Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
Uw zoekacties: Departementaal Bestuur van de Zuiderzee te Amsterdam Ommelander Archieven, 1558 - 1862
 2 Ommelander Archieven, 1558 - 1862 ( Groninger Archieven )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
2   Ommelander Archieven, 1558 - 1862
1.  Inleiding
In het Friese gebied tussen Zuiderzee en Wezer was in de loop der middeleeuwen het landsheerlijk gezag verdwenen. Evenmin had zich er een staatkundige eenheid gevormd, al was er een tijdlang een losse binding geweest door het verbond van de Upstalboom. De landschappen stonden elk op zichzelf met eigen landrechten en instellingen, die echter onderling wel een grote overeenkomst vertoonden. Ook in deze landjes zelf werd de verbrokkeling steeds groter; een eigenlijk bestuur was er niet, de abten der kloosters en de hoofdelingen, voorlopers van de latere jonkers, waren de feitelijke machtsdragers geworden.
In dit heerloze land ging de in het uiterste noorden van Drente tot ontwikkeling gekomen stad Groningen met succes een rol spelen. Ze trachtte er niet alleen haar stapelrecht te vestigen, maar ook politiek haar wil te doen gelden. Lauwers en Eemsmond, verwijd tot de Dollard, werden op den duur de natuurlijke grenzen van haar invloedssfeer. Het Oldambt en een gedeelte van Reiderland wist ze aan zich te onderwerpen, evenals het niet Friese Gorecht c.a. Met de overige Ommelanden, Vredewold, Langewold, Humsterland, Hunsingo en Fivel(in)go gelukte dit niet in die mate. Wel wist ze door verdragen, het laatst dat van 1482, deze landschappen nauw aan zich te verbinden. Op den duur zou aldus een nieuwe eenheid Stad en Ommelanden ontstaan.
Omstreeks 1500 veranderde de situatie. De Saksische hertogen in Westlauwers Friesland, de graaf van Oost-Friesland en de hertog van Gelre trachtten er met meer of minder succes hun landsheerlijk gezag te vestigen, totdat in 1536 Karel V als overwinnaar te voorschijn kwam. Als één gewest gingen Stad en Ommelanden nu deel uitmaken van de "Nederlanden".
Reeds vóór 1536 was langzamerhand uit bijeenkomsten te Groningen van vertegenwoordigers van Stad en Ommelanden een Statencollege gegroeid, dat evenwel nog geen vaste vorm had aangenomen. Op den duur werden het abten, prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en, waar geen eigenerfden woonden, uit elk kerspel twee "volmachten", die de Ommelanden vertegenwoordigden. Ook traden gedeputeerden op namens Stad en Lande. Eveneens in de stad kwamen de Ommelander rechters bijeen voor rechtspraak en wetgeving: de Ooster- en Westerwarf. Uit deze warven hadden zich in de 15e eeuw de stedelijke Hoofdmannen tot een zelfstandig, meer permanent college ontwikkeld met een zekere rechtsmacht over de Ommelanden * 
Voortdurende twisten tussen Stad en Ommelanden, voornamelijk over het stapelrecht *  en de Hoofdmannenkamer, brachten de Ommelanders er in 1558 toe enige besluiten te nemen, welke de grondslag zouden leggen voor een eigen bestuursorganisatie. Zonder de stad er in te kennen belastten ze de 3e oktober van dat jaar een college van gedeputeerden met de verdediging van de Ommelander vrijheden. De 28e september 1559 werd een syndicus benoemd, een woord- en penvoerder te vergelijken met de pensionaris in de Hollandse steden, terwijl de 13e mei 1560 een begin werd gemaakt met het vormen van een eigen kas door het uitschrijven van een halve jaartax. Hoewel Stad en Ommelanden nog samen bleven beraadslagen ter bespreking van gemeenschappelijke aangelegenheden, vooral ten aanzien van de landsheer, werden de onderlinge Ommelander bijeenkomsten steeds veelvuldiger. Klein Friesland was de naam waarmee ze hun land officiëel gingen aanduiden. Dit alles onder protest van de stad.
Ondanks de pogingen van het centraal bestuur tot verzoening werd de kloof steeds breder. De Ommelanders streefden naar volledige afscheiding van de stad en bouwden hun organisatie gestadig verder uit, o.a. door de benoeming van een eigen secretaris en rentmeester. Deze twist beheerste ook het wederzijdse stellingnemen t.a.v. de Opstand. De Ommelanders zochten na 1576 dadelijk contact met de Generaliteit en tekenden ook onmiddellijk de Unie van Utrecht. De stad betwistte principieel het recht der Ommelanden daartoe en kon zelf niet afzonderlijk tekenen zonder daarmee dit recht te erkennen. Na het verraad van Rennenberg in 1580 geraakten beide partijen in geheel vijandige kampen, de stad werd Spaans, de Ommelanden bleven Staats. Toen hun gebied door de Spanjaarden veroverd werd, gingen de Ommelander gedeputeerden in ballingschap naar Oost- en Westfriesland, waar ze zich als de wettige regering der Ommelanden bleven beschouwen. In 1594 keerde de kans. Groningen moest capituleren voor de Staatse troepen. Hoewel de Ommelanders militair hadden overwonnen, werd de reductie van de stad staatsrechtelijk voor hen een nederlaag, want als één gewest werd Stad Groningen en Ommelanden in de Unie opgenomen *  . Over de voorwaarden werd nog enige jaren getwist, totdat op 8 maart 1599 de Staten- Generaal de eindbeslissing gaven. Aan de Ommelanden werd o.a. het recht gelaten afzonderlijke vergaderingen te houden en eigen belastingen te heffen. De onderlinge harmonie werd door deze uitspraak niet hersteld; voortdurend bleven twisten over stapelrecht, Hoofdmannenkamer enz. de bestuurswerkzaamheden vertragen, soms zelfs geheel stilleggen.
De regeringsvorm der Ommelanden bleef in hoofdzaak ongewijzigd, werd alleen nader gepreciseerd en uitgebouwd, het eerst bij de regelingen van 2 juni en 5 september 1608 en 22 februari 1609 *  . Over de interpretatie daarvan, speciaal over de comparitie ten landdag en het recht van overstemming rezen aanhoudend onderlinge geschillen. Herhaaldelijk werd een beroep gedaan op de Staten-Generaal om tussen beide te komen. De 8e juli 1655 gaf dit college een beslissing, welke werd gewijzigd bij het reglement van 19 april 1659 en enigszins herzien en aangevuld bij de zgn. "nadere correctie ende ampliatie" van 22 februari 1663. Dit reglement bleef van kracht tot de invoering van het Reglement Refermatoir van 1749.
Het bepaalde, dat de regering der Ommelanden zou bestaan uit jonkers, hoofdelingen en eigenerfden, die in eigendom en bezit moesten hebben 30 grazen land waarvan de ligging en waarde nader waren omschreven. "Jonker en hoofdeling" was in dit verband een titel, want zij moesten aan dezelfde voorwaarden voldoen als de andere eigenerfden. De kerspelen, waar dergelijke eigenerfden niet woonden, waren vertegenwoordigd door een of twee volmachten, te kiezen door en uit de ingezetenen, die minstens 30 grazen land in gebruik hadden. Bovendien vaardigde de stad Appingdam twee volmachten af.
De Ommelanden bestonden uit de drie oude kwartieren Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, die elk in 1659 verdeeld werden in drie onderkwartieren, administratieve en geen territoriale eenheden, die wel gedeeltelijk de namen droegen van oude landschappen en ambten, maar wier omvang willekeurig gekozen was om alle een evenredige aantal, bij name genoemde kerspelen te geven.
Deze verdeling in 9 onderkwartieren was van groot belang. In de eerste plaats was voor het formeren van alle provinciale en Ommelander resoluties een meerheid van zes onderkwartieren nodig, voorzover er in gewichtige zaken geen eenstemmigheid vereist was. In de onderkwartieren zelf werd bij gewone meerderheid van stemmen beslist. In de tweede plaats wees elk onderkwartier een ordinaris en extraordinaris gecommitteerde raad aan, benevens een arbiter of rechter en een monsterheer. De taak der gecommitteerden wordt in het reglement niet omschreven, de arbiters moesten eventuele geschillen over het reglement oplossen, terwijl de monsterheren belast waren met het onderzoek der geloofsbrieven van de landdagcomparanten. Bovendien ging de verkiezing van leden van provinciale en generaliteitscolleges, die voor twee jaar zitting hadden, bij tourbeurt over de onderkwartieren rond.
De taak van Gecommitteerde Raden, syndicus, secretaris, rentmeester, enz. was geregeld in speciale instructies.
Het college van Gecommitteerde Raden had als eerste opdracht tezamen met de syndicus de Ommelander vrij- en gerechtigheden voor te staan, in het bijzonder tegenover de stad en Hoofdmannenkamer. Verder hadden ze de zorg voor de Ommelander financiën; ze verpachtten b.v. de Ommelander accijnzen en spraken recht in pachtkwesties. De rekening van de rentmeester hoorden ze af tezamen met de extra-ordinaris gecommitteerde raden. Dezen kwamen ook wel bij andere gelegenheden met de ordinaris-raden bijeen. In het algemeen is de functie der Gecommitteerde Raden te vergelijken met die der Gedeputeerde Staten in de provincie.
De syndicus komt overeen met de raadpensionaris in Holland; de functies van secretaris, rentmeester enz. behoeven geen nadere uitleg.
De Ommelanden vormden bovendien het tweede lid in de regering van Stad en Lande. Op de Ommelander landdagen werden dientengevolge naast de eigen ook en vooral de provinciale aangelegenheden behandeld. De besluiten daar genomen bepaalde de stem der Ommelanden op de provinciale landdag, waar hun syndicus hun woordvoerder was. In het college der Gedeputeerde Staten bezetten zij de helft der zetels.
De voornaamste wijzigingen in de regeringsvorm der Ommelanden bij het Reglement Reformatoir van 1749 aangebracht, waren, dat de subdivisie in onderkwartieren werd afgeschaft. De stemmingen en benoemingen geschiedden voortaan kwartiersgewijs. Delfzijl, dat als kerspel wel het recht had eigenerfden of volmachten af te vaardigen, maar dit praktisch niet uit kon oefenen bij gebrek aan landelijk territoir, mocht zich voortaan door één of twee volmachten laten vertegenwoordigen op de landdag met samen één stem. De keuze zou geschieden door de ingezetenen die een eigen huis bewoonden en hoofd- en haardstedengeld betaalden. De stadhouder zou de monsterheren en arbiters uit de Ommelander regering mogen aanstellen en alle hoge politieke ministeriële bedieningen vervullen. De macht der oligarchie werd door het Reglement Refermatoir sterk beperkt, die van de stadhouder zeer uitgebreid.
De revolutie van 1795 voltrok zich ook in het Ommelander bestuur. De 17e februari van dat jaar verlieten de Ommelander heren hun vergaderzaal ten behoeve van een comité revolutionnair, dat zogenaamd optrad uit naam van de burgerij der Ommelanden. Dit comité had reeds gezorgd voor de vorming van een college van 18 provisionele representanten, die nu het bestuur overnamen. Een definitieve regering zou op geheel andere basis worden gekozen dan voorheen. Alle mannen die in de haardstedebelasting vielen kregen stemrecht, bovendien de leden der exercitiegenootschappen boven de 20 jaar. Elk kerspel zou een volmacht afvaardigen. Deze volmachten kwamen op 22 april 1795 in het Ommelanderhuis te Groningen bijeen, waar het comité revolutionnair 12 kiezers uit hen benoemde. Dezen kozen 18 representanten, die zich ook nog provisioneel noemden, immers pas op 4 november werden 12 definitieve representanten gekozen.
De Unitaristische omwenteling van 22 januari 1798 had tengevolge, dat de gewestelijke soevereiniteit werd opgeheven. De representanten der Ommelanden zetten zich de 27e januari om in een Intermediair Administratief bestuur met uiteraard sterk verminderde bevoegdheden. De 28e februari d.o.v. werd een municipaliteit van vier leden geïnstalleerd, volkomen ondergeschikt aan het Intermediair Administratief bestuur van het voormalig gewest Stad en Lande. De taak van deze municipaliteit schrompelde meer en meer samen tot niets anders dan het beheer van het vermogen der Ommelanden. Het Departementaal Bestuur vond haar dan ook spoedig overbodig en droeg de 27e maart 1804 het beheer der Ommelander kas over aan drie provisionele administrateurs, bijgestaan door een amanuensis-advocaat, een rentmeester en een bode.
Deze kas was in 1798 bij het amalgama der provinciale vermogens onaangetast gebleven, maar bij besluit van 8 juli 1802 van het Departementaal Bestuur onder toezicht gesteld van dit bestuur.
Een K.B. van 7 februari 1825 bepaalde onder andere, dat de drie administrateurs zouden uitsterven tot op één. De laatste zou dan worden gepensioneerd, waarna het beheer zou overgaan op de Gouverneur der provincie.
Nu er sinds 1804 geen Ommelander corporatie meer bestond, was er voortdurend discussie over de bestemming en verdeling der kas.
De inkomsten der Ommelanden hadden bestaan uit de opbrengst van de in 1618 *  aan de Ommelanden toegewezen kloostergoederen en van later aangekochte goederen, alsmede van enige belastingen als 1/8 verponding, bier- en wijnaccijnzen, ambt-, nering-, en slachtgelden, van aequivalenten en beleggingen. Door de staatsrechtelijke veranderingen sinds 1795 waren van deze inkomsten alleen overgebleven die uit de onroerende goederen en belegde kapitalen. Daarentegen waren de uitgaven ook sterk verminderd en beperkt tot die voor de traktementen der weinige functionarissen en onkosten verbonden aan het beheer van het vermogen. Er bleef elk jaar een vrij aanzienlijk overschot.
Reeds in 1801 was de municipaliteit der Ommelanden, na raadpleging van het volk der Ommelanden door middel van een volksstemming, er toe overgegaan uit haar kas jaarlijks een bijdrage te geven aan de kort te voren gevormde plaatselijke besturen. Toen de Ommelanden staatsrechtelijk ophielden te bestaan kwam het denkbeeld op de kas te verdelen onder de inmiddels gevormde Ommelander gemeenten. Van een verdeling kwam niets; wèl werd sinds 1824 jaarlijks ? 10.000 uitgekeerd aan de gemeenten van de voormalige Ommelanden. Van 1825 - 1849 werd tevens ? 5.000 uitbetaald aan de gezamenlijke eigenaars, of hun erfgenamen, van de in 1795 opgeheven redgerrechten. Ook de provinciale archivaris ontving jaarlijks ? 250 voor het verzamelen van oude oorkonden.
Bij sommigen had, vooral na 1850, het denkbeeld post gevat, dat de kas in 1798 eigenlijk aan het staatsdomein had moeten vervallen en dat alsnog moest geschieden. De regering besloot in 1862 een rechterlijke uitspraak te forceren door in september van dat jaar een K.B. te laten uitgaan, waarbij met ingang van 1863 het beheer van de kas zou worden overgedragen aan de ontvangers der Registratie en Domeinen. Inderdaad gingen nu de gemeenten, uitmakend het territoir van de vroegere Ommelanden, een procedure aan tegen het Rijk. Pas de 13e mei 1870 wees de Hoge Raad arrest, waarbij het eigendomsrecht der betrokken gemeenten werd erkend. Deze besloten nu de bezittingen te verkopen en voor de verdeling van de opbrengst een commissie in te stellen. Het kostte nog enige moeite om voor elke gemeente een juist verdelingspercentage te vinden, maar in 1872 vond toch eindelijk de verdeling plaats.
2.  Het archief
Voordat de Ommelander heren een eigen bestuursorganisatie gingen inrichten, vóór 1558 dus, kan men geen neerslag daarvan verwachten in de vorm van archiefstukken. Toch bevat het Ommelander archief oudere bestanddelen, van verschillende herkomst, zoals verbondsbrieven van de afzonderlijke landschappen en andere oorkonden. Ook deze landschappen en hun onderdelen, bezaten geen permanente besturen, zodat we kunnen aannemen, dat hun gewichtige stukken werden bewaard in een klooster, in een kerk of bij een der leidende hoofdelingen *  . Misschien werden ze later ook geborgen in de gemene landskisten, welke dienden om gemeenschappelijke gelden te bewaren. Al vroeg, in 1428 *  ., worden deze genoemd.
Hoewel de Ommelanders na 1558 eigen ambtenaren gingen aanstellen, hadden ze nog geen eigen bestuurszetel. Ze vergaderden op het raadhuis te Groningen of - en steeds meer - in het Minderbroederklooster aldaar. Het zich vormende archief werd nog niet tezamen gehouden, maar bleef bij de ambtenaren die er direct belang bij hadden, de financiële bescheiden dus bij de rentmeester, de overige bij de syndicus en de secretaris, voornamelijk bij de eerste. Zo weten we, dat de 22e oktober 1571 enige gecommitteerden de gemene landskist lieten openen en de inhoud hebben laten inventariseren: financiële bescheiden en gemunt geld. Deze kist stond in het Oosterwierumer huis te Groningen. Het was een commissie bestaande uit evenveel vertegenwoordigers van de Stad als van de Ommelanden, benevens de secretaris van de Hoofdmannenkamer. Men kan deze stukken beschouwen als behorende tot het archief van Stad en Lande gemeenschappelijk. De ontwikkeling, welke aanvankelijk in de richting van een gemeenschappelijk gewestelijk bestuur leek te gaan, werd evenwel in 1558 afgebroken. De landsrentmeester werd een Ommelander rentmeester - de gelden waren ook afkomstig uit de Ommelanden - en zo kwamen ook de in 1571 genoemde stukken, mag men aannemen, aan de Ommelanden. Weinig is er meer van over. De 18e juni 1572 stonden de Gedeputeerden der Ommelanden hun rentmeester Harmannus Wijnbrugge toe een schrijn of lade te doen maken voor de bewaring van proces- en andere stukken.
Omtrent de onder de syndicus berustende bescheiden worden we ingelicht na de dood van de syndicus Peter van Zijl. Zijn weduwe had de landskisten laten overbrengen naar het huis van de rentmeester, waar ze de 12e oktober 1574 door een commissie werden geopend. Ook van de inhoud van deze kisten werd een inventaris opgemaakt. Behalve stukken van na 1558 vindt men ook oudere, afkomstig van de vroegere landschappen opgenoemd. De 9e december 1574 leverde Ailco Wijnken de zegelstempels van Hunsingo en Fivelgo over aan de Ommelander rentmeester ter bewaring in de gemene landskist. Minder voor de hand liggend is de aanwezigheid van een aantal stukken, nu nog de oudste bestanddelen van het Ommelander archief, behoord hebbend aan het klooster Aduard. Aangezien het in hoofdzaak handelsprivileges zijn voor dit klooster, mag men aannemen, dat de abt, een van de belangrijkste leden der Ommelander Staten, ze ter beschikking heeft gesteld voor de verdediging der Ommelander vrijheden tegenover de Stad. Voor een terugbrengen in het kloosterarchief is des te minder reden, omdat dit archief op een enkel stuk na verdwenen is.
Aangezien Stad en Ommelanden vóór 1594 geen gemeenschappelijk bestuursapparaat bezaten, kwamen de ook aan de Staten van het gewest gerichte brieven terecht bij Ommelander of Groninger autoriteiten en dus in hun archieven. Ze zijn daarbij gelaten, omdat de vorming van Statenarchief vóór 1594 een onjuist beeld zou geven van de werkelijke toestand.
Omtrent de lotgevallen der archivalia tijdens de gevangenschap der Ommelander heren in 1577 en hun ballingschap van 1580 - 1594 zijn we slecht ingelicht, maar we mogen aannemen, dat er in die tijd veel verloren is gegaan of in andere handen geraakt.
Na de reductie van Groningen in 1594 werd de toestand meer stabiel. Het archief, althans het grootste gedeelte ervan, berustte bij de syndicus Verrutius en werd na zijn dood ten huize van zijn weduwe door een Ommelander commissie geïnspecteerd op 10 januari 1602. De stukken werden geborgen in twee kisten, waarvan de ene de oude landskist was; de andere werd aangekocht. De sleutels werden toevertrouwd aan enige gecommitteerden.
De 24e november 1619 werd er wederom een commissie aangesteld om de landsbrieven te visiteren. Er blijken dan drie kisten te zijn, staande in het huis van de syndicus. Omtrent de inhoud wordt ons evenwel niets medegedeeld.
De woning van de syndicus was het voormalig Oosterwierumerhuis achter de Muren, thans Schoolstraat, dat, geseculariseerd door de Provincie, met ingang van Pasen 1613 werd verhuurd aan syndicus Gockinga voor ruim ? 100. Deze som was en bleef in de volgende rekeningen een memoriepost, een tegemoetkoming dus aan de Ommelanden, die nu voor hun syndicus geen huishuur hoefden te betalen. Ook na de dood van Gockinga bleef het huis bij de Ommelanden in gebruik als woning voor hun syndicus, soms voor hun secretaris. Het onderhoud betaalden de Ommelanden reeds in 1632. Daar ten huize van de syndicus de Gecommitteerde Raden in de regel vergaderden, kreeg het huis langzamerhand de naam Ommelander huis. Later kwam er, waarschijnlijk na vertimmering, ook wel de Ommelander landdag bijeen. De grote Ommelander landdag, voorafgaande aan de provinciale, bleef bijeenkomen op het provinciehuis, tenzij men met het oog op de geschillen met de Stad in de Ommelanden zelf vergaderde.
De 26e juli 1781 besloten de Provinciale Staten in verband met de grote verkoop van gewezen kloostergoederen alle memorieposten op de rekening weg te laten. Blijkbaar is zo het Ommelander huis stilzwijgend van provinciaal Ommelander eigendom geworden en als zodanig ook in de 19e eeuw verkocht, het gedeelte, bewoond door de vroegere syndici in 1825, het gedeelte met de vergaderlokalen in 1872.
In het Ommelander huis werden de archieven bewaard, voorzover ze niet bij secretaris of rentmeester berustten. Ook hadden de syndici ten provinciehuize een kast *  In 1634 *  werd een eiken kast gemaakt voor de bewaring der rekeningen en andere stukken, in 1651 een cassa. In 1647 tijdens de "separate" Ommelander regering zijn de archieven een korte tijd naar Appingedam overgebracht geweest ten huize van de rekenmeester Hendrick Smidt.
Af en toe wordt er ook melding gemaakt van commissies voor het inventariseren der stukken, zo op 20 mei 1641, 20 juli 1642, 12 mei 1651, 9 januari 1653 en later. De 10e april 1668 werd aan enige heren gecommitteerden, "gebesoigneert" hebbende omtrent het inventariseren van de Ommelander "confuse" archieven, ? 819 betaald *  . De inventarissen welke bewaard gebleven zijn, dateren uit de 18e eeuw; ze zijn onvolledig en thans onbruikbaar.
Het is bekend *  , dat bij K.B. van 13 juni 1824 in Groningen een "provinciaal archief" werd gecreëerd. Daarin werden bijeengebracht de archivalia in de provincie Groningen aanwezig, eerst de oude charters uit overheidsarchieven, later ook van kerken, gasthuizen en particulieren, tenslotte ook de andere stukken. Ze zijn met elkaar vermengd, in tijdrekenkundige volgorde gelegd en aldus beschreven en uitgegeven in het zgn. register Feith *  . Ook het Ommelander archief deelde dit lot, voorzover de beheerders van de Ommelander kas het niet nodig hadden voor hun eigen administratie. Toen deze kas door het Rijk in beslag genomen werd, werden door de Commissaris des Konings de 8e januari 1863 de titels en verdere bescheiden benevens het archief enz. overgedragen aan de directeur der registratie en domeinen in de provincies Groningen en Drenthe. Dit betrof uitsluitend de niet naar het "provinciaal archief" overgebrachte stukken. Waar deze bescheiden gebleven zijn, is mij niet bekend. De wèl overgebrachte stukken bleven vermengd met andere archivalia in chronologische volgorde in het provinciaal, later Rijksarchiefdepot bewaard.
In 1900 is mr. P.G. Bos, na zijn benoeming tot adjunct-commies aan het Rijksarchief te Groningen, begonnen aan de omwerking van het chronologisch samengestelde Register tot een systematische indeling; in 1904 maakte hij een aanvang met de reconstructie van het Ommelander archief. De volledige inventarisatie kon noch door hem noch door zijn opvolgers voltooid worden, zolang de zgn. splitsing van de gehele archiefverzameling in een Rijks- en gemeentelijk gedeelte niet tot stand gekomen was.
Op de eerste naar de Archievenkamer sinds 1824 overgebrachte bescheiden is de herkomst uit het Ommelander archief aangetekend, later is dit wel eens verzuimd. Mr. H.O. Feith (II) heeft een tijd lang de gewoonte gehad de nieuw verworven stukken te merken met "archief der provincie Groningen", daarmee de eigendom en niet de herkomst aanduidend. In het bijzonder is dit het geval met de collectie welke in 1866 van de boekverkoper C.L. van Langenhuysen te Amsterdam werd aangekocht en die grotendeels uit het Ommelander archief bleek te zijn afgedwaald. Van vele in de inventaris opgenomen stukken is dus niet met zekerheid uitgemaakt of ze tot het Ommelander archief behoren.
De nu tot stand gekomen inventaris is gedeeltelijk het werk van mijn voorgangers, gedeeltelijk van mij.
De afscheiding van het archief uit de overige bestanddelen van het depot had voor het grootste gedeelte reeds haar beslag gekregen voor mijn komst. Bij de voortzetting van deze splitsing zijn echter nog talrijke stukken aan het Ommelander archief toegewezen. Ook de inhoud was reeds voorlopig beschreven op fiches. Gedeeltelijk heb ik deze beschrijving over kunnen nemen, vooral van die der stukken vóór de reductie. De indeling is echter geheel van mijn hand. Uit de 18e-eeuwse inventarissen bleek niets van een rangschikking der losse stukken om een reeks resolutieboeken, wèl iets van de samenvoeging in dossiers of naar onderwerpen. Door de tijdrekenkundige orde van de heren Feith waren ook de talrijke procesdossiers uit elkaar gehaald. Zoveel mogelijk zijn deze gereconstrueerd, ook overigens is wat er aan "oude orde" te herkennen viel, hersteld. Verder is daarbij aansluitend een rangschikking naar onderwerpen toegepast. De afdelingen van de inventaris heb ik begrensd door de jaren 1558, 1594 en 1804, jaren, welke zowel voor de staatsrechtelijke positie der Ommelanden als voor hun administratie van fundamentele betekenis zijn geweest.
Bij elk nummer komt een verwijzing voor naar het oude nummer van het register-Feith.
Als eindpunt voor de regestenlijst is genomen het jaar 1558, het begin van het eigen bestuur. Na dat jaar beginnen al spoedig de resolutieboeken, rekeningen en procesdossiers, waarvan de inhoud zich moeilijk in regestvorm laat brengen * 
Tenslotte is nog opgenomen een lijst van alle in het archief aanwezige zegels, samengesteld door de heer A. Pathuis. In verband daarmee zijn de zegels niet vermeld bij de afzonderlijke stukken in de inventaris of in de regestenlijst.
3.  Bijlagen
3.1.  Korte literatuurlijst
D.F.J. van Halsema, Verhandeling over den staat en regeringsvorm der Ommelanden tusschen den Eems en de Lauwers. Verh. Pro Exc. Jure Patrio dl. II. Groningen 1778.
H.L. Wichers, Verklaring van het tractaat van de reductie der stadt Groningen aan de Unie van Utrecht. Groningen 1794.
E. Wiersum, De gedwongen vereeniging van Stad en Lande in 1594. Groningen 1898.
W.J. Formsma, De wording van de Staten van Stad en Lande tot 1536. Assen 1930.
W.J. Formsma, De Ommelander strijd voor zelfstandigheid in de 16e eeuw (1536 - 1599). Assen 1938.
H.P. Coster en P. Biesta, Eenicheyt ende accoord. Assen 1945.
C. Pauw, Strubbelingen in Stad en Lande. Groningen, Djakarta 1956.
J.E. Heeres, De wijzigingen in den regeeringsvorm van Stad en Lande in de jaren 1748 en 1749. Groningen 1885. Hierin is het Reglement Reformatoir opgenomen.
K. Hildebrand, Het Reglement Reformatoir in Stad en Lande in de practijk (1749 - 1780). Groningen 1932.
E. Feith, Bijdrage tot de geschiedenis der omwenteling in 1795 in de provincie Groningen. Groningen 1870.
J.J. Cremers, Memorie van regte, rakende de Ommelander kas. Groningen 1861.
3.2.  Lijst van syndici
N.B. De eerste datum is die van eedsaflegging of ambtsaanvaarding, de tweede die van overlijden of aftreden.
3.3.  Lijst van secretarissen
N.B. Datering als bij Bijlage II.
3.4.  Lijst van rentmeesters en ontvangers
N.B. Datering als bij Bijlage II. ± 1541 is het ambt van landsrentmeester ingesteld. Als zodanig komen voor in de jaren 1554 - 1557 Hieronymus Frederici en na hem Herman Coenders. Zij waren nog rentmeesters van Stad en Lande. Voordat de Ommelanders overgingen tot de benoeming van een eigen rentmeester, voerden ook wel de syndici de administratie.
 
 
 
 
 
2   Ommelander Archieven, 1558 - 1862
1.  Retroacta (stukken voor 1558)
2.  Het Ommelander archief voor de reductie (1558 - 1594)
3.  Het ommelander archief na de reductie (1594 - 1804)
4.  Het archief der ommelander kas (1804 - 1862)
5.  Aanvulling
 
 
 
 
 
2   Ommelander Archieven, 1558 - 1862
N.B. Als eindpunt is genomen het jaar 1558; dan begint de vorming van een Ommelander bestuursorganisatie, welke al spoedig het ontstaan van moeilijk in regestvorm te brengen protocollen en bundels processtukken ten gevolge heeft.
Om een lijvige en onnodige doublure te voorkomen zijn geen regesten opgenomen van de documenten in conventie en reconventie (inv. nrs 789 - 827), aangezien deze in hoofdzaak stadsstukken bevatten, waarvan de inhoud t.z.t. zal worden vastgelegd in de regestenlijst bij de inventaris van het archief der gemeente Groningen. Ook zijn geen gegevens opgenomen uit de afschriften der warfsordelboeken (inv. nrs. 1263 - 1266), daar deze gegevens zijn in de verhandelingen van Pro Excolenso Jure patrio dl. 7 I (Groningen 1863) en bovendien maar zelden geschikt zijn voor de regestvorm. Voorzover oorkonden volledig zijn opgenomen in de Oorkondenboeken van Groningen en Drenthe en het Sticht Utrecht, zijn de regesten daarvan zeer kort gehouden. Naar een volledigheid van opgave van gedrukte bronnen is niet gestreefd.
Regest 1  Keizer Henricus schenkt aan de kerk te Trajectum het graafschap Trente.
Regest 2  Koning Conradus schenkt aan de kerk te Trajectum het graafschap Trente.
Regest 3  Koning Henricus schenkt aan de St. Maartenskerk te Trajectum een predium in de villa Gruoninga.
Regest 4  Koning Henricus schenkt aan de kerk te Trajectum een graafschap in Thrente.
Regest 5  Koning Henricus bevestigt de gift van het graafschap Thrente aan de St. Maartenskerk te Trajectum.
Regest 6  Keizer Heinricus schenkt aan de St. Maartenskerk te Trajectum het graafschap Ostrogowe en Westrogowe.
Regest 7  Keizer Heinricus schenkt aan de St. Maartenskerk te Trajectum het graafschap Westrogowe en Ostrogowe.
Regest 8  Koning Conradus geeft het graafschap Hostrogowe en Westrogowe terug aan de St. Maartenskerk te Trajectum.
Regest 9  Koning Conradus bevestigt de St. Maartenskerk te Trajectum in het bezit van het graafschap Ostrogowe en Westrogowe.
Regest 10  Keizer Fredericus beslist de geschillen tussen Godefridus, bisschop van Trajectum, en Florentius, graaf van Hollandia, over het graafschap der Frisones.
Regest 11  Lodewicus, graaf van Los, sluit een overeenkomst met Th[odericus] bisschop van Trajectum, o.a. over het graafschap Fresia.
Regest 12  Wilhelmus, graaf van Hollandia, en Theodoricus, bisschop van Utrecht, sluiten een overeenkomst, o.a. over de grafelijkheid in Frisia.
Regest 13  Hugo, bisschop van Leodium, en andere vorsten waarborgen de bisschop van Trajectum, dat Lodewicus, graaf van Los, de met hem gesloten overeenkomst, o.a. over de grafelijkheid in Frisia, zal nakomen.
Regest 14  C[onradus], bisschop van Portus, legaat van de paus, doet uitspraak in de geschillen tussen E. [Otto], bisschop van Trajectum en F[lorentius], graaf van Holland, o.a. over het graafschap Frisia.
Regest 15  Henricus, elect van Traiectum, schrijft aan de pastoor van Anlo, dat hij aan het klooster van St. Bernardus verlof verleent in zijn gebied handel te drijven.
Regest 16  Hildeboldus, aartsbisschop van Bremen, verleent aan het klooster van St. Bernardus de vrijheid om naar Hamburg te varen zonder Stadium aan te doen.
Regest 17  Ludolfus de Gronebeke, prefect in Groninge, de rechters van Thrantia en de redgers van Fiwelgonia geven kennis van de uitspraak in het geschil tussen Thrantawalda en Anne over de loop van de Hunesa.
Regest 18  De judices Selandenses en de consules Fywelgonie bevestigen de gewoonten en rechten van Appingadamme.
Regest 19  De judices Selandini totius Phrisie in Upstallesbame bevestigen de statuten van Appingadamme.
Regest 20  Scheidsrechters doen uitspraak in de geschillen tussen de Friezen en de stad Groningen met hun medestanders.
Regest 21  Borchardus, aartsbisschop van Bremen, verleent aan het klooster van St. Bernardus vrijdom van tol te Stathen.
Regest 22  De raden van Hamburg verzoeken de abt van Adwarden zijn bijstand te verlenen voor de bescherming van hun kooplieden in zijn land.
Regest 23  Burgemeesters en raden van Groninghen geven vidimus van de brief van 1346 april 23 en verklaren, dat die van Adwarth brieven van vrede en vriendschap hebben teruggezonden.
Regest 24  De raden en gemeente van Hamburg verklaren met abt en kloosterlingen van Adwerth en de vertegenwoordigers van Hunsgonia een verdrag te hebben gesloten.
Regest 25  De abt en kloosterlingen van Floridus campus verklaren, dat abt en kloosterlingen van Adwerth de kooplieden van Hamborg nimmer vijandig hebben behandeld, hetwelk door de abt van Bethania wordt bevestigd.
Regest 26  Keizer Karolus quartus bekrachtigt de schenkingsbrief van zijn voorganger Henricus.
Regest 27  Grietmannen en rechters van Westergo tot Brocmania en de raden van Groningge hernieuwen de bepalingen indertijd in Upstallingisbame gemaakt onder toevoeging van enige andere.
Regest 28  Johan, heer van Covorden, Reynold, zijn zoon, Herman van Covorden, Henric, zijn zoon, en godevaert van den Odenhave verklaren van domdeken en kapittel ten Doem te Utrecht in pacht te hebben ontvangen het wereldlijk gerecht en heerlijkheid te Groeninghen en de Zelewaert in 't Wolde en Gho.
Regest 29  De abten der kloosters Adwerth, Merna, Rottum en Selewerth stellen bepalingen vast betreffende de munt, de huur en de verkoop van bier.
Regest 30  Arnd van Hoern, bisschop te Utrecht, beleent Otte Polleman met het Nijdincgegued.
Regest 31  De rechters van Merne doen uitspraak in het geschil tussen Jaricus Tamimggha in Horahusum en Alricus Carpentator.
Regest 32  Hofmeester en broeders van Adewert en burgemeesters en raad van Groninghen sluiten een verbod met elkaar ter handhaving van vrede en veiligheid.
Regest 33  De rechters van Hunzeghelande en burgemeesters en raad van Groninghen vellen vonnis in een geschil over het recht van erfopvolging in enig land in Andel en Nyenlande.
Regest 34  Abt en oldermans van het klooster Adewart en burgemeesters en raad van Groninghen sluiten vrede met elkaar, bij welke vrede zich ook de Hillingepartije in Langewolt, Vredewolt, Hummerkerland en Mydogherland aansluit.
Regest 35  Abt en oldermans van Adewaert en burgemeesters en raad van Groninghen sluiten een overeenkomst omtrent de rechtspleging bij penningschuld.
Regest 36  Burgemeesters en raad van Groeninghen oorkonden, dat Suaneldt van den Hove en haar kinderen in pacht ontvangen hebben het derde deel van het gericht te Groeninghen en Sellewart met Gho en Wolt.
Regest 37  Burgemeesters en raad van Groninghen oorkonden, dat zij hebben gepacht van deken en kapittel van de Doem te Utrecht alle gerichten en heerlijkheden te Groninghen met Wolde en Ghoe.
Regest 38  Eyleko Ferhildesma en Reyner Eysinga, hoofdelingen, dragen aan hertog Aelbrecht van Beyeren de eigendom op van de landen van Hunsgelandt met alles wat zij bezitten tussen de Lauwers en de Eemse.
Regest 39  Tammo Gockenga en Menno Howarda, hoofdelingen, dragen aan de hertog Aelbrecht van Beijeren de eigendom op van de landen van Oldtambocht met alles wat zij bezitten tussen de Eems en de Lauwers.
Regest 40  Widzel Ockenzoon en enige andere hoofdelingen beloven Aelbrecht van Beyeren en zijn nakomelingen en onderdanen vrijheid van tol in hun gebied.
Regest 41  Widzel Ockenzoon en enige andere hoofdelingen beloven hertog Aelbrecht van Beyeren hulp bij de verovering van Koevoerden, Drent en Twent.
Regest 42  Ayleko Ferhildesma en enige andere hoofdelingen beloven hertog Aelbrecht van Beyeren hun best te zullen doen, dat hij binnen Groeningen gehuldigd wordt.
Regest 43  Aelbrecht, hertog in Beyeren, beleent Pieter Reynerssoen met Homerslant, Zuuthoren , Noirthoren, enz.
Regest 44  Frederick, bisschop te Utrycht, en burgemeesters en raad van Groningen sluiten een verdrag.
Regest 45  Burgemeesters en raad van Groninghen en rechters en meente van Vreesland tussen Emeze en Lauwerse sluiten een verdrag met Elde Gockinghe, hoofdeling te Oosterbroke.
Regest 46  De rechters van Honsegelande verklaren, dat Johannes Ontsatha hun het landszegel heeft overgegeven.
Regest 47  Fredericus de Blanckenhem, bisschop te Trajectum, en deken en kapittel van de kerk te Trajectum gaan een overeenkomst aan over de heerlijkheid in en buiten Groninghen.
Regest 48  Frederick van Blanckenhem, bisschop te Utreycht, verpacht aan de stad Groningen het gericht aldaar voor honderd jaren.
Regest 49  De richters van Fywelingelanden stellen met raad van abten, prelaten en priesters bepalingen vast omtrent de zeend.
Regest 50  Berendt, graaf te Benthem, oorkondt, dat hij ongeveer twee jaar geleden te Covorden als overman voor recht gewezen heeft, dat de bisschop van Utrycht heer is der stad Groenyngen.
Regest 51  Rechters en meente van Honsigheland en Fywelgeland komen overeen, dat niemand in het geestelijk gerecht zal mogen klagen tenzij volgens het zeendrecht.
Regest 52  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen en gemene rechters van Hunsingelant, Fivelgelant en van de gemene Ommelanden wijzen sententie in het geschil tussen de zijlvesten van Delffzijlen en de kerspelen Schildwolda, Gellum en Siddebuiren over het onderhoud der zijlen.
Regest 53  Burgemeesters, raad, hoofdmannen en mene meente van Groningen, en rechters en mene meente van den Halven ampte sluiten een verbond tot onderlinge bijstand tegen Keno van den Broke en tegen alle Duetsche heren, waarbij zij de inkomsten zullen genieten van alle Onstagoederen.
Regest 54  Hovelingen, richters en men meente van Hunsegelande en Fywelgelande benevens burgemeesters, raad en gezworen meente van Gronynge oorkonden, dat zij slechts na gemeenschappelijk overleg een heer zullen huldigen.
Regest 55  Sigismundus, Romanorum rex, bevestigt de vrijheden en rechten der Friezen.
Regest 56  Burgemeesters en raad van Groeninghen oorkonden, dat zij onder nadere voorwaarden de bisschop van Utrecht wederom als landsheer zullen aannemen.
Regest 57  Frederic van Blanckenhem, bisschop te Utrecht, neemt de stad Groningen onder nadere voorwaarden wederom in gehoorzaamheid aan.
Regest 58  Frederic van Blanckenhem, bisschop te Utrecht, sluit ter wille van de stad Groningen een verdrag met de hoofdelingen, rechters en gemene meente van Hunsinge en Fywelingelanden, Homersse, Langewoldt en Vredewoldt.
Regest 59  Ocke van den Broecke, hoofdeling, sluit met Frederic van Blanckenhem, bisschop te Utrecht, een vredesverdrag.
Regest 60  Burgemeestes en raad van Groningen sluiten met prelaten, hoofdelingen, rechters en mene meenten van Hunsegelande een verbond tot wederzijdse bijstand.
Regest 61  Hertog Johan van Beyeren schrijft aan zijn kapitein (Flores van) Alcmade over de strijd van Ocko van den Broke om Sloeten.
Regest 62  Johan, hertog in Beyeren, Ocke ten Broeck, hoofdeling, Sijbet Eden, hoofdeling, de magistraat van Groeninghen en de ingezetenen van Hunsigen, Fivelingen, Langwolt, Fredewolt en Hummerkelant sluiten een vredesverdrag.
Regest 63  Ocke thoe Broeke, Awrijke en Embden, hoofdeling in Oestvriesslandt, Sibeth, hoofdeling in Rustringen, c.s. aan de oostzijde der Lauwersche ter ene en prelaten enz. van Oestergoe en Westergoe c.s aan de westzijde der Lauwesche sluiten een verbond.
Regest 64  Focko Wkema, hoofdeling te Leer, c.s. en Sycke Zyaerde, hoofdeling te Franeker, oorkonden, dat zij zich willen houden aan de zoenbrief van dezelfde datum.
Regest 65  De rechters in Halfsmpt met name thyart Hardisma, Aylika Kammingha, Syabbe up da Haudrum, Sybeka Wykama, Hebela Sickasoen Sicka Sickama, Ayleka in da Groda, Tadeko Heppensoen, Galteka Folkertsma, Hebela Bennama, Eyssa Allama, Aldart Mellama, Euko to Inaldingen, Herdrich Papama, Habelo to Ranum, Hanneko to Oberghum, Fritto Mensingweer, Harko to Saxum en Hinric Hoykama oorkonden, dat Dodo Siallama op de rechtdag in Baflo niet het bewijs heeft kunnen leveren van de onechte maagschap van Lude Eylkama.
Regest 66  Abten, prelaten, hoofdpriesters, hoofdelingen en mene meente der landen tussen de Lauwersche en de Eemze, als Hunzinghelant enz. sluiten met raad van Focke Ukens, Hiszeke, proost van Emeden, Ene in der Greed en IJmele van Grymersum voor de tijd van 20 jaar een verbond tot onderlinge bijstand en ter regeling van inwendige aangelegenheden.
Regest 67  Gemene hoofdelingen en meente van Hummerkeland, Fredewolt, Langewolt en Mytdocherlande benevens burgemeesters en raad van Gronyngen sluiten voor de tijd van 10 jaar een verbond tot onderlinge bijstand en tot regeling van gemeenschappelijke belangen.
Regest 68  Focke Schulta, Bunne Alberde, Dydeke toe Gotlinse en Popeke toe Solwert, overrechters van Fyvelinge Westerampt, Popeke Tetekens en Eelt Tammen "bode volmachtighe sentbode" van Oemke Snelghers en van Junge Tammen doen uitspraak in het geschil tussen Ditmer Rengers, met Albert toe Alderssum als borg, over "Rebben hueswere"(?) en het daarop vallende redgerrecht.
Regest 69  De hoofdelingen, richters en mene meenten in den Dammhe verklaren, dat zij enige aanvullingen hebben gegeven op de buurbrief.
Regest 70  De rechters in Westerampt van Fiwelghelanden verzoeken Luuder, voogd te Widwerth, ter wille van de doem die hij uitgesproken heeft in het geschil tussen Eme Dodedeka, hoofdeling, aanklager te Godlense, en Habbo Jukawerth over een "bijtienghe" (beschuldiging), borg te stellen op de naaste warf.
Regest 71  roedolph van Dyepholt, elect confirmaat te Utrecht, oorkondt, dat Fije Calmers voor hem en leenmannen als Johan van Buchorst, Seygher van Rechteren verschenen is om beleend te worden met het Nydincgeguet.
Regest 72  Haye Rypperda, hoofdeling en redger, Hayke Aylardes, Ubbe Wijlroks en Ayld Haynges, lankrechters te Fermissem, Oterdum, Hewenschynze en Wywert spreken bij rade van Omeke Snelghersna, hoofdeling ten Damme, Ate Renghersne te Fermissum, Syneke te Upwyrdum, Bewe Renekens en Popeke Uffkana ten Damme, "lantrechtesluden", Omeke Ebbens, hun mederechter, en Here Wiltekens, kerspellieden binnen Fermissum, vrij van de aanklacht der buren van Meedhuzen, dat het de schuld was van Omeke en Here, dat Popeke Reyndsma en die van Fynzerwolde hun goederen hadden afgeroofd, omdat zij hen niet in de verbondsbrief hadden opgenomen met de andere vier kerspelen onder Hayes recht gezeten.
Regest 72a  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groeningen gebieden Bete Te Schiltwolde nogmaals de breuk te voldoen.
Regest 73  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groeningen verzoeken redger en rechters te den Damme lange Henrick te laten weten, dat hij Geertruyt Bleys met vrede moet laten.
Regest 74  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groeningen oorkonden, dat in de warf op het raadhuis sententie is gewezen naar aanleiding van de klacht van Tyabbo Henricks tegen Hemke Udeken en Ocko Wyeken om het mangeld van wijlen Marck de smid, zijn broeder.
Regest 75  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen late Henrick te Weerhusen met zijn mederechters in 't Oosterdeel van de Merne weten, dat zij Goedeke Wijers(ema) aan recht moeten helpen tegen Heyno tho Weer.
Regest 76  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Gronningen gebieden Mencko Dyurdes aan Wibeke Scroeder te betalen 50 arendsguldens.
Regest 77  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Johan Willems de volgende donderdag in de stad te komen om Henrick Beneke het verschuldigde dooddeel te betalen.
Regest 78  De abten van Werum en van den Bure, hoofdelingen en zijlrechters der drie Delffsylen, stellen met consent der meente bepalingen vast omtrent het zijlrecht.
Regest 79  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen laten Nanneko Epkens, Sebo Luipens en Dodo Adding weten, dat zij een vrede nemen tussen hen en Herman Johans c.s.
Regest 80  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Harko Ludekema en Ludeka e.l. aan Jeld Eijsema, Abele Hillema en Ludeke Hillema, voormonders van het kind van Eyse Hylema, het goed van dit kind over te geven, overeenkomstig de doem welke hiddo Onsta gewezen heeft.
Regest 81  Burgemeesters, raad en hoofdmannnen in Groeningen gebieden Harcko Ludekenman en Ludeka, e.l. alsvoren.
Regest 82  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Bolo Ripperda, Jarich Marissinge en hun mederechters Dodo te Omptsweer weer aan recht te helpen tegen Sippe te Fermssum.
Regest 82a  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Uneko Ripperda, Jarich Marissinge met hun mederechters alsvoren.
Regest 83  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Uniko Ripperda, Jarich Marissinge met hun mederechters alsvoren.
Regest 84  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Bolo Ripperda en zijn mederechters alsvoren.
Regest 85  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Hayke Aylerda met zijn mederechters heer Ebbeke aan recht te helpen tegen Eppe Alrix te Weywart.
Regest 86  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden Bole en Uneke Ripperda aan Tame Ebbesma zijn laken terug te geven dat zij hem afgenomen hebben.
Regest 87  Burgemeesters, raad en hoofdmannnen in Groeningen gebieden Tiarc op den Hogenheen aan de vrouw van Frede Arendes het verschuldigde geld te betalen.
Regest 88  Burgemeesters, raad en hoofdmannnen in Groningen gebieden Harko Ludekenman en Ludeka e.l. als nr. 80.
Regest 89  Burgemeesters en raad in Groeningen oorkonden, dat door gevolmachtigden van Stad en Lande ter ene en gevolmachtigden van Oldampt ter andere zijde in bijzijn van enige prelaten een overeenkomst is gesloten over het herstel der Ryder dijken tussen Palmaer en Finserwolde.
Regest 90  Fredericus, Romanorum imperator, schrijft aan de Friezen, dat hij hun privileges heeft bevestigd, dat hij aan Philippus, hertog van Burgondia, bevolen heeft hen niet lastig te vallen en gebiedt hun de verschuldigde tribuut op te brengen.
Regest 91  Fredericus, Romanorum imperator, beveelt prelaten, edelen, hoofdelingen, gemeenten en ingezetenen van Frisia gehoorzaam te blijven aan het Rijk.
Regest 92  Fredericus, Romanorum imperator, beveelt Philippus, hertog van Burgondia, de Friezen met rust te laten.
Regest 93  Fredericus, Romanorum Imperator, bevestigt de vrijheden en rechten der Friezen.
Regest 94  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen dagen de rechters in het Halavempt op de warf naar aanleiding van een klacht van Focke Allema over een doem door hen gewezen tussen hem en Hayke te Beswert.
Regest 95  David, (bisschop te Utrecht), beveelt burgemeesters en raad van Groninghen het gericht van Zelwerden door een goed ambtman te laten bedienen.
Regest 96  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen dagen Ebbe Sluchtinge op de warf naar aanleiding van een klacht van Willem Clant over een doem door hem gewezen tussen Willem voornoemd en Dydeke te Godlinse.
Regest 97  Burgemeesters en raad van Groningen dagen Evert Hubbelding en Hugo Korenpoerting op de warf naar aanleiding van een klacht van de buren van Zuuthorm en Northorm over een doem door hen gewezen tussen de buren voornoemd en de Oosterzijlvesten van Vredewolt.
Regest 98  Burgemeesters en raad van Groningen verklaren, dat de "gemeenheyt" van Vredewolt vrijwillig belooft mede te willen werken aan het graven.
Regest 99  Burgemeesters en raad van Groningen komen met prelaten en hoofdelingen van Hunsinge en Fywelingelanden overeen het oude verbond te handhaven en een koeschot uit te schrijven.
Regest 100  Abell te Onderwerum en IJacke, echtelieden, dragen in tegenwoordigheid van Haycke Ghersama en Frerik Bijthoff, wedmannen, over aan Onno Ewesum, ridder, negen grote honderd lands door wijlen Heebke te Cantenze aan IJacke voornoemd in huwelijks voorwaarden gegeven, gelegen in Heebkes sate te Kantenze, benevens de "rechtinge" vallende op Eppemaheerd te Oldenzijll.
Regest 101  Burgemeesters en raad van Groningen verklaren, dat Abel Onsta, hoofdeling te Sauwerd, Evert Sickinge, hoofdeling te Wyndessum, Clawes Kater, hoofdeling te Bedum, en Johan Huginge hun hebben ingeleverd het schot, opgebracht door hun onderzaten in Ubbegae en Inredyck.
Regest 102  Prelaten, gemene hoofdelingn, rechters en gemene meente van de Halffampte, Marne, Myddagerland, Hunsinge Oesterampt, Fywelinge Wester- en Oesterampt, Dyverdeswolt, Langewolt en Hummerselanden benevens burgemeesters, raad en gemene meente van Groningen sluiten voor de tijd van tien jaar een verbond ter verdediging tegen "duessche" en "zuudersche" heren, en ter waarborging van veiligheid en rechtszekerheid, terwijl verdere bepalingen worden gemaakt over korenuitvoer en het tappen van bier.
Regest 103  Frederich, Rooms keizer, neemt Klein Friesland tussen Emmese en Lauwerse in zijn bescherming.
Regest 104  De hoofdmannen in Gronnynghen gebieden Aylbet Alberda op beroep van Ywe van Ewere en Abele Grevinghe wegens drie onrechtmatige "roven" op de wedmannen Eweke te Gotlynsen, Remmeke te Berem en Radynck te Spijck, onmiddelijk deze roven ongedaan te maken; verder dagen zij hem op de warf in de stad.
Regest 105  De hoofdmannen in Groningen gebieden Jacop Hollander te Maerslacht de volgende woensdag naar Werffhusen te komen om Schelte ter Borch de verschuldigde breuk te betalen en Focke Beetumma de verschuldigde boete.
Regest 106  De hoofdmannen in Groninghen, gebieden Tydde te Oestrum, Meus te Leermens, Tomas te Banswert en Arnt Sybaldeweer de volgende donderdag voor Dyvverd Alberda getuigenis af te leggen in een geschil over een regerrecht.
Regest 107  De hoofdmannen in Groninghen gebieden Schelte ter Borch Wessel Rengers van Schuttorpe aan recht te helpen tegen Ensinck te Leens en zijn zoon Eppe betreffende kleinodiën en kleren.
Regest 108  Prelaten, enz. als in regest 102 genoemd, sluiten een zelfde verbond, thans voor veertig jaar.
Regest 109  De hoofdmannen in Groninghen gebieden Jarch ter Borch een schriftelijke doem te geven tussen Ludeken Clandt en Syewert te Wynyngetylle.
Regest 110  De hoofdmannen in Groningen gebieden Herman Bouknecht, Meynert Jacops bij den Tijl, Peter te Weywert, meiers van proost Hayo, binnen acht dagen aan Herman Lewe te betalen zodanige rente als wijlen Oemke Snelgersma en zijn erfgenamen hem schuldig zijn.
Regest 111  Johan Coenrades, olderman van het gildrecht in Groeningen, oorkondt, dat voor hem Swane Ridders, Hermen, haar zoon, en Peter Reemslager, getuigd hebben, dat ze er bij geweest zijn, toen Geert Martens aan Haytet te Metsen 12 gulden heeft betaald.
Regest 112  De overrechters in Groningen gebieden Gharbert Heddema en zijn mederechters op klacht van Rumpt Sywema en Renger Alynge rekenschap te doen van het zijlschot.
Regest 113  Burgemeesters, raad en hoofdmannen in Groningen gebieden de zijlrechters van Langewolt, Vredewolt, Humerkeland en Middagerland het schot te beuren en over te leveren in handen der gedeputeerden, zoals de prelaten, hoofdelingen en eigenerfden dat met de stad overeen gekomen zijn.
Regest 114  Burgemeesters en raad van Groeningen roepen prelaten en hoofdelingen van Hunsinge en Fiwelingelanden op voor een bijeenkomst op het raadhuis om te spreken over zaken van wege de keizer aangebracht.
Regest 115  Burgemeesters en raad van Groeningen roepen heer Johan, abt te Witterwerum, heer Johan Renghers, ridder, proost Haye Ripperda en Egbert Renghers op voor een bijeenkomst op het raadhuis om aan te horen het rapport van de gedeputeerden die teruggekomen zijn van de dagvaart te Bremen.
Regest 116  Burgemeesters en raad van Groningen roepen de heer Johan, abt te Wittewerum, heer Johan Renghers, proost Hayo Ripperda, Hoyke Taminga, Dutmar Renghers en Egbert Renghers op voor een vergadering van gedeputeerden.
Regest 117  Burgemeesters en raad van Groningen gebieden de hoofdelingen en rechters van Dampster, Olinge, Yerweersters, Posters en Woltersummer en die van Onsterdeel van Fyewelinge Westerampte binnen acht dagen de landwegen te maken.
Regest 118  Burgemeesters en raad van Groningen verzoeken de buren te Berum die brandschade hebben geleden door Heer Oemke die schade op schrift te stellen.
Regest 119  Burgemeesters en raad van Groningen en de gedeputeerden der Ommelanden, geestelijk en wereldlijk, gebieden heer Johan, kerkheer te Dijkeshorne, meester Johan Allema en heer Hendrick, vicarius te Bedum, terstond meester Johan Vredewolt, kerkheer te Bedum, uit zijn gevangenschap te ontslaan en hem zijn afgenomen geld en goed terug te geven
Regest 120  De hoofdmannen in Groninghen gebieden Tydde Ickinge voor de naaste warf Aylko Joans te Sydeburen aan recht te helpen tegen Egbert Renghers betreffende het redgerrecht te Sydeburen.
Regest 121  De hoofdmannen in Groningen gebieden Clawes Alberda terstond Ludeken Clant aan recht te helpen tegen Gheert ten Berge.
Regest 122  De hoofdmannen in Groningen gebieden Azego te Rasquert, Egbert Clant, Hilbrant te Sandtweer en Johan Rengers op de naaste rechtdag Ludeke Clant aan recht te helpen tegen Jarich ter Borch en Eltet te Lellens tegen Aylko te Sydeburen.
Regest 123  De hoofdmannen in Groningen gebieden Jarrich ter Borch zich van de rechtspraak te onthouden in de zaak, waarover hij geschil heeft met Ludeken Clant, zolang het recht niet gesleten is.
Regest 124  De hoofdmannen in Groningen gebieden Fecko Omteda Johan Rengers ten Poste aan recht te helpen tegen henrick Grovens betreffende Eester "lantrecht"; tevens gebieden zij Henrick Grovens zich met dat "lantrecht" niet te bemoeien, voordat het recht gesleten is.
Regest 125  De hoofdmannen in Groningen gebieden Ludeken Clandt aan Jacop Ghijsens het geld terug te geven, dat hij hem op de vrije weg afgenomen heeft.
Regest 126  Burgemeesters en raad van Groningen beloven met toestemming van gezworen meente en bouwmeesters van de gilden aan de prelaten en hoofdleingen der Ommelanden de soldaten in Vreesland te zullen betalen, terwijl ze hun hulp toezeggen voor de invordering der schatting in de Ommelanden.
Regest 127  Abten, prelaten, hoofdelingen en landzaten tussen de Emes en Lauwers, uitgezonderd in het Olde ampt, verklaren Edeszarde en Uken, graven to Oestvreslant, 4500 gouden Rijnse guldens schuldig te zijn.
Regest 128  Gramaye zegt namens de gedpeuteerden van het Heilige Rijk en van de hertog van Sassen in Vrieslant de prelaten, heerschappen en eigenerfden van de Ommelanden van Groenynghen tussen de Lausse en de Hems aan, gereed te zijn met tuig en harnas tegen de ongehoorzaamheid des heiligen rijks.
Regest 129  Burgemeesters en raad van Groningen geven Johan Rengers ten Post vrijgeleide naar de stad tot de volgende vrijdag.
Regest 130  Burgemeesters en raad van Groningen geven Johan Regners ten Post met ongeveer tien personen vrijgeleide naar de stad voor 8 dagen.
Regest 131  Burgemeesters en raad van Groningen oorkonden, aangezien zij van meester Roloff up der Lane, commandeur te Warfum, en Eggerick Ripperda met hun medegedeputeerden geld ontvangen hebben in afkorting van de soldij der knechten, dat zij van de Ommelanden geen land- of beestschot zullen invorderen, zolang de gelden, geleend van de graaf van Oestfreslandt, niet terugbetaald zijn.
Regest 132  Burgemeesters, raad en hoofdmannen van Gronyngen met de gedeputeerden van Stadt en Lande roepen prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en gemene meente van Hunsinge, Fywelyngelanden, Dyuerswolt en Mydtdagerlandt op het raadhuis bijeen, met medeneming van het nog niet betaalde schot.
Regest 133  Albertus Altinck, instrumenteert, dat Hermannus Lewe, burgemeester van Groningen, ten behoeve van de commandeur van het klooster sancti Joannis in Warffum en Eckgeric Ripperda, hoofdeling in Godlinsa, verklaringen heeft afgelegd omtrent de besteding van een schatting door de stad.
Regest 134  De gijzelaars en andere gubernatoren der Ummelanden bij Groningen te Emden oorkonden, dat zij met Edzard, graaf to Oestfrieslanden, in onderhandeling zijn en dat het niet nuttig is langer met Groningen in verbond te blijven.
Regest 135  Friderick, bisschop te Utrycht, oorkondt, dat door zijn bemiddeling te Vollenhoe een bestand is gesloten tussen Albrecht, hertog te Sachssen, en de stad Groningen.
Regest 136  Burgemeesters en raad van Gronyngenn antwoorden Edezardt, graaf to Oestfrieslandt, dat zij de Ommelanden willen helpende gelden te verkrijgen, ten einde de graaf betaling te kunnen doen, indien de prelaten en hoofdelingen wederom met hen op hun goederen komen.
Regest 136a  Burgemeesters, raad en hoofdmannen gebieden Jarch ter Borch hen te voldoen of zekerheid te geven omtrent 100 rijnse gl., welke hij "gededinget" heeft van de oude hoofdmannen; anders zullen zij zich houden aan het vierde part van de heerd die Ludeken Clant gebruikt.
Regest 137  Burgemeesters en raad van Groeningen verzoeken prelaten, kerkheren, hoofdelingen en eigenerfden van Hunsinge, Fywelingelanden, Dyuerswolt en Myddaglandt uit elk kerspel de kerkheer met twee volmachtigen naar het raadhuis te zenden voor een bespreking.
Regest 138  Burgemeesters en raad van Groningen antwoorden Edzardt, graaf toe Oestfrieslandt, dat zij zich denken te houden aan de overeenkomst van Woerden, ook wat de schatting van de geleende gelden betreft.
Regest 139  Burgemeesters en raad in Gronyngen garanderen Ludeke Clant veiligheid in lijf en goed.
Regest 140  Ludolphus van den Vene, domdeken te Utrecht, en Thurink Rijck van Rijckenstein, hofmeester, sluiten van wege de bisschop te Utrecht een bestand tussen Albrecht, hertog van Saxen, en de stad Groenyngen.
Regest 141  Edzart en Hugo, graven in Oestvrieslant, nemen Albrecht, hertog te Sassen, voor eeuwig gubernator en potestaat in Frieslant aan.
Regest 142  Friderick, bisschop te Utrycht, en vrijheer Georg vom Turn brengen een zoen tot stand tussen Albrecht, hertog te Sachssen, en de stad Gronyngen, waarbij bepaald wordt, dat de Ommelanden met inbegrip van Dam en Oldambt tot een nadere uitspraak van het Kamergericht door Georg vom Turn als sequester bestuurd zullen worden.
Regest 143  ???? zendt aan Johan Renghers ten Poste enige artikelen door hem ontworpen ter zake van de verhouding tussen Stad en Ommelanden
Regest 144  Ridderschap en hoofdelingen der Vriesscher landen tussen de Emesze en Lauwerssee ten Damme klagen bij Hynrich, hertog te Sassen, over de misdragingen van Gronyngen, o.a. over het optreden tegen Hilbrandt Entens
Regest 145  Frederick, bisschop te Utrecht, oorkondt, dat door zijn bemiddeling in het klooster te Assen een compromis tot stand is gekomen tussen heer Huge, borggraaf te Leysingk, stadhouder in Freislant, en de stad Groningen, waaarbij bepaald wordt, dat beide partijen hun standpunt schriftelijk uiteen zullen zetten, waarna de bisschop de 25e oktober uitspraak zal doen; in die tussentijd zal de bisschop sequester zijn der Ommelanden.
Regest 146  De hoofdmannen in Groeningen oorkonden, dat op de landswarf de doem welke Tyaert Harkema, grietman van Langewolt, gewezen heeft tussen Johan Borst ter ene en Focko Etens en Isebrant, zijn zwager, aan de andere kant van onwaarde is verklaard.
Regest 147  Georg en Heinrich, hertogen in Sachsenn, antwoorden ridderschap en goede mannen der Friesischenn landen te Damme, dat zij hun belangen in het oog zullen houden.
Regest 148  De hoofdmannen in Groningenn gebieden Take Hylbrants te Sandweer het beslag weer op te heffen, dat hij gelegd heeft op goederenvan Ludeken Cland en Doke ter Borch ten behoeve van de gebroeders Abeke, Reloff en Wigbolt Ewessum.
Regest 149  De hoofdmannen in Groningenn gebieden Take Hylbrants te Santweer de zaak tussen Ludeke Cland en Doke ter Borch ter ene en Gerardus ten Barge van wege de drie gebroeders Abeke, Reloff en Wigbolt Ewessum ter andere zijde wegens hoger beroep te laten staan en dagvaarden hem op de warf.
Regest 150  Georg, hertog te Sachssen, staat ridderschap en eerbare mannen van de Friesische lande tussen De Emse en Lawerse, die goederen van hem in leen bezitten, toe de vervulling van leensplicht uit te stellen.
Regest 151  De hoofdmannen in Groningen gebieden Johan Bleyster te Godlinse en Johan Nanninges aan Ludeken Clant het geld te betalen, dat zij hem schuldig zijn.
Regest 152  Ridderschap, jonkers en erbaermanscapp der Friesscher lande tussen de Lauwersze ten Damme klagen bij Edzard, graaf te Oestfrieslandt, over het optreden van Groninghen.
Regest 153  Georg, hertog zu Sachssen, verzoekt prelaten, ridders, mannen en steden van Frieslandt een afgevaardigde te zenden naar Brabant om op een bijeenkomst te kunnen getuigen omtrent de handelingen van Groningen.
Regest 154  Hoofdmannen in Groningen gebieden Eylke Onsta de zaak tussen Ludeken Clant en Willem Allema wegens hoger beroep te laten staan en in de stad op de warf te komen.
Regest 155  Ridderschap, jonkers en "erbaermansscapp" der Friesscher lande tussen de Emesza en Lauwersze ten Dhamme cerzoeken Georgien, hertog te Sassen, Henrich Braess, toonder van deze brief, geloof te schenken.
Regest 156  Georg, hertog zu Sachssenn belooft, naar aanleiding van het schrijven van Edtsart, graaf in Ostfrieslandt, en van het verzoek van hun gezant Heinrich Praess, "ritterschafft und erbarmanschafft unnser Friesischen lande zwischen der Emsa unnd Lauwersche zum Thamme", tegen de moedwil van Groningen te zullen beschermen.
Regest 157  Friderich, bisschop te Utricht, oorkondt, dat door zijn bemiddeling te Vollenhoe een bestand is gesloten tussen Georg, hertog te Sachssen, en de stad Gronyngen.
Regest 158  Georg, hertog te Sachssen, oorkondt, dat hij ridderschap "erbarmanschafft" en hoofdelingen der Frieslande tussen de Emse en Lawersche nog niet met hun goederen heeft kunnen belenen.
Regest 159  Maximilian, Rooms koning, deelt domproost, deken en kapittel van het Domstift te Utricht mede, dat hij de stad Grueningen in de Rijksacht heeft gedaan en beveelt hen haar niet te helpen.
Regest 160  Maximilian, rooms koning, beveelt al zijn onderdanen zich te onthouden van hulp aan de stad Grueningen, welke in de rijksacht is gedaan.
Regest 161  Burgemeesters en raad van Groeningen stellen hun geschil met de hertogen van Saxen in handen van de bisschop en de Staten van Utrecht aan beide zijden der Isele.
Regest 162  Frederich van Baden, (bisschop te Utrecht), schrijft aan de magistraat van Groningen over de onderhandelingen te Hattem, enz.
Regest 163  De (magistraat van Groningen) schrijft (aan die van Overijssel), dat de stad de Omlanden niet wil opgeven.
Regest 164  Georg, hertog zu Sachssen, bericht ridderschap, hoofdelingen en "erbanmanschafft" in de Friesische landen tussen Emsse en Lauwersche, dat zij, nu zij bezwaar gemaakt hebben aan zijn raden Georg von Hopffgartenn en Cristoff von Taubenheym, "amptman zu Fryburg", de huldiging te doen, en hij zelf niet weet, wanneer hij in Frieslandt kan komen, twee of drie gevolmachtigden naar hem te zenden zullen, om uit naam van hen allen de huldigingsplicht te vervullen.
Regest 165  Vijt van Draxsdorp, regent in Vrieslant, draagt uit naam van heer Goergen, hertog te Sassen, jonkers en hoofdelingen in den Dam op een schatting uit te schrijven.
Regest 166  Jonkers en "erbaermanscapp" der Friesscher lande tussen de Emesze en Lauwersze in den Damme gelasten de ingezetenen der karspelen Vledoerpp, Werffhuesen, Maerslacht, Mensingeweer, Maerhusen. Ranum, Obregum, Wynszum, Billingeweer, Wetsinghe, Sauwerdt, Adoerpp, Haerszens de verschuldigde schatting op te brengen in handen der gedeputeerden ten Damme.
Regest 167  Als boven voor de karspelen Otherdoem, Hevenschijnsse, Weywert, Fermissum, Meethuesen, Uppwyrde, Tyamsweer, Solwerdt, Uuthwyrde, Meerszum, Howeyrde.
Regest 168  Als boven voor de karspelen Jukawerdt, Wijdawert, Creewert, Godtlinse, Spijck, Berum, Leesdoerpp, Uppt Sandt, Leermens, in de Zerijpp en Enum.
Regest 169  Gemene jonkers en gedeputeerden ten Damme gelasten de ingezetenen van Closterbueren de restant schatting ten Damme in handen der gedeputeerden te betalen.
Regest 170  Edesardt, graaf te Oestfrieslandt, doet te Dhamme met raad der hoofdelingen en "erbaermanschap" der Ummelanden uitspraak in de geschillen tussen de jonkers en gebroeders Von Ewssum en Mencko Heemstra ter ene en Ludeken Klant to der Borch ter andere zijde.
Regest 171  Edtzard en Ukhoe, graven te Oestfrieslande, en burgemeesters, raad, gezworen meente, bouwmeesters van de gilden en meente van Groningen sluiten met elkaar een verdrag, waarbij onder nader genoemde voorwaarden de stad aan de graaf hulde zal doen.
Regest 172  Veit van Traxstorff, regent in Frieslandt, meldt de jonkers en hoofdelingen in den Dhamme, dat de graaf van Oestfrieslandt de stad Groningen ingenomen heeft voor de hertog van Saxsen.
Regest 173  Edsart, graaf te Oestvrieslant, verklaart, dat hij de Ummerlanden als stadhouder van hertog Jurien te Sassen zal regeren.
Regest 174  George, hertog te Sachssen, zegt adel en ridderschap der landen tussen de Lawersche en Emsse, aangezien zij hem als gubernator gehuldigd hebben, bescherming toe en handhaving in hun oude rechten.
Regest 175  De gedeputeerden van het hofgericht van de graaf te Oistfriesland, stadhouder, oorkonden, dat in de landswarf te Wynsum uitspraak is gedaan terzake van het vonnis dat Lyurdt Rengers heeft gewezen tussen Luetke Boekama te Oldenkloester en Johan Alberts te Groningen over het graven van een sloot.
Regest 176  De gedeputeerden van het hofgericht van de graaf te Oestfreeslant, stadhouder, oorkonden, dat het geschil tussen Jaenke Unema ter ene en Luel en Sycko Aykama ter andere zijde over goederen welke wijlen Lubbe Heddama als bruidegom zou hebben verkregen, ter beslechting is overgelaten aan compromissarissen, te weten meester Wylm, kerkheer te St. Maarten, en Hermen Lewe, burgemeester te Groningen, ter ene en meester Doeke, kerkheer te Myddelstum, en Remeth Jensma ter andere zijde aangewezen.
Regest 177  Wyet Tyaersma, grietman in Lanckwolt, wijst recht in een geschil tussen Katherina Cloeckes en Roelff in de Fenne over een rente over een heerd.
Regest 178  Edtsardt, graaf te Oestfrieslandt, stadhouder, stelt de priesters van de St, Maartens- en St. Walburgskerken in Groningen wederom in het bezit van een door Hille Onnsta gelegateerde jaarrente, waarover zij geschil hebben met Eylko Onsta en beveelt drost en hoofdmannen in Groningen daarbij behulpzaam te zijn.
Regest 179  Wyet Tyaersman, grietman in Lanckwolt, oorkondt, dat zijn doem van 19 september 1510 beroepen is en "in der macht gekent".
Regest 180  Het hofgericht van de graaf te Oestfrieslant, stadhouder, gebiedt Sycko te Oldeheem de volgende dag bij hem te komen te Wynsum terzake van zijn beroep tegen de grietman Wydt Tyarsma van wege de schuld van Syurck Boykama.
Regest 181  Het hofgericht als boven oorkondt, dat in de warf te Wynsum in het geschil tusse Sycko te Oldeheem als voogd van de kinderen van Focko Aykuma ter ene en Syurck Boykuma ter andere zijde over een schuld de doem van grietman Wydt Tyarsma bevestigd is.
Regest 182  Het hofgericht als boven oorkondt, dat in de landswarf te Wynsum uitspraak is gedaan in het geschil tussen de erfgenamen van wijlen Garmt Doedens ter ene en Mello Ponster (Panser?), Janneke Dowema en Algher Brunynge ter andere zijde over de doodslag welke Peter Remkens begaan heeft aan Garmt Doedens, waarin Ludeken Klanth een doem gegeven heeft.
Regest 183  Burgemeesters en raad van Gronigen dagvaarden Albert in Cloesterbueren, Hinrick te Dorhnart, klager, Johan Crabbe te Thesinge, Oemke te Eenrum, Egbert Dreus te Garmerwolde, Frederick Poppema's huisvrouw te Stiswert, klagerse, ter zake van een breuk.
Regest 184  Het hofgericht van graaf te Oestfrielandt, stadhouder, doet uitspraak op de warf te Wynsum in het geschil tussen Sybrandt Allama ter ene en Eysso en Doede gebroeders te Hardeweer ter andere zijde over 18 grazen land, welke Eysso en Doede gekocht hadden van wijlen Rempt Bewssumma.
Regest 185  De hoofdmannen van de graaf te Ostvreeslandt, stadhouder in de Omlannden, doen uitspraak in het gecshil tussen de abt van Gherkeskloester en de geërfden op de Rugewaert op de nieuwe Monken zijll uitwaterende ter ene en de eigenerfden te Lutkegast aan de andere zijde over een uitwatering door en het onderhoud van deze zijl en de Fyschfleterzijl.
Regest 186  Het hofgericht van de graaf te Oestfrieslandt oorkondt, dat in de landswarf te Winsum de hoofdelingen Duthmer Renghers toe Dijcke en Hidde e.l. ter ene en Abel Onsta als gemachtigde van zijn vader Eylko ter andere zijde over een legaat van Hylle Onsta, vrouwe te Sawert, waarin Wigbolt van Eussum recht gewezen had, overeengekomen zijn hun geschil te brengen voor Everwijn, graaf te Benthem en stadhouder in Westfrieslant, en de regenten aldaar.
Regest 187  George, hertog te Sassen, sluit een verdrag met Frederick, bisschop te Utrecht.
Regest 188  Friderich, bisschop te Utrecht, sluit een verdrag met George, hertog te Sachssen.
Regest 189  Maximilian, Rooms keizer, gebiedt Edezart, graaf te Eemden, op straffen van de rijksacht het graafschap en alle andere goederen die aan het rijk leenroerig zijn, van hertog Georgen van Sassen in leen te ontvangen en hem hulde te doen.
Gedrukt inv. nr. 27. Hierin staat abusievelijk 1512. N.B. In ditzelfde nummer bevinden zich andere bescheiden over de verhouding hertog van Saksen - graaf van Oostfriesland - Groningen - Ommelanden van circa 1513, welke zich niet lenen voor de regestvorm.
Regest 190  Maximilian, Rooms keizer, doet graaf Edzart van Emden in de rijksacht.
Regest 191  Carll, hertog van Gelre, zendt, aangezien Groningen hem tot erfheer heeft aangenomen, Willem van Oy, maarschalk, om de huldiging in ontvangst te nemen.
Regest 192  (Hertog George) verzoekt prelaten en ridderschap de huislieden te bewegen Groningen niet van proviand te voorzien en de belasting op te brengen.
Regest 193  De commandeur te Warffum en Mencke Heemster zenden prelaten en ridderschap der Ummelanden bij Groningen het antwoord van hertog Georgen.
Regest 194  Edeszardt, graaf te Oestvreislandt, Wilhelm van Oy, maarschalk van de vorst van Ghelren, burgemeesters en raad van Gronyngen verlenen jonkers, eerbare mannen en andere landzaten der Umblande die zich in Damme bij de vijanden hebben opgehouden, paspoort om op hun goederen te blijven of deze buitenlands te gebruiken, mits ze neutraal blijven.
Regest 195  De regenten van George, hertog te Sassen, in Westfriesslanden verzoeken Henrich Doppelsolders en gemene knechten van de Zwarte hoop, Rempt Jensma en Alger Brunnighe te Oldehove woonachtig, die bij hen te Lewarden hun toevlucht gezocht hebben, te ontzien.
Regest 196  Floris van Egmont, stadhouder, geeft Ditmar Reyngers, Hermen Benkema en Rempt Jensma vergunning zich in het Sticht van Utrecht te vestigen, totdat de zaken een andere keer hebben genomen.
Regest 197  Burgemeesters en raad in Groningen oorkonden, dat de prelaten, hoofdelingen en eigenerfden, die uitwateren te Wynsummerzijl, Scaepshals en Delfzijl, hebben toegestemd voor een maal hulp te komen voor het herstel der Reyt- of Oesterdijken.
Regest 198  Caerle, hertog van Gelre, belooft, dat hij zich zal houden aan het verdrag van 1515 tussen de Stad Groningen en zijn raad Wilhelm van Oy gesloten.
Regest 199  Burgemeesters en raad, gezworen meente, hovelingen van de gilden en de ganse gemeente van Groningen oorkonden, dat zij in 1515 met Willem van Oeyen, maarschalk en bevelman van de hertog te Gelre, een verdrag hebben gesloten waarbij zij de hertog tot landsheer hebben aangenomen.
Regest 200  Ericus, episcopus Monasteriensis, draagt aan Johannes de Merfeldt de proosdij in Lydense op, welke vrijgekomen is door afstand van Johannes Scharpenberg.
Regest 201  Burgemeesters en raad van Groningen en de hoofdmannen van de hertog van Gelre roepen abten, prelaten, hoofdelingen en eigenerfden of twee volmachtigen uit elk kerspel waar geen geërfden zijn, op voor een bijeenkomst op het raadhuis.
Regest 202  Stad en Omlanden van Gronningen geven Christoffel, graaf te Moersse, stadhouder van de herog te Gelre, toezegging, dat de Omlanden jaarlijks in twee termijnen terug zullen geven 7000 g.g.
Regest 203  Wilhjelmus Fredrici, persona, en Everardus Jarges, pastoors der St. Maartenskerk te Groningen, Luleff Coenraets en Roeleff Huinghe, hoofdmannen van de hertog te Gelre, maken in het geschil tussen de klooster der Ommelanden en de gilden in Groningen een compositie.
Regest 204  Vacat.
Regest 205  Burgemeesters en raad in Groningen oorkonden, dat abten, prelaten, jonkers, hoofdelingen en eigenerfden der landen tussen de Eemsze en de Lauwerszee Christoffel toe Moerzee, stadhouder-generaal, als vertegenwoordiger van de hertog van Gelre, gehuldigd hebben.
Regest 206  Kairll, hertog van Gelre, oorkondt, dat hij, aangezien de abten, prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en gemene onderzaten der Ommelanden van Gronningen hem als landvorst hebben gehuldigd, van zijn kant hen zal beschermen in hun rechten overeenkomstig het verbond tussen Stadt en Omlanden
Regest 207  Johan, vrijheer to Wassenaer, "overste felthauptman" en Georgen Schenck, vrijheer to Tautenburch, stadhouder-generaal in Vrieslant, roept edelen, hoofdelingen en heerschappen der Omlanden van Groningerlant op voor de landdag te Northoern.
Regest 208  Johan, vrijheer, enz. als boven geeft vrijgeleide voor het bezoeken van deze landdag.
Regest 209  Jasper van Merwick, stadhouder, gebiedt de ingezetenen van het Halveampt de bieraccijns te betalen aan Syert Mepsche.
Regest 210  Gerlach de Bever verpacht aan Hidde Onsta de halve proosdij te Leens, welke wijlen Erich, bisschop te Munster, hem gegeven had.
Regest 211  Henrick die Groiff, "erffaight" te Ercklens, en herman Knoppert, Wilhelmus Frederici en Everhards Jerges, persona en pastoors te Groenyngen, geven, op verzoek der stad, uitspraak in het geschil tussen haar en de hertog van Gelre over de overheid in de Ommelanden en in den Oldenampte.
Regest 212  Kaerle, hertog van Gelre, willigt het verzoek van bouwmeesters, hovelingen van de gilden en volmachtigde gedeputeerden der gemeente van Gronningen in om van de sententies van burgemeesters en raad beroep open te stellen op zijn stadhouder en vier burgers der stad.
Regest 213  Bernt van Hackfort verklaart, dat de hertog van Gelre het hem in leen gegeven huis Wedde met Westerwoldyngelanden c.a. benevens het Oldenampt in 't Wolt ten allen tijde mag inlossen.
Regest 214  Gerardus Zwollis, abt te Wittewierum, Gerhardus, abt te Thesinge, Melcher Rengers te Scharmer, Johan Rengers ten Post, Fecco Ompteda op 't Sandt, otto Clant, hoofdelingen, benevens de andere scheppers van den Delfzijlen, Johannes Steenwijck, hofmeester van de Roederschoele, Gerhardus, abt te Thesinge, Rudolphus Mepsche, pastoor te Bedum, Siert Mepsche, hoofdelingen, Botto Aulsma, Pieter op Onnemaheert benevens de scheppers van Winsumerzijl, Johannes Rees, Wilhelmus Groningen, kelner van Adewert, Rainck Koeninck, broeder, en van wege het convent van Selwert Jacob Sijbolts, Syeert Allersma benevens van Adewerderzijl sluiten een verdrag.
Regest 215  Stadhouder benevens hoofdmannen van wege de hertog van Gelre en hoofdelingen, redgers en rechters der Ommelanden oorkonden, dat zij in de landsoosterwarf de doem door Butte Aulsma, redger te Uuthuesen, gewezen in het geschil tussen Willem Wicheringhe, burgemeester, en doctor Johan Sickinge van wege Harmen Gijsens ter ene en meester Goesen Almer van wege Johan Schroer te Nijenhuis ter andere zijde over een halve heerd land bevestigt hebben.
Regest 216  Stadhouder benevens hoofdmannen van wege de hertog van Gelre, hoofdelingen, redgers en richters der Ommelanden oorkonden, dat zij in de landsoosterwarf uitspraak hebben gedaan in het beroep van de doem welke Focko Ripperda, redger te Baffelte, gewezen heeft in het geschil tussen Johannes Rees, kelder, en Hilbrandus, kleedmeester, van wege het convent te Groete Aedewert en Berent Tallens, des convents meier, over de ontruiming van een heerd land.
Regest 217  Stadhouder benevens hoofdmannen van wege de hertog van Gelre en hoofdelingen, redgers en richters der Ommelanden keuren in de gemene landsoosterwarf de doem goed, door menolt Ompteda, redgers te Leermense, gewezen in het geschil tussen Koert Grijpes en Harmen Sywerts van wege Luert Grevenck, zijn landheer, over een heerd land te Leermense.
Regest 218  Kaerle, hertog van Gelre, beveelt zijn bastaardzoon Kaerle van Gelre, stadhouder, en de hoofdmannen van Stadt en Omlanden tho Gronning de indertijd onder de waarde door Overemsche en andere uitheemsen aangekochte goederen in de Omlanden te restitueren.
Regest 219  Kaerl, Rooms keizer, ratificeert het traktaat, tussen zijn gecommitteerden en die van Groningen en Ommelanden gesloten.
Regest 220  Aleff van Mervelt draagt van wege zijn broer Johann aan Hidde Onstha de helft van de proosdij te Leens over.
Regest 221  Kaerle, Rooms keizer, verklaart, dat abten en prelaten der Groeninger Umlanden in handen van de ontvager-generaal Hendrick Stercke hebben gestort 6245 Philips gulden tegen 6% tot betaling van het krijgsvolk voor Coevorden.
Regest 222  Georgen Schenck, vrijheer te Tautenburch, stadhouder-generaal, doet uitspraak in het geschil tussen de Omlanden van Groningerlant en de stad Groningen over het aandeel van de stad in de schatting.
Regest 223  Carel, Rooms keizer, geeft Georgien Schenck in leen het huis te Wedde c.a.
Regest 224  Kaerle, Rooms keizer, gebiedt de drost van Drente en alle rechters de brief van condemnatie tussen Magdalena van Tautenburch, weduwe van Onno van Eewessum, ter ene en Bettica van Eewessum, weduwe, Jan en Hidde gebroeders en Abeco Onsta als man van Ghele van Eewessum ter andere zijde uit te voeren.
Regest 225  Georgen Schenck tot Toutenborgh belooft, dat bij gebreke van wettige afstammelingen het leen Wedde weer terug zal keren aan de keizer of zijn opvolgers.
Regest 226  Op het rekest van de erfgenamen van Onne van Euzum committeert het Hof de eerste deurwaarder Vrouwe Magdaleene, weduwe van voornoemde Onne, op te roepen.
Regest 227  Bruneel geeft relaas van zijn citatie van Magdalena van Toutenburgh.
Regest 228  Charles, Rooms keizer, schrijft aan burgemeeste en raad van Groenige, dat hij de president en rentmeester van Vrieslandt afgevaardigd heeft om het geschil tussen hen en het vlek van den Dam bij te leggen.
Regest 229  Rechters, voogden en burgemeesters te Dam verzoeken Onnike Ripperda, hoofdeling, op de uitgeschreven bijeenkomst voor hoofdelingen en prelaten te Groningen te spreken over de 80 gl. schatting.
Regest 230  Gedeputeerden van Stadt en Landen van Gronnyngen sluiten een overeenkomst betreffende een bezoldiging der landsknechten
Regest 231  Zaerle, Rooms keizer, geeft luitenant en hoofdmannen van Groennigen en Groenningerlande en alle andere ambtlieden en officieren te kennen, dat hij op verzoek van Johanna, weduwe van Hidde Onste, de begiftiging van haar oudste zoon met de proosdij te Liens bevestigd heeft.
Regest 232  Kaerle, Rooms keizer, beveelt zijn eerste deurwaarder maatregelen te treffen, dat vrouwe Adde van Doernum het akkoord, tussen haar en Johan en Iddo van Eussum betreffende de nalatenschap van Onno van Eussum op 8 Juni 1542 gesloten, niet overtreedt.
Regest 233  Anthonis Colibrant, deurwaarder van het Hof van Vrieslant, brengt aan Maximiliaen van Egmondt, stadhouder-generaal, verslag uit van hetgeen hij gedaan heeft in het proces tussen Jehan en Hidde van Eussum ter ene en vrouw Adde van Doernem ter andere zijde.
Regest 234  Carel, Rooms keizer, geeft de ingezetenen van Bellinge wolde, Bleyham en Ham toestemming van alle vonnissen van de drost te Wedde in hoger beroep te mogen gaan bij stadhouder en hoofdmannen te Groningen.
Regest 235  Stadhouder, hoofdmannen, burgemeesters en raad der Stadt en Ommelanden van Groningen bevelen de ingezetenen der Ommelanden en Oldenambten de gedeputeerden voor het herstel van de zeedijk van Fimele tot Reyde en de zeedijk tussen Fimele en Swaech te gehoorzamen.
Regest 236  Johan van Ligne, graaf te Arembarghe, stadhouder-generaal, legt, nadat de Staten van Stadt en Ummelanden van Gronninghen Zijne prinselijke doorluchtigheid als erfheer gehuldigd hadden, van zijn kant in naam van Philips, prins van Spangen, de eed af, dat hij hun privileges zal handhaven.
Regest 237  Abten, prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en gemeenten, burgemeesters en raad, zworen meente, bouwmeesters en ganse gemeente der Stadt en Ummelanden van Gronynghen huldigen Philips, prins van Hispanyen, als erfheer.
Regest 238  Stadhouder en hoofdmannen der Stadt en Ommelanden van Groningen geven vidimus van de oorkonde vanm 20 januari 1547.
Regest 239  Clawes van Camphuisen c.s. en ter ene en Clara van Camphuisen c.s. ter andere zijde sluiten in tegenwoordigheid van hun tante Adda van Ewsum, vrouwe te Doernhum, een overeenkomst betreffende hun aandeel in de erfenis van Onno van Ewsum.
Regest 240  Gedeputeerden en volmachten van Stadt en Ommelanden van Groningen nemen na afstand van de keizer van zijn zoon, koning van Engelandt, als erfheer aan overeenkomstig hun procuratiebrief van 17 oktober, waarna de koning van zijn kant de landen aanvaardt onder belofte zich te zullen houden aan de overeenkomst van 10 januari 1550.
Regest 241  Philips, koning van Engelandt, belooft de gedeputeerden der stad Groningen en Ommelanden zich te zullen houden aan de overeenkomst van 10 januari 1550.
Regest 242  Stadhouder en hoofdmannen bevelen alle hoofdelingen, redgers, rechters en grietmannen der Ummelanden het verdrag door stad en landen gesloten tot uitroeiing der ketterij in de kerken te laten afkondigen.
Regest 243  Focko Ripperda, hoofdeling en redger te Winzum, oorkondt, dat enige ingezetenen van zijn gericht getuigenis hebben afgelegd omtrent de vrije verkoop van kremerijen, laken en andere waren.
Regest 244  Johan Hiddinga, redger te Obergum, oorkondt als boven.
Regest 245  Cornelius Harmannus, abt te Wittewerum, Johannes Broeckhusen, commandeur te Wijtwert, jonker Roleff van Munster, hoofdeling te Duersum in den Ham en Loppersum, en Menno Houwerda, hoofdeling ten Damme, oorkonden, dat het landschap het mandaat van de gedeputeerden, met name de abt van Aedtwert, heer Johan van Eusum, heer Wigbolt van Eusum, Onno Tammynga, Aepke Onsta, Edzart Rengers, Sweer Rengers, Geert Lewe, Focko Ripperda, Hiddo Jensma, Luel Aykema, Johan dMepsche en Joest Clant, heeft verlengd met opdracht de oude vrijheden te verdedigen speciaal tegen de olderman, en een syndicus aan te stellen.
 
 
 
 
 
2   Ommelander Archieven, 1558 - 1862
N.B. Deze lijst is vervaardigd door A. Pathuis.
Het inventarisnmummer, waarin zich een zegel bevindt, wordt voorafgegaan door het jaartal, eventueel de jaartallen, en één of twee van de volgende letters, die de aard en kwaliteit van het zegel aangeven: G = goed, eventueel vrij goed of met geschonden randschrift; B = beschadigd, eventueel afgebrokkeld met grotendeels verdwenen randschrift; R = rest(en). Zonder nadere aanduiding betreft het uithangende zegels. Bij opgedrukte zegels wordt de kwaliteitsaanduiding voorafgegaan door een O.
Er is niet naar gestreefd alle zegels te vermelden, die er van een bepaalde soort aanwezig zijn. Van de zegels van de Staten-Generaal en die der stad Groningen zijn slechts een beperkt aantal opgenomen. Ook als in een inventarisnummer meer gelijke zegels aanwezig zijn, is daarvan geen melding gemaakt.
Aepkens, Jan, 164 OB nr. 858
Addinga, Hayo, 1560 G nr. 101
Aduard, abt van, 1560 OB nr. 151
Ahues, Gerardus, 1560 B nr. 101; 1575 B nr. 146; 1577 OB nr. 185; 1579 OG nr. 224
Albada, Aggaeus, 1561 OB nr. 109
Alberda, Gerardt, 1733 OG nr. 744
Alberda, Reint, 1677 OG nr. 1281
Alberda, R., 1643 OB nrs. 858, 861
Alberda, Unico Allard, 1701 B nr. 582
Albertine, 1753 OR nr. 1038
Albertine (Agnes), 1673 OR nr. 375
Aldringa, J., 1640 OG nr. 850; 1643 OG nrs. 858, 861; 1644 OG nr. 862; 1654 OG nr. 704
Alting, Menso, 1730, 1734 B nr. 745; 1739 OG nr. 744
Amsingh, H., 1787 OG nr. 378
Anna Prinses Royal, 1751-1757 OB nr. 1038; 1752-1754 OB nr. 747; 1752-1755 OB nr. 377
Appingedam, 15790 OB nr. 228; 1600 OB 596; 1787-1788 OG nr. 378
Aremberg, zie Ligne
Arensma, A.C., 1647 OB br. 575
Arnhem, Godfried van, 1559 R nr. 102
Asschendorp, Evert van, 164 OB nrs. 858, 861
Aswede, Caspar van, 1634 G nr. 580
Auwema, Bocko, 1587 B, OB nr. 273; 1589 OG nr. 226
Auwema, Albrecht van, 1398 R nr. 12
Beyeren, Albrecht van, 1398 R nr. 12
Bentheim, Everwijn van, 1663 OG nr. 1451
Berg, Arent van den, circa 1653 OB nr. 1074
Bergh, Elisabeth van den, 1666 OG nr. 1075
Berckhuys, A., 1643 OG nr. 858
Berchuys, A. van, 1830 OG nr. 1603; 1860 OB nr. 1522
Berum, Remmers van, 1597 OB nr. 751
Besten, Wolter van, 1560 OG nr. 106
Bleswijck, 1639 OB nr. 375
Bolhuis, A.E. van, 1643 OG nrs. 858, 861
Borchardus, aartsbisschop van Bremen, 1342 R nr. 3
Braver, Laurentius, 1577 OG nr. 294
Broersema, Menno, 1643 OG nrs. 858, 861
Broersema, P., 1632 OR nr. 823
Broersema, Tjaart, 1597 OB nr. 751
Buning, (J.C.?), 1826 OG nr. 1529
Departementaal Gerechtshof, 1808 OB nr. 1517
Derks, Hinderk, 1736 OR nr. 1339
Diepholt, Rudolf van, 1433 B nr. 59
Doccum, Hermannus van, 1571 OG nr. 159; 1579 OG nr. 294
Draxsdorp, Vyt van, 1506 OB nr. 27
Drenthe, 1338 R nr. 9; 1665 OB, 1667 OG nr. 883
Egmond, Floris van, 1515 OB nr. 27
Enthens van Mentheda, Asinge, 1583 OB nr. 263
Enthens van Mentheda, 1580 OG nr. 237
Ewsum, Anna van, 1664 OR nr. 375
Ewsum, Christoffer van, 1561 G nr. 108; 1579 OG nr. 294
Ewsum, Johan van, 1559 B nr. 102
Ewsum, Wigbolt van, 1506 OG nr. 27; 1577-1578 OB nr. 294; 1587 OG nr. 273
Ewsum, Van, 1561 contrazegel G nr. 105
Philips II, 1560 B nr. 152; 1563 R nr. 112; 1570 R nr. 131; 1576 OB nr. 173; 1578 OG nr. 197, OB nr. 198; 1579 OG nr. 209
Fivelgo, 1338 B nr. 9; 1361 B nr. 10; 1473 B nr. 24; 1561 B nr. 105
Fivelgo-Westerambt, 1431 B nr. 43; 1482 G nr. 25
Foswerd, abt van, 1348 G nr. 6
Friesland, Gedeputeerde Staten, 1665 OB nrs. 375, 883; 1667 OB nr. 883
Friesland, Hof van Justitie, 1603 B nr. 899
Friesland, President en raden in, 1577 OB nr. 234
Froma, Jacob, 1597 OB nr. 751
Gaykinga, Allard, 1592 OG nr. 280
Gelre en Zutphen, 1633, OB nr. 854
Goeverneur des Konings, 1829-1848 OB nrs. 1518, 1519, 1520, 1603
Greve, Johannes 1589 OB nr. 277
Greving, 1773 OG nr. 720; 1754 OR nr. 377
Groningen, 1338 R nr. 9; 1361 B nr. 10; 149 R nr. 19; 1458 OR nr. 48; en 1480-1504 OB, OR nr. 51; (stadssignet, gebruikt door burgemeesters, raad en hoofdmannen, en genaamd Stad en Lande secreet) 1470 B nrs. 22, 23; 1498 B nr. 26; 1560 OB nr. 151; 1567 OG nr. 128
Groningen, provincie 1858 OB nr. 1522
Gruys, Hilbrant, 1643 OB nrs. 858, 861
Gruys, J.H.J., 1787 OB nr. 378
Gualteri, Johannes, 1643 OG nr. 858
Guichart, F.J., 1798 OB nr. 584
Hoendrickx, Johan, 1643 OB nr. 858
Hoern, Arnd van, 1372 B nr. 59
Hof van Justitie, 1800 OB nr. 579
Holthe, Writzer ten, 1605 OB nr. 751
Holten, Johan ten, 1560 OG nr. 106
Hoofdmannenkamer, 1567 OB nrs. 128, 153; 1571 OB nr. 129; 1572 OG nr. 96; 1574 OB nr. 139; 1575 B nr. 304; 1576 OB nrs. 148, 172; 1579 OB nr. 225; 1619 OB nr. 681; 1640 OB nr. 1329; 1654 OB nr. 1335; 1730 OB nr. 541
Houwerda, Menno, 1558 G nr. 101; 1561 contrazegel G nr. 105
Houwerda, Menno, 1558 G nr. 101; 1561 contrazegel G nr. 105
Houwerda van Meckema, M., 1652 OR nr. 375
Hoving, W.H., 1787 OG nr. 378
Humsterland, 1361 G nr. 10; 1428 R nr. 21; 1473 G nr. 24; 1482 B nr. 25; 1561 G nr. 105
Hunsingo, 1361 R nr. 10; 1379 B nr. 41; 1473 R nr. 24; 1482 G nr. 25; 1561 B nr. 105
Hunsingo-Halfambt, 1400 B nr. 14
Ywe, kerkheer te Heveskes, 1435 R nr. 45
Inn- und Kniphausen, Von, zie Kniphuisen
Jans, Ewe, 1765 OR nr. 573
Jarges, Eyzo, 1687, 1688 g nr. 55
Jensema, Hiddo, 1559 B nr. 102; 1560 OG nr. 151
Jensema, Remt, 1577 OG nr. 185; 1587 OB nr. 273; 1589 OG nr. 266; 1592 OB nr. 280
Karel V, 1537 R nr. 33; 1539 B, 1545 R nr. 62
Cate, S.H. ten, 1825 OG nr. 1529
Kempis, Cornelius, 1562 G nr. 110, B nr. 101
Kenninck, Arnoldus, 1577 B nr. 185
Keuchenius, J., 1718 OB nr. 1084
Clama, Hemmo, 1595 OG nr. 758
Clant, Andolph, 1644 OG nr. 862
Clant, Edzard Jacob, 1643 OB nr. 861
Clant, E.J., 1643 OG nr. 858
Clant, Herman, 1643 OB nr. 861
Clant, Hindrick, 1587 OG nr. 273; 1589 OB nr. 266
Clant, H., 1643 OB nr. 858
Clant, Johan(nes), 1562 G nrs. 101, 110; 1603 B nr. 899
Clant, Lucas 1643 OR nr. 1309
Clant van Stedum, J., 1654 OG nr. 704
Cleveringa, H., 1787 OG nr. 378
Kniphuisen, R.W., 1654 OR nr. 704; 1656 OB nr. 709
Co(e)bel, Philips 1564 OR nr. 118
Coehoorn, J., 1643 OB nr. 858
Coenders, Albert, 1632 OR nr. 823; 1643 OB nrs. 858, 861
Coenders van Helpen, Bernhard, (1643?) OG nr. 1317
Commissaris des Konings, 1851-1862 OB nr. 1522
Coops, Willemtien, 1653 OB nr. 1074
Cornelius, Petrus, 1576 OG nr. 294; 1577 G nr. 181, 1578 G nr. 203; 1579 G nr. 208
Kraeyvanger, Henrick, 1589 OG nr. 266
Cuylenborg, Floris van, 1589 OG nr. 266
Laan, J.J. van der, 1839 OG nr. 1519
Lalaing, Georg van, 1577 OG nrs. 179, 180, 183, 184; 1578 OG nrs. 189, 192; 1579 OG nrs. 217, 219, 220
Langewold, 1473 B nr. 24; 1482 B nr. 25; 1561 G nr. 105
Lanth, Arnold, 1563 OG nr. 69n; 1575 B nr. 143
Lewe, Abel, 1654 OR nr. 704
Lewe, Evert, 1632 OR nr. 823
Lewe, Joest, 1654 OG nr. 704
Lewe van Middelstum, E.J., 1825 OR nr. 1529
Ligne, Johan de, 1550 G nr. 34; 1564 OR nr. 118
Lontzen, Henricus, 1571 OB nr. 159; 1576 G nr. 149
Louwens, Idse, 1632 OR nr. 823
Makdowel, G., 1643 OB nr. 858
Manninga, Hayo, 1578 OB nr. 294
Manninga, Hayo Unico, 1643 OG nr. 858
Manninga, Luirt, 1597 OB nr. 1519
Maerius (?), 1839 OG nr. 1519
Marne, 1375 B nr. 40; 1400 B nr. 14; 1407 R nr. 15; 1417 G nr. 17; 1561 G nr. 105
Meckema, Philips, 1594 OB nr. 758
Meckema, M. Houwerda van, 1652 OR nr. 375
Mentata, Albertus, 1371 B nr. 11
Mepsche, Johan de, 1587 B nr, 273; 1590 OG nr. 266; 1643 OB nrs. 858, 861
Mepsche, Rudolf de, 1595 OB nrs. 758
Middag, 1407 G nr. 15; 1417 R nr. 17; 1428 B nr. 21
Munster, Roleff van, 1558 G nr. 101
Nansum, Eppo, tho, 1643 OB nr. 858
Nansum, Heero, tho, 1632 OR nr. 823; 1633 OB nr. 1336
Niekerck, G., 1671 OG nr. 887
Ommelanden, 1581 OG nr. 251; 1597 OB nr. 751; 1598 OB nr. 1054; 1639, 1642 B nr. 555; 1644 OB nr. 861; 1649 OG nr. 872, OB nr. 874; 1658 OB nr. 359; 1663 G nr. 55, OB nr. 565; circa 1670 OB nr. 750; 1677 OB nr. 1281; 1691 B nr. 555.
Oostenrijk, Johan van, 1576 OB nr. 173
Oosterambt, 1400 R nr. 14; 1407 R nr. 15; 1417 B nr. 17
Oostergo, 1361 R nr. 10
Oosterhoff, Alb. van, 1679 OB nr. 1273
Oost-Friesland, 1511-1512 OG nr. 54; 1512 B nr. 56
Oost-Friesland, Edzard van, 1506, 1510 OG, OB nrs. 53-55
Onsta, Abel, 1561 contrazegel B nr. 105
Peppink, H., 1828 OB nr. 1603
Piccardt, Henric, 1677 OG nr. 888
Piccardt, Jan, 1729 OB nr. 744
Polman, A., 1644 OG nr. 862
Raad van State, 1576 OB nr. 173; 1594 OB nr. 1052
Reyde, Jan van, 1618 OB nr. 596
Rengers, Dutmar, 1561 B nr. 108; 1571 OG nr. 132
Rengers, Edzard, 1571 OG nr. 132; 1575 G nr. 146; 1576 B nr. 149; 1577 B nr. 185
Rengers, Johan, 1597 OB nr. 762
Rengers, O.J., 1643 OG nr. 858, OB nr. 861; 1654 OR nr. 704
Rengers, Zeyno, 1560 G nr. 101
Rengers, Coenraad van, 1598 OB nr. 762
Ripperda, B., 1506 OB nr. 27
Ripperda, Haye, 1435 B nr. 45
Ripperda, Hero Mauritsm 1630 G nr. 574
Ripperda, Jakob, 1579 OB nr. 224
Ripperda, Joachim, 1597 OB nr. 751
Ripperda, J., 1654 OB nr. 704
Ripperda, Maurits, 1561 G nr. 108
Rippert, abt van Aduard, 1371 B nr. 11
Robles, Casper de, 1576 OB nr. 298
Royen, A.J. van, 1840 OG nr. 1530
Saksen, Georg van, 1502-1506 OB, 1515 OG nr. 27
Saksen, Hendrik van, 1502 OB nr. 27
Schaffer, B., 1632 OR nr. 823
Sickinghe, J., 1639 OB nr. 856
Sickinghe, F., 1643 OB nr. 858; 1654 OG nr. 704
Sickinghe, Peter, 1575 R nr. 143
Stad en Ommelanden, 1622 OG nr. 825; 1787, 1788, 1790 OB nr. 378; 1787-1794 OG nr. 584
Stallmeister, J., 1640 OG nr. 576
Starkenborgh, zie Tjarda van Starkenborgh
Staten-Generaal, 1581 B nr. 252; 1597 OB nr. 762, B nr. 761; 1599 B nr. 763, G nr. 764; 1640 G nr. 848; 1644 OG nr. 861, 862; 1645 OG nr. 863; 1649 G nr. 873; 1655 G nr. 706; 1659 G nr. 712; 1663 OB nr. 714; 1666, 1667, 1669 OG nr. 714; 1667 OG nr. 883; 1732-1736 OG nr. 720; 1787 OG nr. 378; z.j.
Sterrevelt, Adr. van, 1670 OR nr. 887
Tamminga, Onno, 1643 OR nr. 858; 1652 OG nr. 877; 1654 OG nr. 704; 1677 OG nr. 1281
Tamminga, S., 1643 OG nr. 858
Tasma, Harmen, 1595 OG nr. 858
Tissingh, Gerardus, 1577 G nr. 182
Tiaden, G., 1643 OB nrs. 858, 861
Tyaersma, Wyet, 1510, 1511, B nr. 47
Tiacke, cureet te Loppersum, 1432 OR nr. 44
Tjarda van Starkenborgh, Johan, 1589, 1590 OG nr. 266; 1597 OB nr. 751
Tjarda van Starkenborgh, Ludolf, 1735 OG nr. 744; 1736 OG nr. 720; 1737 OG nr. 744
Tjarda van Starkenborgh, L., 1643 OR nr. 858
Tuuk, Van der, 1807 OR nr. 1534
Ubbena, 1632 OG nr. 823
Utrecht, kapittel van de metropolitane kerk, 1594 G nr. 759
Uulford, persona te Baflo, 1425 B nr. 42
Velthuisen, Hindrick, 1579 OG nr. 230; 1583 OB nr. 266
Verrutius, H., 1589 OG nr. 266
Vredewold, 1561 R nr. 105
Walcko, cureet in de Marne, 1375 B nr. 40
Welvelde, (Van?), 1825 OG nr. 1529
Werninck, Gerhardus, 1562 B nr. 101, 110
Westerambt-Fivelgo, 1431 B nr. 43; 1482 G nr. 25
Westergo, 1361 B nr. 10
Willem II, stadhouder, 1648 OG nr. 863
Willem IV, Carle Hendrik Friso, 1733-1747 OG nr. 747; 1739, 1749 OB nr. 1038; 1743, 1746, 1751 OG nr. 377
Willem V, 1773-1794 OB nr. 1038; 1774-1789 OG nr. 747; 1775, 1782, 1787, 1789, 1791 OG nr. 378; 1789 OG nr. 1038
Willem Frederik, 1662 OB nr. 880, 1075
Willem Lodewijk, 1588 OG nr. 276; 1594 OB nr. 286; 1595 OB nr. 1273; 1610 OG nr. 700
Wisses, H. (?), 1797 OB nr. 909
Wolfsen, Henricus, 1662 OB nr. 541
Wolthers, 1732 OR nr. 720
Woltherus, J., 1643 OG nr. 861
Wychgel, H.L., 1825 OB nr. 1529
Wychgel, L.H., 1825 OG nr. 1529
Zandt, Asserus, 1595 OG rn. 758
Zijl, Peter van, 1566 OB nr. 113
Zollern, douairère zu, 1666 OG nr. 1075
Zutphen, Gelre en, 1633 OB nr. 854
Onbekende zegels, 1737 OG nr. 1339; 1787 OG nr. 378
 
 
 
 
 
2   Ommelander Archieven, 1558 - 1862
Datering:
  1558 - 1862
Beschrijving:
  Inventaris der Ommelander Archieven
Omvang:
  39 bladen 76 charters 52,12 m standaardarchiefberging
Bewerker:
  W.J. Formsma
Laatste Publicatie:
  1962
Categorie
Archiefvormer
 
 
 
 
 
Regest 146  De hoofdmannen in Groeningen oorkonden, dat op de landswarf de doem welke Tyaert Harkema, grietman van Langewolt, gewezen heeft tussen Johan Borst ter ene en Focko Etens en Isebrant, zijn zwager, aan de andere kant van onwaarde is verklaard.