingenieur bij de marine te Vlissingen.
Vanaf 1 mei 1863 kreeg HID van Scheepsbouw L.K. Turk als standplaats 's-Gravenhage aangewezen. *  Tevens werd bepaald dat Ingenieur 1e klasse B.J. Tideman met ingang van 1 mei 1863 belast zou worden met de betrekking van Eerstaanwezend Ingenieur bij de marinewerf te Vlissingen. Na de dood van Turk zou Tideman deze in 1873 opvolgen in diens Haagse functie, die toen de benaming 'hoofdingenieur-adviseur voor scheepsbouw' kreeg. * 
2. Geschiedenis van het archief
In juli 1868, enige maanden voor de definitieve sluiting van de werf, droeg de Minister van Marine de tijdelijk directeur en commandant op 'bepaalde delen van het archief' naar Den Haag te versturen. En hij vervolgde: 'Al de overige archief- en administratiestukken kunnen, na doorgesneden te zijn, als oud scheurpapier in een openbare verkooping worden opgeruimd'. *  Inmiddels had de directeur en commandant op 13 juli een aanbod ontvangen van Philip de Leef jr, 'koopman te Vlissingen', om 'alle de tot het archief en administratie behoorende stukken welke bestemd zijn om gescheurd en verkocht te worden' voor f. 5 per 100 pond over te nemen, nadat hij ze op eigen kosten in een gebouw op het werfterrein onder toezicht van de marine verscheurd zou hebben. *  De directeur en commandant stelde de minister voor op dit aanbod in te gaan. De minister ging hiermee accoord als de prijs tot f. 6 per 100 pond verhoogd zou worden, aangezien deze prijs laatst ook op het ministerie voor scheurpapier betaald was. * 
In 1924 werden, ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 16 januari 1904 (no 30), de archieven van het Departement van Marine over de periode 1813-1829 door het Algemeen Rijksarchief te Den Haag overgenomen. Tegelijk werd ook het archief van de voormalige Directie der Marine te Vlissingen overgebracht. Van zowel de departementsarchieven als dat van de Vlissingse werf werden voorlopige lijsten aangelegd. Er zou onderzocht worden of het mogelijk was het laatste archief naar het Rijksarchief in Zeeland over te brengen. * 
Pas op 19 september 1946 schreef de Algemene Rijksarchivaris een brief aan de Rijksarchivaris in Zeeland waarin hij de wens te kennen gaf dat het archief van het marine-etablissement zou worden overgebracht naar het Rijksarchief in Zeeland en dat eventueel de laatste het in bewaring kon geven aan het Gemeentearchief Vlissingen. In reactie hierop schreef de Rijksarchivaris in Zeeland dat het archief volgens hem in Zeeland het best geplaatst was, maar dat van inbewaringgeving aan het Gemeentearchief Vlissingen geen sprake kon zijn omdat het gebouw nog steeds door andere diensten bezet was en in de vacature van gemeentearchivaris nog steeds niet was voorzien. Omdat ook het Rijksarchiefdepot vol begon te raken werd overeen gekomen te wachten totdat het archief rechtstreeks naar Vlissingen kon worden verzonden. * 
Uiteindelijk werd in mei 1949 het archief van het Algemeen Rijksarchief direct naar het Gemeentearchief Vlissingen overgebracht. Op 1 juni 1949 werd de akte van overdracht getekend tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Rijksarchivaris in Zeeland. Nadat de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen afschriften had ontvangen van de instructie van de nieuwe gemeentearchivaris en van het archiefreglement en een verklaring van de Rijksgebouwendienst werd op 7 januari 1950 de ministeriële machtiging tot inbewaargeving afgegeven. * 
Na het controleren van de in Vlissingen aangekomen stukken met de door het Algemeen Rijksarchief opgemaakte lijst bleken enkele stukken te ontbreken. *  Tevens bleken 14 banden, behorende tot het archief van de Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw, meegezonden te zijn die niet in de inventaris voorkwamen. *  Eveneens bleken er vele niet tot het archief behorende stukken meegezonden te zijn. De ontbrekende stukken uit het marinearchief bleken ook in het Algemeen Rijksarchief onvindbaar, het archief van de HID van Scheepsbouw kon in Vlissingen blijven en de andere stukken werden door het Algemeen Rijksarchief in 1951 teruggehaald. * 
Bij brief van 20 augustus 1951 werden door de inventarisator van de archieven van het Departement van Marine bij de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, chartermeester J. Fox, nog twee minuut-betaalrollen afkomstig van de Directie der Marine te Vlissingen over de perioden mei 1814 tot en met juni 1816 en juli 1817 tot en met december 1818 aangetroffen. *  Een dag later deelde deze mee dat er nog een derde betaalrol over de periode juli 1816 tot juni 1817 was aangetroffen. *  De drie betaalrollen werden alsnog opgestuurd.
Op 4 december 1951 werd de akte van inbewaargeving van het archief, inclusief de veertien banden ingekomen stukken van de Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw, door de Rijksarchivaris in Zeeland aan de archivaris van de gemeente Vlissingen opgemaakt, met daarbij de aantekening van de vier ontbrekende en ook in Den Haag niet teruggevonden nummers. *  De archivaris van de gemeente Vlissingen, W.D. de Bruine, nam in zijn in 1959 verschenen inventaris onder de afdeling 'gedeponeerde archieven en collecties' een rubriek op met de titel 'archief van de directeur en commandant en van andere ambtenaren bij het marine-etablissement (werf)', met een verwijzing naar de getypte inventaris. * 
In de twintig jaar dat het archief in het Gemeentearchief te Vlissingen lag bleek er, aldus de gemeentearchivaris, 'geen belangstelling' voor te bestaan. 'Gezien de geringe betekenis van dit archief voor Vlissingen' en het feit dat de 120 meter die het archief in beslag nam nodig was voor de berging van andere archivalia, vroeg de Gemeentearchivaris aan Burgemeester en Wethouders machtiging om de bruikleenovereenkomst met het Rijksarchief te beëindigen. Die machtiging werd op 12 september 1969 verkregen. Op 31 oktober 1969 werd het archief overgebracht naar Middelburg. * 
2.1. Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw
Het archief van de HID van Scheepsbouw bevat uitsluitend de ingekomen stukken van 1 april 1857 tot en met het eerste halfjaar van 1861 en van 2 januari tot en met 23 april 1863. Dit betreft precies de periode dat L.K. Turk het ambt van HID van Scheepsbouw uitoefende in zijn standplaats Vlissingen. Bij zijn vertrek naar 's-Gravenhage eind april 1863 zijn de ingekomen stukken waarschijnlijk achtergebleven bij het archief van de marinewerf.
Onderzoek in de marinearchieven berustende in het Algemeen Rijksarchief in 's-Gravenhage naar het archief van de HID van Scheepsbouw vóór 1 april 1857 en na 1 mei 1863 en van het Korps Ingenieurs der Marine leverde geen resultaat op. *  Waarschijnlijk is het archief bij de brand in het Ministerie van Marine op 8 januari 1844 verloren gegaan. Het Vlissingse deel is daarom het enige overgebleven deel van het archief van deze functionaris.
3. Verantwoording van de inventarisatie
Bij de overbrenging van het archief naar het Gemeentearchief Vlissingen in 1949 werd een door het Algemeen Rijksarchief opgestelde inventaris overgelegd. *  Het is deze getypte inventaris die tot 1992 eerst bij het Gemeentearchief en vanaf 1969 in het Rijksarchief dienst deed als toegang op het archief. De bij de overdracht zoekgeraakte banden waren hierin opgenomen, met de vermelding 'ontbreekt' er later bijgetypt. De in 1949 eveneens meegezonden 14 banden ingekomen stukken van de Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw en de drie in augustus 1951 opgestuurde betaalrollen waren eveneens achterin de inventaris, echter zonder inventarisnummers, bijgetypt. De inventaris was niet voorzien van een inleiding.
4. Aanwijzingen voor de onderzoeker
Veel specifieke termen uit de periode van de negentiende-eeuwse marinescheepsbouw worden verklaard in het Woordenboek van scheepsbouw bestemd om als handboek te dienen voor zee-officieren, ingenieurs, scheeps-bouwmeesters, gezagvoerders, reeders, assuradeurs, studenten, enz., samengesteld door hoofdingenieur-adviseur der Marine B.J. Tideman (Vlissingen : De Veij Mestdagh, 1861) [online via Google Books].
De ingekomen stukken bij de HID van Scheepsbouw bevatten veel staten en rapporten van de Hoofdingenieurs met gegevens over de verrichte werkzaamheden aan de in onderhoud, reparatie of aanbouw zijnde marineschepen bij de marine-etablissementen van Willemsoord, Amsterdam, Hellevoetsluis en Vlissingen en bij particuliere werven.
Bij verwijzing naar dit archief zou bij voorkeur de volgende bronvermelding gebruikt moeten worden: Zeeuws Archief (ZA), archief Marine-etablissement Vlissingen (Marine Vls.), inv.nr(s) ..., daarna verkort als: ZA, Marine Vls., inv.nr(s) ...
5. Literatuur
Bosscher, Ph. M., 'Genealogie en de zeemacht. Enige opmerkingen en suggesties', in: G.L. Meesters e.a. (ed.), Voorouders en hun werk (Amsterdam 1971) 17-20
Bosscher, Ph. M., 'Marinegebouwen', in: P. Nijhoff (ed.), Monumenten van bedrijf en techniek. Industriële archeologie in Nederland (Zutphen 1978) 187-213
Bruine, W. de, 'Dr. B.J. Tideman en de oprichting van 'De Schelde'. Een bladzijde uit het vergeetboek', in: Zeeuws Tijdschrift 6 (1956) 149-153
Caland, F., Een woord over de marinewerf te Vlissingen (Terneuzen 1861) [ZB sign. 428B2, 430D142, 430D143]
Dijk, A. van, Voor Pampus. De ontwikkeling van de scheepsbouw bij de Koninklijke Marine omstreeks 1860. Bijdragen tot de Nederlandse Marinegeschiedenis 4 (Amsterdam 1987)
Dirkzwager, J.M., Dr. B.J. Tideman 1834-1883. Grondlegger van de moderne scheepsbouw in Nederland (Leiden 1970) 32-36
Dirkzwager, J.M., 'Het einde van de Rijkswerf te Vlissingen en een nieuw begin', in: Nehalennia 67 (themanummer 'Admiraliteit in Zeeland' 1987) 33-37
Eekhout, L., Het admiralenboek. De vlagofficieren van de Nederlandse marine 1382-1991. Bijdragen tot de Nederlandse marinegeschiedenis 6 (Amsterdam 1992)
Haaff, P.S. van 't, M.J.C. Klaassen, Gedenkboek honderd jarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954 (Bussum [1954])
Heijkoop, C., Maritiem Zeeland. 125 jaar Zeeuwse scheepvaart in woord en beeld, (Vlissingen 1988) 87-89
Huisman, J. (red.), Symposium marine scheepsbouw 200 jaar 1795-1995 (Den Haag 1995)
Hullu, J. de, 'Beschrijving eener verzameling stukken afkomstig van de opgeheven Rijksmarinewerf te Amsterdam', in: Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven (VROA) XLI (1918) I, 576-792 (bijlage XIV)
Klaassen, M.J.C., Adelborstenopleiding te Delft-Medemblik-Breda 1816-1857 (Den Haag 1979)
Klaassen, M.J.C., Adelborstenopleiding te Hellevoetsluis-Feijenoord-Enkhuizen 1803-1812 (Den Haag 1986)
Klaassen, M.J.C., Gedenkboek honderdvijfentwintig jarig bestaan der adelborstenopleiding te Willemsoord 1854-1979 (Den Haag 1979)
Leenknecht, J.P., Het verwerven van kapitaal. De financiering van de Koninklijke Maatschappij 'De Schelde' te Vlissingen (1875-1900). Scriptiereeks Stichting Regionale Geschiedbeoefening Zeeland 5 (Middelburg 1988) 25-28
Lemmers, A., Techniek op schaal. Modellen en het technologiebeleid van de Marine 1725-1885 (Amsterdam 1996)
Lombaerde, P. (red.), Antwerpen tijdens het Franse keizerrijk 1804-1814. Marine-arsenaal, metropool en vestingstad (Antwerpen 1989)
Raven, G.J.A., 'Bronnen van belang voor het onderzoek naar marinepersoneel', in: H.L. Kruimel, Voorouders gezocht. Inleiding tot de genealogie (Amsterdam 1981) 171-178
Raven, G.J.A. (red.), De kroon op het anker. 175 jaar Koninklijke Marine. Bijdragen tot de Nederlandse marinegeschiedenis (Amsterdam 1988) 27-32, 153
Stevens, H. (red.), Techniek in schoonheid. De Marinemodellenkamer van het Rijksmuseum te Amsterdam (Amsterdam 1995)
Tideman, B.J., Woordenboek van scheepsbouw bestemd om als handboek te dienen voor zee-officieren, ingenieurs, scheeps-bouwmeesters, gezagvoerders, reeders, assuradeurs, studenten, enz. (Vlissingen 1861) [ZB sign. 523 B 44; online via Google Books].
Tideman, B.J., Het maritiem etablissement te Vlissingen (Amsterdam, Van Heteren 1865) [ZB sign. 427D249 (titelblad ontbreekt), 428E219, 312E51]
Winkelman, H.P., Geschiedkundige plaatsbeschrijving van Vlissingen (Vlissingen 1873) 97-106
 
 
 
 
 
95.1   Marine-Etablissement Vlissingen
1. Stukken van algemene aard
2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
3. Achtergelaten archief van de Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw, 1857-1863
 
 
 
 
 
95.1   Marine-Etablissement Vlissingen
1. Bijlage 1: Stukken betreffende het marine-etablissement te Vlissingen berustende in andere archieven
2. Bijlage 2: Overzicht van de directeuren en commandanten der marine te Vlissingen, 1814-1868
3. Bijlage 3: Overzicht van de functies bij de minder geemployeerden en het werkvolk
 
 
 
 
 
95.1   Marine-Etablissement Vlissingen
Datering:
  1814-1868
Andere namen:
  Maritiem Etablissement Vlissingen, Rijksmarinewerf, Marinewerf, Rijkswerf, Directeur en Commandant der Marine te Vlissingen, Directie der Marine, Hoofdingenieur-Directeur van Scheepsbouw (1857-1863)
Vestigingsplaats:
  Vlissingen
Toegankelijk:
  Inventaris
Openbaarheid:
  Geen beperkingen
Inzage:
  Studiezaal, in origineel
Omvang:
  110 meter
Jaar bewerking:
  1949
Collectie:
  Rijksarchief in Zeeland
Categorie: