A  |  A  |  A
 20 Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
20   Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC)
1. Woord vooraf (2011)
Het archief van de Commercie Compagnie van Middelburg blijkt wereldwijd nog steeds in een grote belangstelling te staan. Dit was voor het Zeeuws Archief de aanleiding om de beschrijving van dit archief al in 2000 als eerste integrale archieftoegang via de website beschikbaar te stellen. Sinds 29 december 2004 wordt daarvoor de koepelsite Archieven.nl gebruikt.
De publicatie via de website van het Zeeuws Archief was in feite een gewijzigde tweede druk van de gedrukte inventaris Het archief der Middelburgsche Commercie Compagnie door voormalig Rijksarchivaris in Zeeland dr W.S. Unger uit 1951. Als toelichting op deze digitale tweede druk wordt in dit woord vooraf eerst een korte schets gegeven over de achtergronden van de inventarisatie en het gebruik van het archief, waarna een verantwoording van deze heruitgave volgt.
Unger was sinds 1918 gemeentearchivaris van Middelburg en als historicus zeer actief op het terrein van de historische demografie en sociaal-economische geschiedenis. Na het verloren gaan van het Middelburgse stadsarchief werd hij op 21 februari 1944 benoemd tot Rijksarchivaris in Zeeland. Omdat de noodzakelijke inventarisatie van enkele grotere overheidsarchieven bemoeilijkt werd door de tijdelijke deponering hiervan buiten Zeeland, richtte hij zich eerst op een archief dat een afgerond geheel vormde, dat van de Commercie Compagnie van Middelburg. Unger zag in dit archief een belangrijke bron voor de bestudering van de slavenvaart, een onderwerp waarover tot dan toe nog weinig bekend was.
In 1945 nam hij de beschrijving van het archief ter hand en wist deze, ondanks zijn drukke andere werkzaamheden, in 1950 af te ronden. De publicatie van de inventaris volgde in september 1951: W.S. Unger, Het archief der Middelburgsche Commercie Compagnie ('s-Gravenhage: Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschapppen 1951). I.J. Brugmans besprak de inventaris in het Nederlandsch Archievenblad 56 (1951-52) 131-132 in lovende woorden. Zijn enige opmerking betrof de rangschikking van de administraties van de schepen, die hij liever chronologisch dan alfabetisch op scheepsnaam had gezien. Unger, die als eindredacteur van het Archievenblad de bespreking zelf plaatste, erkende dit onmiddelijk in een noot bij de bespreking met de woorden 'peccavi, et confiteor peccavisse!'.
Meer dan deze keuze is het Unger wellicht aan te rekenen dat hij zijn inventaris van een uit archivistisch oogpunt wat al te soepel lopende titel voorzag. Voor een archivaris is het toch gebruikelijk de officiële naam waaronder de archiefvormer zelf opereerde in de titel van de inventaris op te nemen, en dat is altijd 'Commercie Compagnie van Middelburg' geweest. Ook de afkorting 'CCvM' was verwerkt in het merkteken van het bedrijf dat, net zoals die van de kamers Zeeland van de VOC en WIC, op vele stukken is terug te vinden. Met de benaming 'Middelburgsche Commercie Compagnie' uit de titel zette Unger onbedoeld een trend: in de daarop volgende stroom van publicaties werd deze naam automatisch overgenomen en het archief raakte in binnen- en buitenland steeds meer bekend onder de afkorting 'MCC'. In deze internet-uitgave is met bovenstaande titel geprobeerd beide stromingen te verenigingen. Bovendien is een andere ommissie van Unger, het ontbreken van begin- en eindjaar van de looptijd van het archief, eveneens rechtgezet.
In zijn inleiding op de inventaris gaf Unger al de wens te kennen op de 'uitwendige geschiedenis der Middelburgsche Commercie Compagnie [...] elders terug te komen' (p. 5). Hij deed dit enkele jaren later in twee omvangrijke bijdragen in het Economisch-Historisch Jaarboek (EHJ), een eerste deel over de Nederlandse slavenvaart in het algemeen en in het tweede deel over het specifieke Middelburgse aandeel hierin (zie literatuur hierna). De laatste publicatie was grotendeels gebaseerd op zijn onderzoek in het archief van de Commercie Compagnie. Bestudering van deze studie is als aanvulling op zijn inleiding op de inventaris nog steeds een praktisch hulpmiddel voor onderzoek in het archief.
In zijn publicatie omschreef Unger het archief al als 'materiaal, enig in ons land en zeldzaam in de wereld' (EHJ, deel I, p. 133). Het is daarom in de loop der jaren veelvuldig voor onderzoek gebruikt, zowel nationaal als internationaal. Ook J.M. Postma schreef in The Dutch in the Atlantic slave trade 1600-1815 (Cambridge 1990) over 'the excellent preservation of MCC records' (p. 278). In een afzonderlijke bijlage wordt een overzicht gegeven van de tot nu toe verschenen literatuur waarbij van het archief van de Commercie Compagnie gebruik is gemaakt.
Naast het gebruik van het archief voor de bestudering van de slavenvaart zijn er nog vele andere onderzoeksmogelijkheden. Unger wees zelf reeds op de unieke boekhoudtechnische kanten van het archief (inleiding, p. 15 en EHJ, deel II, p. 87) en op de scheepsjournalen als bron voor de geschiedenis van de scheepvaart (zie literatuur hierna). Over de pogingen van de Commercie Compagnie om een rol te spelen in de walvisvaart zijn enkele stukken te vinden (inv.nrs 1111, 1564). Een aparte invalshoek bieden de journalen van de chirurgijns (inv.nrs 292, 390, 435, 868, 1410, 1418), reeds gebruikt door Schoute, Leuftink en Eijgenraam (zie bijlage).
Met de toenemende belangstelling voor de negentiende eeuw en de bestudering van de industrieel-historische geschiedenis zijn Unger's opmerkingen over de waarde van het archief uit de periode na de slavenvaart enigszins gedateerd. Zo geven de 'houtwareboeken' en de 'rekening-courantboeken' van de werf een voor Nederland uniek gedetailleerd inzicht in de achttiende- en negentiende-eeuwse scheepsbouw (inv.nrs 1440-1467). Doordat de Commercie Compagnie na 1811 regelmatig zelf deelnam in de bouw en exploitatie van Middelburgse zeilschepen voor de vaart op Indië kan het archief zelfs als alternatieve bron voor de in Nederland weinig bewaard gebleven negentiende-eeuwse rederij-archieven dienen.
De inleiding op de inventaris is, afgezien van een aanpassing aan de huidige spelling en enkele kleinere correcties, identiek aan die uit 1951. Noten die verwijzen naar de inventaris zijn ten behoeve van deze internet-uitgave in de lopende tekst verwerkt. Een aantal verwijzingen is geactualiseerd. Aan de inleiding zijn in deze digitale uitgave enkele nieuwe bijlagen toegevoegd.
De inventaris is, naast aanpassing aan de huidige spelling, op diverse punten gemoderniseerd, verbeterd en aangevuld. Afkortingen zijn thans voluit geschreven. De beschrijvingen met de term 'alsvoren' worden nu zoveel mogelijk woordelijk herhaald. De lidwoorden voor de scheepsnamen zijn achterwege gelaten, evenals de toevoeging 'schip' in de typeaanduiding van de schepen, dus bijvoorbeeld 'fregat' in plaats van 'fregatschip'. De noten in het inventarisgedeelte zijn in de huidige uitgave omgewerkt naar N.B.'s direct na de beschrijving waarop ze betrekking hadden.
Het intensieve gebruik van het archief leverde in de loop der jaren regelmatig nieuwe informatie over de stukken op die door Unger niet waren geconstateerd. Voor zover deze informatie in het studiezaalexemplaar van de inventaris werd bijgeschreven is deze nu ook in de huidige internet-versie opgenomen. Zo bleek verscheidene malen dat registers betreffende een bepaalde reis of een bepaald schip later voor een volgende reis of een ander schip werden gebruikt. Dit is thans met behulp van verwijzingen in de inventaris verwerkt. Slechts in twee gevallen noodzaakte deze nieuwe informatie tot een aanpassing van de nummering, hetgeen bij de betreffende nummers is aangegeven (inv.nrs 513-518 en 661/952a).
Verder is de nummering van de stukken niet gewijzigd. De stukken die na het verschijnen van de inventaris aan het archief waren toegevoegd zijn te herkennen aan de toevoeging 'a' achter het inventarisnummer (inv.nrs 42a, 119a, 1624a en 1772a). Tevens zijn vele zeer omvangrijke liassen en portefeuilles tijdens de herverpakking van het archief gesplitst; deze inventarisnummers zijn te herkennen aan de toevoeging '.1', '.2' etc. (bijvoorbeeld inv.nr 61 e.v.). Vanwege de gehanteerde ordeningsmethodiek in dit soort portefeuilles was het vaak niet mogelijk deze gesplitste pakken per sub-nummer nauwkeuriger te beschrijven, zodat volstaan is met de toevoeging 'I', 'II' etc. na de beschrijving van Unger.
In 2008 werden via deze inventaris van 64 journalen van reizen van schepen van de Commercie Compagnie PDF-bestanden met eenvoudige zwartwit opnamen van de originele exemplaren toegankelijk gemaakt. Een lijst van de betreffende inventarisnummers is opgenomen als bijlage 4 van de inleiding.
Op 25 mei 2011 kreeg het archief wereldwijde erkenning doordat UNESCO het archief op de werelderfgoedlijst van documenten 'Geheugen van de Wereld' ('Memory of the World Register') plaatste. Over de achtergronden van deze inschrijving kunt u meer lezen op de pagina Archief Middelburgse Commercie Compagnie op de UNESCO werelderfgoedlijst Memory of the World van de website van het Zeeuws Archief.

logo
Literatuur bij dit woord vooraf:
J.H. Kluiver, 'Willem Sybrand Unger (1889-1963). Levensbericht en bibliografie', in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 1989, p. 1-46
A. van den Oord, W.S. Unger (1889-1963). Een eigengereid en economisch historicus ('s-Gravenhage 1996)
W.S. Unger, 'Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. I: Beknopt overzicht van de Nederlandse slavenhandel in het algemeen', in: Economisch-Historisch Jaarboek. Bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland 26 (1952-54) 133-174
W.S. Unger, 'Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. II: De slavenhandel der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1732-1808', in: Economisch-Historisch Jaarboek. Bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland 28 (1958-60) 3-148
W.S. Unger, 'Een belangrijke bron voor de geschiedenis van onze scheepvaart: de journalen der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1720-1809', in: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis 5 (december 1962) 2-4
W.S. Unger, 'Iets over den slaefschen handel'. Voordracht gehouden op het 8e congres van Nederlandse historici, 23 mei 1953, in: Tijdschrijft voor Geschiedenis 68 (1955) 16-18
2. Inleiding (1951)
2.1. Ontstaan en betekenis der Compagnie
In 1720, het jaar dat vroeger werd beschouwd als het jaar van de opvoering van het 'Groote Tafereel der Dwaasheid', door moderne schrijvers - E.J.J. van der Heyden in De ontwikkeling van de Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de codificatie (Amsterdam [1908]) p. 132 e.v. en F.Ph. Groeneveld in De economische crisis van het jaar 1720 (Groningen-Batavia 1940) - wordt gezien als het 'jaar der modernisering' van ons econonomisch bestel en het geboortejaar der naamloze vennootschap, rezen de meest fantastische ondernemingen als paddestoelen uit de grond. De meeste waren louter 'bubble's'; enkele slechts hadden een reële basis. Tot deze weinige behoort, met de Rotterdamse Maatschappij van Assurantie, Disconteering en Beleening, die nog bestaat, de Middelburgse Commercie Compagnie, die het tot 1889, zij het moeizaam en met veranderd bedrijf, heeft uitgehouden. Haar archief is het voorwerp van de hier volgende beschrijving.
Hoewel, zoals de Europische Mercurius aantekende, de actiezwendel uit Engeland in april 1720 'met een zoort van een orcaan over was komen vliegen', de maand juli als het begin der eigenlijke campagne werd beschouwd en ook Van der Heyden (p. 144) als eerste project de Amsterdamse Assurantie Compagnie van 10 juni 1720 noemde, door bovengenoemde Rotterdamse onderneming op den voet gevolgd, zijn de eerste sporen der Commercie Compagnie reeds in februari van dat jaar te vinden. De 'notulen ten rade' van 10 februari (thans verloren; zie echter voor de hoofdpunten de daarop in de achttiende eeuw gemaakte indices in: Zeeuws Archief, Handschriftenverzameling Rijksarchief in Zeeland, inv.nrs 851-860) melden dat door verschillende voorname kooplieden middelen aan de hand zijn gedaan om de handel opnieuw aan te kweken, die van 9 maart dat de burgemeester Van Citters de voorstellen zou aanhoren. Maar eerst 13 juli 1720 vinden wij aangetekend, dat de oprichting van een 'commerciecompagnie' is goedgevonden, de inschrijving in het kapitaal kon aanvangen en gecommitteerden uit het stadsbestuur werden aangewezen om daarop toezicht te houden; op 5 augustus trad een bestuur op. Voor het volgende zie A. Wisse, De Commercie-Compagnie te Middelburg van haar oprichting tot het jaar 1754 (Utrecht 1933), p. 9 e.v. Merkwaardigerwijze vermelden de 'Verordeningen rakende het beheer der Commercie Compagnie', klaarblijkelijk zich baserend op de goedkeuring in maart 1721, bij de vaststelling 8 maart 1842 van de nieuwe ordonnantie 1721 als het jaar der oprichting.
Een voorlopig reglement werd vastgesteld; op 29 maart 1721 volgde de goedkeuring door Wet en Raad. Maar reeds daarvóór, namelijk op 25 juli, was de intekening begonnen, die op 26 augustus werd gesloten met 587 inschrijvers, fournerende bijna vijf miljoen gulden; de inschrijvingen varieerden van 166.4.4 tot 16666.13.4 ponden Vlaams, of van 1000 tot 100.000 gulden. De laatste was de gecombineerde deelneming door een handelshuis, de meesten tekenden voor 1000 tot 2000 ponden Vlaams in.
Deze vlotte bijeenbrenging van een vrij groot kapitaal vindt, evenals heel de stormachtige beweging van dit jaar, in de geschiedenis der daaraan onmiddellijk voorafgaande periode een gerede verklaring. Terwijl door de langdurige oorlogsjaren - negenjarige oorlog, Spaanse successieoorlog - de normale handelsbedrijvigheid werd belemmerd (bovengenoemde notulen van 10 februari 1720 noemden als doel der voorgenomen oprichting herstel van de handel, door de ongehoorde winsten der koopvaart 'genonchaleerd en na Holland gediverteerd' (Wisse, p. 13)), bracht de toen als nooit tevoren bloeiende kaapvaart ongetelde rijkdommen in het land, waarvoor emplooi moest worden gevonden. Bij de oprichting der Commercie Compagnie waren dan ook bekende kaapvaarders betrokken als De la Rue, Van de Putte en anderen. Spoedig echter deden zich moeilijkheden voor; daar het krediet der Compagnie had geleden door de zgn. windcompagnieën, moest het kapitaal in het voorjaar van 1721 worden gehalveerd. Bij resolutie van hoofdparticipanten van 20 februari 1728 en 12 januari 1729 werd 'uit hoofde der toen reeds aanvankelijk geleden verliezen' het kapitaal vastgesteld op f. 1.374.875; door successieve inkoop van aandelen was dit in 1819 geworden f. 900.516,67½, in 1842 f. 900.000.
Het is hier niet de plaats zelfs maar de uitwendige geschiedenis der Middelburgse Commercie Compagnie uitvoerig te behandelen; ik hoop in de gelegenheid te zijn hierop elders terug te komen (daar zal dan ook gelegenheid zijn diverse misvattingen van dr Wisse bovenvermeld recht te zetten) [zie woord vooraf]. Maar een ruwe schets van haar werkzaamheid en van de veranderingen, in den loop des tijds in haar karakter gekomen, mag toch niet ontbreken, al was het alleen maar omdat dit voor het goed begrip van haar papieren nalatenschap onmisbaar is.
Nauwelijks gevestigd, werd reeds 28 september 1720 door het stadsbestuur aan de Compagnie toegestaan een timmerwerf in te richten; ook werden elders schepen gekocht, en in januari 1721 voeren haar eerste schepen uit voor reizen tussen de Franse havens en de Oostzee, in maart door een reis naar Suriname, in het najaar door een naar de Caribische Zee gevolgd. Heel het nautische beeld der Compagnie ligt hierin reeds opgesloten: haar bedrijvigheid strekte zich uit over de sedert eeuwen bevaren havens van Oostzee, Frankrijk en het Iberisch schiereiland - ook op Middellandse zee-havens reedde zij uit - en daarnaast naar West-Indië, dat eerst sinds ruim een eeuw door de Zeeuwen bevaren werd. Daarnaast komt - de eerste reis vond reeds in 1723 plaats - Afrika, met name Guinee, als reisdoel op. Haar allerlaatste reis (1850/51), maar dan ook deze alleen, had Java ten doel, waarheen steenkolen werden gebracht.
Maar anders zou, ten aanzien van beide eerstgenoemde handelsgebieden, het verloop worden. De Europese vaart - ook enkele reizen naar IJsland en Straat Davis (walvisvaart!) zijn hierbij te rekenen - houdt in de jaren van '50 geheel op; die op West-Indië kreeg na 1730, toen de slavenhandel van de kust van Afrika daarheen voor de Compagnie mogelijk werd, een gans ander karakter: in de plaats van de vaart heen-en-weer Guinee-Europa of West-Indië-Europa kwam overwegend de driehoekshandel Afrika-West-Indië-Europa.
In totaal 296 uitredingen der Compagnie zijn ons ten minste bekend; daarvan bepaalden 53 zich tot het Europese handelsgebied. Ook van handel op Hongarije is, in een helaas verloren bundel, sprake, terwijl in 1732 zelfs een plan werd ingediend 'om een etablissement van negotie op te richten in Ruslandt' ten behoeve van zijdehandel in Perzië. En naast de walvisvaart - ten dele in participatie met anderen ondernomen - lokte de Compagnie ook de kaapvaart. 89 uitredingen gingen naar West-Indië (inclusief één naar de Zuidzee), veertig naar Guinee, 113 waren driehoeksreizen, één reis naar Java, terwijl één hier buiten staat.
De 113 driehoeksreizen wil zeggen: slavenreizen. Sinds in 1730 door de Staten-Generaal toestemming was verleend tegen betaling van een recognitie aan de West Indische Compagnie op de kust van Afrika te negotiëren, waarmee aan de Commercie Compagnie wijde perspectieven waren geopend, had zij de slavenhandel aan haar werkzaamheden toegevoegd. En in toenemende mate werd de Compagnie nadien een slavenbedrijf. Van de 114 uitredingen, die van 1756, jaar waarin de Europese 'belangen' der Compagnie ophielden, tot 1807, toen de laatste slavenreis werd ondernomen, plaats vonden, waren 92 slavenreizen; over de periode 1766-1807 waren deze cijfers resp. 74 en 65! Maar niet alleen is de slavenhandel het belangrijkste deel van het bedrijf der Commercie Compagnie geweest, voor de geschiedenis van dit onderdeel onzer economische geschiedenis levert deze onderneming wel het belangrijkste, en zeker het meest gesloten, materiaal, en niet genoeg kan het lot geprezen worden dat ons haar omvangrijk archief deed bewaren.
Door de vierde Engelse oorlog reeds zwaar geschaad, werd de Commercie Compagnie als handelsonderneming door de Napoleontische oorlogen volkomen genekt: zoals gezegd hielden haar uitredingen in 1807 geheel en al op. Van deelneming in een uitreding van een particuliere firma 'ter bevordering der commercie' spreken de bestuursnotulen van 31 oktober 1815, van hetzelfde in een reis naar China die van 1 oktober 1816. Om het midden der eeuw werd eigen uitreding, in samenwerking met de Nederlandsche Handel Maatschappij, voor korten tijd hervat. Niettemin redde zij het vege lijf. Maar niet als handelscompagnie, doch als werf zette zij haar bestaan, weinig grandioos overigens, voort.
Reeds van den aanvang af had, zoals wij zagen, dit een deel uitgemaakt van het bedrijf der Compagnie, maar uitsluitend voor de bouw van schepen, nodig voor haar eigen handelsbedrijvigheid; nu echter ging zij schepen bouwen op bestelling van derden. In 1803 was de voormalige West-Indische werf aangekocht; in 1809 bezocht koning Lodewijk Napoleon werf en lijnbaan, waarop bestelling voor de marine volgde. De werf der voormalige Oost-Indische Compagnie werd in 1813 aan de Compagnie overgedragen; in 1818 werd het definitieve contract getekend en het volgend jaar werd het kantoor overgebracht van de Balans naar de werf. De oprichting der Nederlandsche Handel Maatschappij bracht haar wat meer werk, en toen in 1827 het stoombootveer van Vlissingen op Breskens begon was naast de locale rederijen een nieuwe klant gewonnen; evenzo de dienst Middelburg-Rotterdam. Het reglement van 1842 bevestigde de verandering in het werk der Compagnie en beperkte haar werkkring tot scheepsbouw annex blokmakerij en touwslagerij; dat van 1869 sprak van bouw en reparatie van schepen.
Al met al bracht de Compagnie het aldus tot bouwnummer 30, in 1861; toen bleek wegens de slechte omstandigheden het nemen van ingrijpende maatregelen nodig. Besloten werd de werf als meest geschikte gelegenheid tot het doen van herstellingen open te houden, doch het personeel sterk te verminderen. Evenwel bleef men hopen. In 1869 werd de leiding gereorganiseerd en een deskundige als directeur benoemd. Maar de nieuwe spoorweg- en kanaalwerken, waarop in het algemeen te Middelburg grote verwachtingen werden gebouwd - men droomde weer van een geregelde stoomvaart naar Java! - brachten voor de werf een ongunstige verandering, daar het door de sluizen ontstane vaste waterpeil de scheepshellingen onbruikbaar maakte. Men vestigde, om 'altans gedeeltelijk eenige vergoeding te vinden', het oog op een inrichting tot ijzerbewerking, waardoor ijzeren schepen konden worden hersteld. Maar twee jaar later reeds deed zich namens een Rotterdamse rederij een gegadigde voor de werf voor! De 'inrichting tot ijzerbewerking' schijnt nog enige levenskracht te hebben gehad, maar de werf werd in 1879 aan de rechtverkrijgenden van bovengenoemde gegadigde overgedragen.
Daarna werd het stil om de oude Compagnie. Daar zij zich moest bepalen tot reparatie en deze niet lonend bleek - heel de negentiende eeuw was het uitgekeerde dividend uiterst laag geweest - werd in december 1887 voorgesteld haar te ontbinden; in april 1888 werd de gehele zaak te koop gesteld. Op 20 december 1889 was de definitieve liquidatie voltooid.
Ook de lijnbaan De Zwarte Kabel maakte vrijwel van de aanvang-om precies te zijn: van juni 1722 af-deel uit van het bedrijf. Maar hoewel sequeel van de werf, was haar leven korter: op 30 maart 1852 werd een concept-contract goedgekeurd inzake de verkoop van de baan. Over haar geschiedenis valt weinig op te merken.
2.2. Het bestuur
2.2.1. Algemeen
Hoezeer 1720, zoals wij reeds zagen, voor de ontwikkeling der N.V. als het jaar der modernisering mag worden aangemerkt, ten aanzien van de aanwijzing van het bestuur was van moderne methoden bij de Commercie Compagnie nog geen sprake, en van de althans op papier zeer democratische wijze van samenstelling toen nog geen enkel spoor.
Het allereerste bestuur werd op 13 juli 1720-de kapitaalinschrijving moest toen nog beginnen en de souvereine aandeelhouder was nog niet geboren!-gevormd door het stadsbestuur, dat drie zijner leden en twee uit de kooplieden daartoe committeerde. In de vergadering van Directeuren van 5 augustus, waarmede de notulen openen, werd echter medegedeeld dat Wet en Raad burgemeester mr Wilhem van Citters hadden aangewezen als gecommitteerde 'omme te helpen assisteren in de Commercie Compagnie deser stad' en acht directeuren hadden benoemd. Een der drie vertegenwoordigers van Wet en Raad maakte geen deel uit van dit nieuwe bestuur. In 1724 hield deze delegatie ondanks krachtige pogingen tot behoud op; dr Wisse (p. 18) oppert de mogelijkheid, dat tegenstrijdige belangen der mede in 1720 opgerichte Assurantie Compagnie hieraan niet vreemd waren.
2.2.2. Hoofdparticipanten
Het reglement, dat op 24 maart 1721 werd vastgesteld en op 29 maart door Wet en Raad werd goedgekeurd, regelde definitief de wijze van samenstelling van het bestuur. Artikel zeven bepaalde, dat alleen hoofdparticipanten over de belangen der Compagnie zouden mogen delibereren. Vacatures van directeur zouden voortaan door de 'gequalificeerde geïntresseerdens ofte hoofdparticipanten'-dat wil zeggen zij, die voor minstens 1000 pond Vlaams of 6000 gulden aandelen bezaten-worden 'gesuppleerd'. Wegens de reductie van het kapitaal werd op 20 februari 1728 dit aandelenbezit voor hoofdparticipanten op 3000 gulden gesteld. Hun aantal bedroeg volgens Wisse (p. 17) 65, doch dit is gebaseerd op de benoeming van commissarissen. Het reglement van 1721 werd goedgekeurd door 97 hoofdparticipanten, de eerst bewaarde lijst (inv.nr 48) van 1725 telt er zelfs 146.
2.2.3. Directeuren
Niemand kon directeur worden die niet twee jaar in de boeken der Compagnie voor 1000 pond Vlaams bekend had gestaan en vóór de aanvaarding van zijn ambt voor 2000 pond Vlaams daarin was geïnteresseerd. Wegens de reductie van het kapitaal op 20 februari 1728 werden deze bedragen gehalveerd. Zij moesten in Middelburg woonachtig zijn.
2.2.4. Commissarissen
Verder kozen de hoofdparticipanten uit hun midden zestien commissarissen, die acht (vanaf 1729: zes; vanaf 1842: vijf) hunner aanwezen om boeken en bescheiden te controleren, rekening en verantwoording der directeuren goed te keuren en hen te dechargeren, en rapport van hun bevindingen uit te brengen aan de hoofdparticipanten. De omtrekken van de bestuursinrichting der moderne N.V. werden zichtbaar.
2.2.5. Reglement, 1842
Onder vigeur van dit statuut beleefde de Compagnie haar opkomst, bloei en verval. Eerst in 1842 werd, behoudens genoemde kleine wijzigingen van 1728, een nieuw reglement vastgesteld. Opmerking verdient dat, hoewel het Wetboek van Koophandel met zijn souvereiniteit van aandeelhouders van kracht was geworden, het instituut der hoofdparticipanten in wezen bleef. Merkwaardigerwijs echter zijn notulen hunner vergaderingen, die jaarlijks in maart en mei moesten worden gehouden, nauwelijks bewaard, en dan nog tesamen met directeuren of commissarissen (inv.nrs 42-43).
2.2.6. Reglement, 1869
Toen in 1869, zoals wij boven zagen, opnieuw in de werkkring der Compagnie een ingrijpende wijziging zich voltrok, werd het reglement wederom herzien. Het College van Directeuren werd opgeheven; in zijn plaats kwam een 'Raad van Toezigt', bestaande uit drie stemgerechtigde deelgenoten, aan wie het geldelijk beheer werd opgedragen. De 'geheele leiding en besturing der zaak', met uitzondering van het beheer voornoemd, werd opgedragen aan een 'deskundige onder den titel van directeur'; het is duidelijk dat hier van een zuiver ambtelijke, niet een meer heersende functie sprake is. Het begrip hoofdparticipant verdween; artikel vijf echter noemt (slechts) ieder deelgenoot, die voor een som van 3000 gulden en daarboven in de boeken staat, stemgerechtigd. Twintig jaar later kwam, door de liquidatie, hieraan een eind.
2.3. De bedrijfsvoering
Zoals wij boven zagen valt de geschiedenis der Commercie Compagnie uiteen in twee ongeveer gelijke helften, waarvan de eerste, de rijke en belangrijkste, loopt tot het begin der vorige eeuw, de tweede, de schamele en weinig indrukwekkende, zich vandaar tot 1889 uitstrekt. En hoewel over het bedrijf van werf en lijnbaan uit de overgeleverde archivalia wel een en ander zou zijn op te merken, het belang daarvan zinkt in het niet bij de bijzondere plaats, die de Compagnie als handels- en scheepvaartonderneming-zoals wij zagen: vooral slavenhandels-onderneming-in onze economische geschiedenis heeft ingenomen. Dank zij het tamelijk uitvoerige archief, zijn wij daarover vrij wel ingelicht.
De bedrijfsvoering uitvoerig te beschrijven gaat boven het bestek van deze inleiding zowel als de bevoegdheid van de bewerker, wien de daarvoor nodige boekhoudkundige kennis ontbreekt. Enkele algemene opmerkingen echter kunnen worden gemaakt, waarbij tevens gelegenheid zal zijn op de belangrijkste bronnen daarvoor, die in dit archief zijn bewaard, te wijzen. Specialisten zullen, aan de hand van deze inventaris, in deze materie uitvoerig en naar hartelust te gast kunnen gaan.
Het bedrijf begon, uiteraard, met de kapitaalinschrijving. Het daarvan gehouden register, dat een uitvoerig beeld geeft (inv.nr 1581), noodt zowel tot vergelijking met het ruim een eeuw oudere kapitaalsregister van de Zeeuwse Kamer der VOC (zie: W.S. Unger, 'Het inschrijvingsregister van de Kamer Zeeland der Verenigde Oost-Indische Compagnie', in: Economisch-Historisch Jaarboek 24 (1950) 1-33) als met die van de Rotterdamse Maatschappij van Disconteering enz., die eveneens in 1720 werd opgericht. En de veranderingen kan men in kapitaal- en ventilatieboeken (inv.nrs 1584-1588, 1594-1597) en de transportboeken van actiën (inv.nrs 1603-1619), die over gans de periode lopen, als op den voet volgen.
Ook de boekhouding kan, uit de journalen (inv.nrs 1627-1647), memorialen (inv.nrs 1648-1650), kasboeken (inv.nrs 1651-1688), grootboeken (inv.nrs 1689-1709) en balansen (inv.nrs 1711-1715) tot in details worden gekend.
Opmerkelijk is de als het ware dubbele administratie: die van de schepen en van het kantoor. De kapiteins voerden op hun reizen - men zie de rubriek 'uitreding der schepen' - met hun personeel naast hun, nautische, journalen, een uitvoerige boekhouding. Zij administreerden in de 'cargaboeken' het hun toevertrouwde cargazoen, hielden in de 'negotieboeken' aantekening der gedane aan- en verkopen, noteerden in 'soldijboek' en 'soldij(monster)rol' de te betalen en betaalde gages en verantwoordden in de 'consumptieboeken' de verstrekte rantsoenen. Bijzondere reizen brachten wel eens bijzondere boeken mee, bijvoorbeeld een 'negotieboek' van tanden (inv.nrs 1204, 1212), van goud (inv.nr 1211), van was (inv.nr 1205); natuurlijk leidde ook de slavenhandel een- en andermaal tot een speciale vermelding (inv.nrs 489, 497, 864, 932, 933, 1130, 1150, 1297, 1380).
Thuis gekomen, leverden zij hun bescheiden in en werden hun gegevens voor de afrekening per reis - dit beginsel uit de begintijd der VOC hield in Middelburg lang stand - verwerkt in het 'scheeps- of rederijboek', dat ons per schip, voorzover bewaard, een volledig beeld geeft van de aanbouw van het schip en van de loop der voyages. Ook in de 'factuurboeken van verkochte retouren' (inv.nrs 1729-1736) werden de gegevens der stuurlieden uit de 'cassaboeken' overgebracht.
Opmerkelijk is echter de weinige vastheid van de nomenclatuur dezer lieden. De leiders van de Prins Willem V vertonen een wonderlijke dooreenhaspeling van diverse zaken onder de titel 'grootboek'. Het zogenaamde 'cargaboek', soms 'factuurboek' genoemd, bevat bij sommigen niet alleen opgave der cargazoenen, zoals redelijk is, doch ook inkopen, die bij anderen in de (dagelijkse) 'negotieboeken' worden vermeld. Een vaste lijn valt niet te constateren.
Dat is ook het geval bij de begrippen 'monsterrol' (soms ook 'generale rolle' genaamd, zie bijvoorbeeld inv.nr 587), 'soldijrol' en 'soldijboek'. Zeer duidelijk is inv.nr 1394: 'monsterrolle of scheepssoldijboek'. 'Monsterrol' in de eigenlijke zin, de aanmonstering van scheepsvolk verantwoordend, komt slechts enkele malen voor (inv.nrs 452, 571, 604, 885), waarvan nog de helft hulpoorlogsschepen betreft. Maar in alle andere gevallen komt dit niet alleen in oneigenlijke zin voor, maar bovendien voor meer dan één begrip! 'Maandgeldrol', 'soldijrol', zelfs 'soldijboek', al deze variërende begrippen worden met datzelfde woord aangegeven. Een enkele maal (inv.nr 656) komt ook hier zelfs het woord 'scheepsboek' voor, dat zoals wij boven zagen ook in gans andere zin wordt gebruikt. Onder een 'maandgeldrol' is het registertje te verstaan, waarin alleen de aan het scheepsvolk, van kapitein tot scheepsjongen, te betalen gages werden vermeld (bijvoorbeeld inv.nrs 262, 441, 558, 563, 576, 602, 951, 1279, 1349).
Gelijk opgezet zijn de beide andere, doch de uitwerking verschilde: in het 'soldijboek', daarom ook wel '(scheeps)schuldboek' genoemd (inv.nrs 653, 761, 789, 796, 804, 810), noteerde men de gedane verschotten en andere schulden, de 'soldijrol' echter verantwoordt de door ondertekening der bemanning bekrachtigde gedane betaling. Dat alles lijkt vrij ingewikkeld; par comble de malheur waren de comptabelen niet steeds vast in de leer en een enkele maal schreef men soldijrol terwijl het karakter als soldijboek onmiskenbaar is (inv.nrs 686, 1131, 1433). In de inventaris is dan ook bij deze stukken de oorspronkelijke aanduiding op plat of in dorso met aanhalingstekens weergegeven. Was de qualificatie onjuist, dan is het ware begrip tussen haakjes vermeld. Ontbrak de oorspronkelijke aanduiding, dan is het stuk naar analogie omschreven.
2.4. Het archief
Hoewel bepaalde gegevens hierover niet werden aangetroffen schijnt men, gezien hetgeen ons is overgeleverd, te mogen zeggen dat de heren der Commercie Compagnie goed voor hun archief hebben gezorgd. De ribben zijn goed bewaard, en de lacunes in de losse stukken schijnen meer tengevolge van de ramp van 17 mei 1940 dan door nalatigheid of slordigheid der oude beheerders te moeten worden verklaard. Op 17 mei 1940 gingen een aantal reisjournalen verloren die op dat moment elders waren geborgen dan in hun normale ruimte, die voor het vuur bleef gespaard.
Toen de Compagnie in het eind van 1888 op sterven lag, werd besloten 'het archief te onderzoeken om te zien wat daarvan bewaard behoort te blijven' en werd 'den boekhouder opgedragen voorlopig het archief uit te zoeken'. Een maand later - over de uitslag van dit onderzoek wordt niet gerept - kwam een verzoek van de Commissie voor de Provinciale Bibliotheek van Zeeland het Compagnie's archief aan de 'provinciale verzameling' te willen afstaan. Besloten werd het af te geven 'voorlopig voor zooveel betreft de papieren, boeken enz. der scheepvaart, doch het overige archief, grootendeels de administratie betreffende, vooralsnog niet af te geven' (inv.nr 31, notulen 22 oktober en 20 november 1888). De scheepsmodellen werden aan de Stedelijke Oudheidkamer geschonken, waar zij in mei 1940 verloren gingen.
Door deze activiteit der genoemde commissie kreeg dus de Provinciale Bibliotheek hetgeen eerder in het daarvoor meer geëigende Rijksarchief in Zeeland - toen nog Provinciaal Archief - op zijn plaats zou zijn geweest. Enige jaren later echter kwam het daar toch terecht, en de commies M.H. van Visvliet vervaardigde een inventaris van het archief, die niet tot het beste behoort dat deze verdienstelijke archivist heeft nagelaten. Een nieuwe beschrijving, waarbij zowel met de nieuwere denkbeelden der archivistiek als met de zeer bijzondere aard van dit bedrijf rekening is gehouden, wordt hierbij geboden. Over die aard van het bedrijf is boven reeds gesproken; hier moge met een enkel woord rekenschap worden gegeven van de gezichtspunten, waarnaar deze inventaris is bewerkt.
Uitgaande van de op zich zelve ongetwijfeld juiste en aantrekkelijke gedachte, dat men een archief dient in te delen overeenkomstig de komst der stukken in het administratief bestel, zou men het archief van dit bedrijf eigenlijk moeten doen aanvangen met het intekenregister van juli 1720 (inv.nr 1581), uiteraard het begin der onderneming; evenzeer zou men dan moeten eindigen met de stukken betreffende de liquidatie der Compagnie (inv.nr 120), die aan haar bestaan een einde maakte. Doch 'jede Konsequenz führt zum Teufel', en van deze consequentie hebben wij om traditionele zowel als om praktische redenen afgezien. Wij openen de inventaris - ut solet - met de stukken betreffende bestuur en beheer in het algemeen: notulen der diverse organen, ingekomen en verzonden stukken, en dergelijke. Bovengenoemde leidraad weer volgend, volgt dan de uitreding der schepen, geflankeerd door de activiteit van werf en van lijnbaan. Ook hier werd de historische volgorde der uitredingen niet aangehouden; ieder schip werd als eenheid beschouwd, en hun totaal alfabetisch gerangschikt, waardoor o.i. de overzichtelijkheid althans heeft gewonnen. Vervolgens - het wil ons voorkomen dat wij hierbij aan historische toestanden aanknopen - is de boekhouding behandeld, waarbij eerst de stukken betreffende de boven reeds genoemde kapitaalinschrijving zijn behandeld en daarna de boekhouding van het bedrijf is beschreven.
Hierbij kon de weerslag van bovengenoemd beginsel (voor het eerst voorgedragen door mr A. Meerkamp van Embden, 'De Handleiding en hare practische toepassing. Het herkomstbeginsel en de volgorde in den inventaris' in Nederlandsch Archievenblad 32 (1924/25) 117-120), doch reeds eerder toegepast door C. de Waard, althans ten aanzien van de onderlinge verhouding der stukken worden gevolgd. Minutele notulen gaan in die gedachtengang voor notulen, bovengenoemde soldijboeken voor de soldijrollen; overeenkomstig de gang der boekhouding is de aangewezen volgorde der handelsboeken deze: journaal (dagelijks en driemaandelijks), memoriaal, kasboek, grootboek, balans.
Een laatste hoofdstuk beschrijft de weinige bewaarde kaarten. Alle kaarten van de Commercie Compagnie van Middelburg werden, samen met andere kaarten en tekeningen uit archieven en collecties van het Rijksarchief in Zeeland, door C. de Waard afzonderlijk beschreven in de Inventaris van kaarten en teekeningen (Middelburg 1916). De handgeschreven kaarten zijn echter in mei 1940 verloren gegaan, zodat enkel enige gedrukte resteren.
3. Bijlagen (2009)
3.1. Bijlage 1: Literatuur (deels) gebaseerd op onderzoek in het archief
B. Brommer, Ik ben eigendom van ... Slavenhandel en plantageleven (Wijk en Aalburg 1993) [bibliotheek studiezaal: 904.1 ik b]
A. van Dantzig, Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel. Fibulareeks 27 (Bussum 1968) [bibliotheek studiezaal: 904.1 dant]
M.J. Eijgenraam, 'Menschlievendheid en Eigen Belang. De behandeling van de slaven aan boord van de schepen van de Middelburgsche Commercie Compagnie', in: Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 1990, 77-103 [bibliotheek studiezaal: zeel 003 zeeu (1990)]
P.C. Emmer, 'De tweede reis van het fregatschip 'De Standvastigheid'. Eerste aanleg 1794-1795, tweede aanleg 1802-1805' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden 1968), gepubliceerd in: 'De laatste slavenreis van de Middelburgsche Commercie Compagnie', in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek 34 (1971) 72-124 [bibliotheek depot: periodieken E (34)]
P.C. Emmer, 'Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de negentiende eeuw. Deel I: De afschaffing van de slavenhandel; de Nederlandse reactie daarop', in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek 36 (1973) 146-215 en 'Deel II: De afschaffing van de slavenhandel; de reactie op de Goudkust en de werkzaamheden van de Engels-Nederlandse gerechtshoven tot wering van de slavenhandel', in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek 37 (1974) 44-144; beide delen tevens verschenen als overdruk onder de titel: Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de negentiende eeuw. Proefschrift Universiteit van Amsterdam (Leiden 1974) [bibliotheek depot: periodieken E (36-37), overdruk niet aanwezig in Zeeuws Archief]
P.C. Emmer, 'De vaart buiten Europa. Het Atlantisch gebied', in: Maritieme Geschiedenis der Nederlanden 3 (Bussum 1977) 298-317 [bibliotheek studiezaal: 658.2 mari]
P.C. Emmer, 'Suiker, goud en slaven. De Republiek in West-Afrika en West-Indië 1674-1800', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden 9 (Haarlem 1980) 465-483, ook verschenen in: E. van den Boogaart e.a., Overzee. Nederlandse koloniale geschiedenis 1590-1975 (Haarlem 1982) 145-165 [bibliotheek studiezaal: 931 alge; overdruk niet aanwezig in Zeeuws Archief]
P.C. Emmer, The Dutch in the Atlantic economy 1580-1880. Trade, slavery and emancipation. Collected Studies 614 (Aldershot 1998) [niet aanwezig in Zeeuws Archief, zie echter Zeeuwse Bibliotheek, sign. 932 emme]
P.C. Emmer, De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (Amsterdam 2000) [bibliotheek studiezaal: 904.1 emme]
J. Francke, Armazoen voor cargazoen. Slavenhandel door de Middelburgsche Commercie Compagnie (1732-1804). Scriptie Hogeschool Rotterdam en omstreken, Faculteit Educatieve Opleidingen, Sectie Sociale Vakken, Vakgroep Geschiedenis (Middelburg/Zoutelande 1996) [bibliotheek studiezaal: zeel 939.2 fran]
D.H. Gallandat, 'Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren', in: Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap (Middelburg 1769-1770), deel 1 (1769) 422-460
H. den Heijer, Goud, ivoor en slaven. Scheepvaart en handel van de Tweede Westindische Compagnie op Afrika (Zutphen 1971) [bibliotheek studiezaal: 939.2 heij]
R.A.F. Hezemans, 'De Atlantische slavenhandel der Middelburgsche Commercie Compagnie in Afrika' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden 1985) [niet aanwezig in Zeeuws Archief]
G. van Hooff, 'De Commercie Compagnie als inrichting tot herstel en vervaardiging van ijzeren vaartuigen, stoomtoestellen en andere werktuigen (1871-1888)', in: Zeeuws Tijdschrift 38 (1988) 27-31 [bibliotheek studiezaal: zeel 051 zeeu]
P.R.S. Koulen, 'De eerste reis van het snauwschip 'De Vigilantie' naar Guinee en Suriname voor de Middelburgsche Commercie Compagnie, 9 augustus 1778-8 september 1779' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1975) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 939.2 koul]
A.E. Leuftink, Harde heelmeesters. Zeelieden en hun dokters in de 18e eeuw (Zutphen 1991) 170-180 [bibliotheek studiezaal: 602 leuf]
C. Lüden, Sklavenfahrt mit Seeleuten aus Schleswig-Holstein, Hamburg und Lübeck im 18. Jahrhundert (Heide 1983) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 904.1 lüde]
J.M. Postma, The Dutch in the Atlantic slave trade 1600-1815 (Cambridge 1990) [bibliotheek studiezaal: 904.1 post]
L.R. Priester, 'De Nederlandse houding ten aanzien van de slavenhandel en slavernij, 1596-1863' (doctoraalscriptie Eramus Universiteit Rotterdam 1986), gepubliceerd als: De Nederlandse houding ten aanzien van de slavenhandel en slavernij, 1596-1863. Het gedrag van de slavenhandelaren van de Commercie Compagnie van Middelburg in de 18e eeuw. Scriptiereeks Commissie Regionale Geschiedbeoefening Zeeland 2 (Middelburg 1987) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 939.2 prie]
C. Raak, 'Adriaan Jacobze, slavenhaler in dienst van de Middelburgse Commercie Compagnie, 1750-1770. Een bibliografische benadering van de Nederlandse slavenhandel', ongepubliceerde scriptie lerarenopleiding Hogeschool Holland, Amsterdam 1989 [bibliotheek studiezaal: zeel midd 904.1 raak]
C. Reinders Folmer-Van Prooijen, Van goederenhandel naar slavenhandel. De Middelburgse Commercie Compagnie 1720-1755. Werken uitgegeven door het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 10 (Middelburg 2000) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 939.2 rein]
C. Reinders Folmer, 'The organization of a privateering expedition by the Middelburgse Commercie Compagnie, 1747-1748', in: D.J. Starkey, E.S. van Eyck van Heslinga, J.A. de Moor (eds), Pirates and privateers. New perspectives on the war on trade in the eighteenth and nineteenth centuries. Exeter Maritime Studies (Exeter 1997) 171-185 [niet aanwezig in Zeeuws Archief]
C. Reinders Folmer-Van Prooijen, 'Value for money? The trade and shipping of foodstuff by the Middelburgse Commercie Compagnie, 1720-1745', in: K. Friedland (eds), Maritime Food Transport (Keulen 1994) 257-272
C. Reinders Folmer-Van Prooijen, ''Met de rapen in de pot'. Het hoekerschip Maria Elisabeth in de Europese vaart, 1720-1732', in: L. Akveld e.a. (red.), In het kielzog. Maritiem-historische studies aangeboden aan Jaap R. Bruijn bij zijn vertrek als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit Leiden (Amsterdam 2003) 222-232
G. van Rijn, Het groote tafereel der dwaasheden en zijne geschiedenis, voorafgegaan door eenige mededeelingen over de Utrechtsche en Middelburgsche compagniën (Amsterdam 1905) 14 [niet aanwezig in Zeeuws Archief, zie echter Zeeuwse Bibliotheek, sign. 28F48]
D. Schoute, 'Scheepschirurgijns-journaal van een slavenschip der Middelburgsche Commercie Compagnie', in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 92 (1948), IV, 45 (6 november) 3645-3662 [bibliotheek studiezaal: zeel 939.2 scho] [online versie]
J. van Sluijs, 'Lijst van koopvaardijschepen der Commercie Compagnie te Middelburg 1721-1864' (handschrift 1952) [aanwezig in de bibliotheek van het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum, sign. G 53]
F.C. Spooner, Risks at sea. Amsterdam insurance and maritime Europe, 1766-1780 (Cambridge 1983)
W.S. Unger, 'Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. I: Beknopt overzicht van de Nederlandse slavenhandel in het algemeen', in: Economisch-Historisch Jaarboek. Bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland 26 (1952-1954) 133-174 [bibliotheek depot: periodieken E], ook verschenen als overdruk [bibliotheek depot: zeel midd 939.2 unge dl.I]
W.S. Unger, 'Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. II: De slavenhandel der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1732-1808', in: Economisch-Historisch Jaarboek. Bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland 28 (1958-1960) 3-148 [bibliotheek depot: periodieken E], ook verschenen als overdruk [bibliotheek depot: zeel midd 939.2 unge dl.II]
W.S. Unger, 'Een belangrijke bron voor de geschiedenis van onze scheepvaart: de journalen der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1720-1809', in: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis 5 (december 1962) 2-4 [bibliotheek depot: periodieken T]
D. van der Vlis, 'De reis van het fregatschip 'Het Vergenoegen' naar Angola en Suriname, 1793-1797' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden 1967) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 939.2 vlis], gepubliceerd in: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis 15 (november 1967) 1-21 [bibliotheek depot: periodieken T]
J.P. van de Voort, 'Handel en handelsbetrekkingen met West-Indië. Wording en bedrijf van de Middelburgsche Commercie Compagnie 1720-1780' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Nijmegen 1967) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 939.2 voor]
J.P. van de Voort, De Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel. Proefschrift Nijmegen (Eindhoven 1973) 36-82 [bibliotheek studiezaal: 939.3 voor]
A.I. Vroeijenstijn, 'De eerste voyage van het fregatschip 'De Standvastigheid' gedestineerd naar de kust van Guinea op last van de heren direkteuren van de Middelburgsche Commercie Compagnie, 30 nov. 1790-13 nov. 1792' (ongepubliceerde doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden 1967) [niet aanwezig in Zeeuws Archief]
A. Wisse, De Commercie Compagnie te Middelburg van haar oprichting tot het jaar 1754. Proefschrift Leiden (Utrecht 1933) [bibliotheek studiezaal: zeel midd 930.1 wiss]
3.2. Bijlage 2: Lijst van directeuren van de Commercie Compagnie van Middelburg, 1720-1869
De directeuren werden door de hoofdparticipanten bij meerderheid gekozen. Bij de oprichting bedroeg het aantal directeuren acht, op 12 januari 1729 werd het aantal bepaald op zes, op 6 september 1734 op zeven, op 8 maart 1842 op vijf. Tot 1842 werden directeuren voor hun leven gekozen, daarna was de zittingstijd vijf jaar. In de buitengewone algemene vergadering van hoofdparticipanten van 9 november 1869 traden de vijf directeuren af en werden zij vervangen door een Raad van Toezicht.
1720 aug. 5-1724 aug. 22: Willem van Citters
1720 aug. 5-1724 feb. 14: Hermanus van de Putte
1720 aug. 5-1724 mrt 4: Pieter de la Rue
1720 aug. 5-1722 feb. 14: Hermanus Christiaansen
1720 aug. 5-1724 juni 1: Jacobus Sluyters
1720 aug. 5-1721 juni 21: Jan Ackermans
1720 aug. 5-1733 aug. 18: Cornelis Speldernieuw
1720 aug. 5-1767 juli 23: Joost van Huyen
1720 aug. 5-1754 dec. 27: Casparus Ribaut
1721 aug. 7-1732 dec. 14: Izaak de Nijze
1722 apr. 30-1727 dec. 17: Philips Bonquet
1723 apr. 1-1728 jan. 26: Pieter Sandra
1724 aug. 17-1751 mei 16: Hendrik Boursse
1724 mei 12-1728 dec. 11: Jan de Laver
1729 feb. 16-1730 jan. 26: Petrus van den Heuvel
1730 mrt 9-1734 juni 9: Jacobus Wils
1733 jan. 29-1749 juni 3: Abraham Claudoré
1733 okt. 5-1749 okt. 10: Abraham van den Bussche
1734 sep. 6-1748 dec. 10: Bartolomeus van de Coppello
1734 sep. 6-1755 nov. 13: Daniël Schorer
1749 mrt 20-1776 mrt 5: Jacobus Landsheer
1749 dec. 30-1775 okt. 2: Salomon Reinders
1749 dec. 30-1769 sep. 25: Evert Blonkebijle
1752 mei 29-1753 nov. 23: Pieter de Timmerman
1755 feb. 5-1780 dec. 19: Willem Macquet
1755 feb. 5-1769 mrt 8: Daniel van Berlekom
1767 aug. 27-1773 mei 14: Michiel Mounier
1769 apr. 27-1777 aug. 4: Hendrik de Timmerman
1769 nov. 2-1789 juli 24: Cornelis Vis
1770 nov. 29-1772 jan. 7: Jan Jansen de Jonge
1771 jan. 17-1787 okt. 25: Johannes Jacobus Cappeine
1772 mrt 19-1780 juli 31: Dirk Wagtels
1773 juli 22-1788 mrt 20: Leendert Bomme
1776 mei 2-1818 aug. 25: Jan Ackerman
1777 okt. 9-1790 mei 19: Jan Joseph Negré
1780 sep. 28-1788 nov. 9: Johannes Splinter Stavorinus
1781 mrt 8-1797 apr. 1: Jan Bouwens
1787 dec. 20-1797 sep. 23: Pr. Luc. Grijmalla
1788 juni 5-1795 sep. 28: Daniël Denis
1789 jan. 29-1800 mrt 3: Henricus van den Vondel
1789 okt. 22-1812 sep. 1: Jan Stavorinus
1790 aug. 19-1822 juli 11: Johannes Hermanus Waterlander
1796 mei 5-1808 apr. 21: Jacobus Mareeuw Jzn
1797 juni 29-1828 mrt 19: David Isaäc Schorer
1797 dec. 21-1823 jan. 23: Johan Assuérus Becius
1803 mei 26-1817 okt. 1: Petrus Guill. Schorer
1817 sep. 19-1843 jan. 8: Pr. Johannes Boddaert
1817 sep. 19-1855 mrt 31: Johannes Jacobus Sprenger
1822 okt. 1-1824 mrt 19: Paulus Johannes van der Mandere
1822 okt. 1-1853 mei 1: Pieter de Stoppelaar
1824 okt. 19-18[...] mrt 14: Servaas Bomme
1828 aug. 19-1851 mei 15: Hr du Buisson Becius
1843 mrt 21-1869 nov. 9: Pieter Damas van Sitters
1848 mrt 14-1858 mrt 2: Willem Reinbrand Boddaert
1852 mrt 9-1860 mrt 6: Hendr. Adr. Abrahams
1854 mrt 7-1856 mei 4: Steven Luteyn
1856 mrt 4-1860 mrt 6: Zacharias Snijder
1857 mrt 3-1869 nov. 9: Hendrik Jacobus van Deinse
1858 mrt 2-1869 nov. 9: Adriaan Marinus Becius
1860 mrt 6-1869 nov. 9: Thomas Adriaan Lambrechtsen
1860 mei 1-1869 nov. 9: Johannes Didericus Marinus de Stoppelaar
3.3. Bijlage 3: Artikel 'Een belangrijke bron voor de geschiedenis van onze scheepvaart: de journalen der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1720-1809'
W.S. Unger, 'Een belangrijke bron voor de geschiedenis van onze scheepvaart: de journalen der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1720-1809', in: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis 5 (december 1962) 2-4
In het stormachtige jaar 1720 dat, niet geheel ten onrechte, in onze economische geschiedenis als 'Het Groote Tafereel der Dwaasheid' bekend staat, werd te Middelburg - toen nog een belangrijke handelsstad - bovengenoemde handelsonderneming opgericht. Van dat jaar tot 1807 reedde zij schepen uit naar alle werelddelen; nadien sleepte zij als werf, die van het begin af tot het bedrijf behoorde, tot 1889 moeizaam het leven voort, alleen tussen 1851 en 1853 nog een paar reizen naar Java ondernemend [1].
Haar nautische expansie valt duidelijk in twee perioden uiteen. Van de oprichting tot in de jaren '50 strekte haar bedrijvigheid zich uit naar de door Hollanders en Zeeuwen sedert eeuwen bevaren havens van Oostzee, Frankrijk, het Iberisch schiereiland en de Middellandse Zee, daarnaast naar Afrika, met name naar Guinee en Angola, en de West-Indiën. Wel zijn in deze periode ook enkele slavenreizen gemaakt - de eerste in 1732 -, maar de traditionele handelsproducten dier landen, nl. goud en olifantstanden in Afrika, tropische producten in Amerika, overwogen. Na het midden der eeuw echter verandert het beeld. De Europese vaart met inbegrip van enkele reizen naar IJsland en Straat Davis (walvisvaart) houdt in die jaren geheel op, terwijl die op Afrika en West-Indië een gans ander karakter kreeg: in de plaats van de vaart heen-en-weer Guinee-Europa of West-Indië-Europa kwam overwegend de driehoekshandel Afrika-West-Indië-Europa. 296 economische uitredingen der Compagnie zijn ons over de gehele periode bekend; daarvan bepaalden 52 zich tot het Europese handelsgebied, 91 tot West-Indië (inclusief twee naar de Zuidzee), 40 tot Guinee c.a., 113 waren driehoeksreizen, d.w.z. slavenreizen. Van de 114 uitredingen, die van 1756, het jaar waarin de Europese belangen der Compagnie ophielden, tot 1807, toen de laatste slavenreis werd ondernomen, plaatsvonden, waren 92 slavenreizen; over de periode 1766-1807 waren deze cijfers zelfs 74 en 65!
Van deze reizen werd schip voor schip en reis voor reis een afzonderlijke administratie gehouden. De financiële totalen over ieder schip met al diens reizen werden neergelegd in de scheeps- of rederijboeken, bevattende 'rekening van de aanbouw en verdere equipagie en de rekeningen der successievelijke reizen'. Voorop gaan de cargaboeken, de waren vermeldend, aan de kapiteins meegegeven voor de aankoop (inruil) der negers; dan volgen de negotieboeken [2], die de inkoop van deze registreerden. Beide zijn van nut voor de economische kant van het bedrijf; zij stelden, met andere bronnen - notulen, brieven enz. - ons in staat van de slavenhandel der Compagnie een vrij volledig beeld te geven [3]. Zeer veel werd daarvoor ontleend aan de journalen, niet in boekhoudkundige doch in nautische zin, der kapiteins en zij zijn het vooral die de aandacht der nautische historici verdienen. Voor ruim de helft van alle reizen - om precies te zijn van 150, nl. 29 van reizen naar de kust van Afrika, 44 naar de West-Indiën, 73 van driehoeksreizen, 3 naar Europese havens (inclusief een walvisvaart), een naar de Zuidzee - zijn journalen bewaard [4]. Wij hebben hier dus te maken niet met wat verspreide gegevens, maar met een vrij compact materiaal, dat door zijn veelvuldigheid ook t.a.v. nautische onderwerpen, evenals betreffende de slavenhandel het geval was, meer betrouwbare conclusies mogelijk kan maken [5]. Uit mijn boven (zie noot 1) genoemde inventaris kan men ze gemakkelijk uitlezen (nrs 172, 176 enz.).
Van deze 150 journalen zijn 145 gehouden door de kapiteins, drie (inv.nrs 300, 1234, 1397) door de (opper) stuurman, een (inv.nr 187) door de 'derde waak' of derde stuurman, een (inv.nr 321) door de secretaris [6]. Naast deze zijn er nog vijf dubbele journalen, gehouden door andere officieren, nl. twee (inv.nrs 236, 1412) door de (opper) stuurman, twee (inv.nrs 301, 1105) door de onderstuurman, ook wel tweede stuurman genoemd, een (inv.nr 321) door de 'derde waak'; van twee (inv.nrs 1071, 1209) is er een onvoltooid duplicaat van onbekende hand, van een (inv.nr 430) een afschrift. Men ziet hieruit hoezeer de kapitein de normale redacteur van het journaal was. Deze taak was hem dan ook speciaal in zijn instructie opgedragen: 'wert den capteyn of die bij sijn overlijden de commande sal voeren wel expresselijck gelast en geordonneert zijn boecken (hiermee zijn de koopmansboeken bedoeld) en journaal alle dag effen te stellen' [7]. Terecht stelden directeuren dan ook de eis dat hij een 'cappabel' kapitein moest zijn, 'een zeeman en negotiant' [8]. Of zij voor de vervulling van hun taak aan een proef waren onderworpen, zoals Gaston Martin voor Nantes - de Franse slavenstad bij uitstek - vermeldt, is niet gebleken, maar dat hun praktische kennis groter zal zijn geweest dan hun theoretische lijkt wel aannemelijk.
Deze journaals nu brengen, behalve gegevens over de reisduur, de gebruikelijke nautische waarnemingen over 'vaak slegt, moeilijk en verdrietig weer', over 'contrarijwinden, stilte, labber- en flauwe coeltens, stormen, travaeten (= travaden of rondlopende buien met regen en felle onweersverschijnselen, in 't Portugees trovodda), 'sterke raveling van stroom', vooral op de kust van Angola, vaarsnelheid en bestek, die de deskundigen op dit gebied tot nadere bestudering mogen verlokken. Zoals reeds is gezegd, vormen zij ten aanzien hiervan een compact geheel, maar ook omtrent meer 'individuele' onderwerpen brengen zij nuttige mededelingen. Zo bevat het journaal van de reis van Het Vergenoegen (inv.nr 1103) - overigens helemaal geen vergenoegen - achteraan een overzicht van vertrek en aankomst van plaats tot plaats; een ander (inv.nr 765) geografische en astronomische gegevens betreffende de Spaanse West-Indiën. Landopdoeningen vindt men in de beide exemplaren van het journaal van de merkwaardige reis langs de westkust van Zuid-Amerika van de Don Louis in 1724-1727 (inv.nrs 320-321), en naar ik meen in enkele andere. Van belang is ook de verhandeling: 'Konst der stuurlieden' in het journaal van een reis, 1742-1743 gedaan naar de kust van Afrika, opgesteld door een jong en stellig veelbelovend officier, de derde waak Chr. Ranger. Bovendien kan gewezen worden op de waarde van deze grote reeks journalen voor een onderzoek naar het leven van de schepeling. De sterftecijfers op de diverse tochten, de duur van het soms voortijdig verlaten dienstverband en talloze andere zaken kunnen eruit samengelezen worden, waarbij ook nog ter beschikking staan de monsterrollen voor 215 reizen naar alle gebieden, die de Middelburgsche Commercie Compagnie bestreken heeft [9].
Tenslotte zij nog medegedeeld dat voor enkele reizen (inv.nrs 516, 523, 929, 936) een modeljournaal werd gebruikt, waarbij kolommen waren gedrukt. Op de linkerbladzijde kwamen de volgende hoofden voor: Maanden, Dag, Aanteekenswaardige zaken, Ontdekkingen en Voorvallen; op de rechterbladzijde: Dag, Coers, Mijl, Gegiste breete, Lengte, Bevond(en) breete, Naaldwijzing, Winden, Kragt van de wind en hoedanigheid van 't weer.
Noten:
[1] Voor de inhoud van dit in het Rijksarchief in Zeeland bewaarde archief, zie W.S. Unger, Het archief der Middelburgsche Commercie Compagnie ('s-Gravenhage 1951).
[2] Een enkele maal ook wel (in de boekhoudkundige zin van het woord), journaalboek of 'dagelijkse journaal van de negotie' genoemd.
[3] W.S. Unger, 'Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. II: De slavenhandel der Middelburgsche Commercie Compagnie, 1732-1808', in: Economisch-Historisch Jaarboek. Bijdragen tot de economische geschiedenis van Nederland 28 (1958-1960) 3-148
[4] Bovendien nog één van een reis naar Java in 1850/51.
[5] De West-Indische Compagnie heeft hetzelfde zeegebied bediend maar, anders dan t.a.v. de V.O.C. het geval is, zijn van haar slechts weinig reisjournalen bewaard.
[6] Namelijk op de Don Louis, die in 1724 een reis naar de Zuidzee maakte (zie het archief, p. 37, inv.nrs 320-321). Op een andere reis wordt deze funktionaris op de monsterrol na de derde waak genoemd.
[7] Unger, 'Slavenhandel', p. 122.
[8] Ibidem, p. 23.
[9] Ibidem, p. 23-27.
3.4. Bijlage 4: Lijst van inventarisnummers waarvan online digitale opnamen beschikbaar zijn
Van 64 journalen van reizen van schepen van de Commercie Compagnie zijn PDF-bestanden met eenvoudige zwartwit opnamen van de originele exemplaren via deze inventaris toegankelijk. Het gaat om de volgende inventarisnummers:
- 204
- 329
- 338
- 391
- 429
- 461
- 467
- 511
- 523
- 537
- 542
- 744
- 748
- 752
- 758
- 775
- 781
- 787
- 830
- 837
- 842
- 853
- 858
- 891
- 896
- 903
- 910
- 916
- 922
- 962
- 968
- 973
- 994
- 999
- 1004
- 1070
- 1092
- 1097
- 1103
- 1125
- 1148
- 1153
- 1160
- 1166
- 1172
- 1179
- 1184
- 1189
- 1193
- 1202
- 1208
- 1217
- 1234
- 1239
- 1246
- 1252
- 1302
- 1312
- 1369
- 1385
- 1391
- 1397
- 1405
- 1411
De betreffende nummers kunnen ook geselecteerd worden via een zoekactie op "scans".
 
 
 
 
 
20   Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC)
Algemeen bestuur
Het bedrijf
De boekhouding
Kaarten
Overige
 
 
 
 
 
20   Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC)
Datering:
  1720-1889
Andere namen:
  Commercie Compagnie van Middelburg (CCvM), Middelburgse Commercie Compagnie (MCC)
Vestigingsplaats:
  Middelburg
Toegankelijk:
  Inventaris
Openbaarheid:
  Geen beperkingen
Inzage:
  Studiezaal; deels online (zie opmerking)
Opmerking:
  Een klein aantal scheepsjournalen is online in te zien, voor een opgave van de nummers zie: Inleiding > Bijlagen > Bijlage 4. Een index op persoonsnaam van de bemanningsleden voorkomende in de monsterrollen over de periode 1721-1802 is beschikbaar via het personenzoeksysteem Zeeuwen Gezocht .
Omvang:
  100 meter
Jaar bewerking:
  1945-1950
Titel publicatie:
  W.S. Unger, Het archief van de Middelburgsche Commercie Compagnie ('s-Gravenhage 1951)
Beschrijving:
  De Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) was een onderneming die in de achttiende eeuw een grote rol in de internationale handel in slaven had. Het archief van de MCC is uniek omdat hierin de administratie over de slavenhandel vrijwel volledig en intact aanwezig is. Dat maakt dit archief wereldwijd tot een uiterst zeldzame bron van gedetailleerde administratieve gegevens over de handel in slaven. The Archives of the Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) ['Trade Company of Middelburg'], are both a unique and, from a global perspective, crucial collection of documentary heritage, that allows a greater understanding of the slave trade in the so-called triangle trade from Middelburg, the capital of the province of Zeeland in the Netherlands, across the Atlantic in the 18th century (1730-1800).
ISIL-Code:
  NL-MdbZA_20
Collectie:
  Rijksarchief in Zeeland
Bijzonderheden:
  Op 25 mei 2011 is het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) geplaatst op de UNESCO werelderfgoedlijst van documenten 'Geheugen van de Wereld'. On May 25, 2011 the archive of the Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) was inscribed on the UNESCO International Register 'Memory of the World'.

logo
Categorie: