Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
 17.10 Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
17.10   Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap
1.  Inleiding
2.  Inventaris
3.  Bijlagen
 
 
 
 
 
17.10   Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap
Datering:
  1863-1965
Auteur:
  G.H.A. Venner
Inventaris:
  Inventaris van het archief van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, 1863-1965. Publicaties Rijksarchief Limburg nr 7 (Maastricht 2003)
Inventaristitel:
  Inventaris van het archief van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, 1863-1965. Publicaties Rijksarchief Limburg nr 7 (Maastricht 2003)
Omvang:
  8,4 meter
Openbaar:
  Bescheiden jonger dan 50 jaar mogen slechts geraadpleegd worden na schriftelijke machtiging van de bewaargever
Openbaarheid beperkt:
  Bescheiden jonger dan 50 jaar mogen slechts geraadpleegd worden na schriftelijke machtiging van de bewaargever
 
 
 
 
 
Het Limburgs Geschied-en Oudheidkundig Genootschap ontstond formeel per 1 januari 1929 door fusie van het Provinciaal Geschied-en Oudheidkundig Genootschap in Limburg, gevestigd te Maastricht, en "Limburg", Provinciaal Genootschap voor Geschiedkundige Wetenschappen, Taal en Kunst te Roermond.  *  Het eerste genootschap was in 1863 te Maastricht opgericht en had nog de namen Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg (1863-1867) en Geschied-en Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg (1867-1908) gedragen. Het te Roermond gevestigde genootschap was in 1893 gesticht.
De vergadering van 21 juni 1863 hield zich in de eerste plaats bezig met het vaststellen van een reglement. Artikel 1 luidde: "Er wordt eene vereeniging opgerigt den naam dragende van Geschied-en Oudheidkundig Genootschap voor het hertogdom Limburg, welke haren hoofdzetel zal hebben te Maastricht en tot doel het bevorderen der vaderlandsche geschiedenis en vooral die van Limburg, alsmede het opsporen van oudheden in dit hertogdom aanwezig". "De vereeniging zal bestaan", zo luidde artikel 2, "uit een onbepaald aantal leden en zal geacht worden geconstitueerd te zijn, zoodra veertig leden verklaard hebben aan dezelve deel te nemen". Voor het aldus "constitueren" van de vereniging dacht men een termijn van twee maanden nodig te hebben. Tot aan de definitieve vaststelling van de statuten en "tot de gezelschap geconstitueerd is", zou een voorlopig bestuur fungeren van vijf personen. De contributie werd vastgesteld op drie gulden per jaar. Ingevolge het doel van het Genootschap werd elk lid uitgenodigd bij te dragen tot "opsporing der geschiedenis en der oudheidkunde" en van het bevondene verslag te zenden aan het bestuur. Het bestuur zou na beoordeling overgaan tot het doen drukken en tot verspreiding onder de leden. Het lag dus vanaf het begin in de bedoeling eigen publicaties uit te geven. De aanwezigen gingen vervolgens over tot verkiezing van het voorlopige bestuur. Gekozen werden Jos Russel (zeven stemmen), Ernest Gulikers en Herman Eversen (elk zes stemmen), Alexander Schaepkens en Jos Habets (elk vier stemmen).  * 
Het voorlopige bestuur liet een in het Frans gedrukte circulaire van 24 juni 1863 uitgaan, waarin mededeling werd gedaan van de bijeenkomst van drie dagen tevoren van "amateurs" die het onderzoek naar de geschiedenis en oudheden van het land, en met name van het hertogdom Limburg, wilden bevorderen en die wilden samenwerken tot behoud van de overblijfselen van oude kunst en nijverheid. Zij hadden het doel een Geschied-en Oudheidkundig Genootschap te stichten en waren reeds overgegaan tot de verkiezing van een voorlopig bestuur. Belangstellenden hadden nu tot 1 september de gelegenheid om zich door middel van het aangehechte "bulletin de participation" aan te melden als lid.  *  Het verzenden van circulaires als middel om leden te werven was al in 1854 door de Historische Verein für den Niederrhein toegepast en zou in 1897 door de Vereniging Gelre met succes worden gebruikt.  *  Ook nu bleek de circulaire het gewenst effect te sorteren. Het minimale aantal van veertig leden werd kennelijk spoedig bereikt, want reeds op 23 augustus 1863, iets meer dan twee maanden na 21 juni, werd een algemene ledenvergadering gehouden.
Tijdens de algemene ledenvergadering van 23 augustus 1863 werd de behandeling van de statuten uitgesteld tot een volgende algemene vergadering, aangezien de leden tevoren kennis wensten te nemen van de tekst. Het bestuur liet daarop op 26 augustus 1863 een convocaat met de concept-statuten uitgaan voor een nieuwe vergadering op 30 augustus in het lokaal van de voormalige Koninklijke Harmonie. In dit concept-volgens Habets ontworpen door Russel-konden de leden lezen dat de vereniging Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg heette. Zij zou bestaan "uit een onbepaald getal leden en geacht worden geconstitueerd te zijn tegen den eersten september aanstaande". Na 1 september kon men zich niet meer aanmelden als lid. Nieuwe leden konden na die datum slechts door besluit van het bestuur worden aangenomen.  *  Volgens artikel 5 lid 3 konden in de voornaamste plaatsen van het hertogdom Limburg "subcommissiën", bedoeld zal zijn plaatselijke afdelingen, worden opgericht. Blijkens artikel 8 lid 2 zou, naast de algemene ledenvergadering, elke eerste zaterdag van de maand voor de leden een bijeenkomst worden belegd. De ter publicatie toegezonden artikelen zouden uiteindelijk door een redactie worden beoordeeld. In geval van ontbinding van het Genootschap zouden krachtens artikel 19 de eigendommen worden verkocht, maar de "oudheidkundige en andere tot de verzamelingen van het genootschap behoorende voorwerpen" zouden nooit vervreemd kunnen worden. Het was een enigszins onbeholpen poging om het behoud van de collecties te verzekeren.
Oudheidkundig onderzoek in Limburg lijkt in eerste instantie bij uitstek gerelateerd te kunnen worden aan het in 1863 gestichte Genootschap dat in de eerste jaren immers "Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg" heette. Naast de bevordering van de geschiedenis was in de statuten van 1863 "het opsporen van oudheden en overblijfsels van kunst en nijverheid in dit hertogdom aanwezig" als tweede doelstelling geformuleerd. Tijdens de algemene ledenvergadering van 3 januari 1864 hield Habets een lezing over "de oudheidkunde als hulpbron der geschiedenis van het vaderland...". De oudheidkundige was degene die als onderzoeker aan de geschiedschrijver voorafging. Hij duidde de relicten uit de prehistorie en latere perioden, zodat bijvoorbeeld de geschiedschrijver van de romeinse tijd niet enkel aangewezen was op verhalende bronnen, maar ook op vragen omtrent de beschaving en handel en verkeer antwoord kreeg. Oudheidkunde was ten tijde van Habets nog niet beperkt tot archeologisch onderzoek. Ook de genealoog en degene die de geschiedenis onderzocht aan de hand van munten of die archiefstukken bestudeerde, noemde Habets een oudheidkundige.  *  Het opsporen van oudheden hing nauw samen met het aanleggen van een verzameling c.q. de oprichting van een museum. Het "opsporen" werd in de statuten van 1867 aangevuld met het "verzamelen en behouden van oudheden".
Aan de inventaris zijn drie bijlagen toegevoegd: een overzicht van bestuursleden, een gereconstrueerde ledenlijst van het Geschied-en Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg over de jaren 1863-1906, en het rapport aangaande de toestand van het museum opgesteld door de nieuwe directeur J. Timmers in 1946.
102  Reglement van het Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg, gedrukt
119  Akte van overeenkomst tussen het Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg en het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap te Maastricht betreffende de toetreding van (15) leden van laatstgenoemd genootschap en de overdracht van boekwerken
124  Diploma voor (ere, corresponderende) leden van het Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg
1666  Stukken betreffende het verzoek van K.J.Th. Janssen de Limpens om de rechtsbronnen van het hertogdom Limburg en de Landen van Overmaas uit te geven in de serie Werken
1873  Verslagen van J. Habets betreffende de opgravingen van de romeinse villa's te Louwberg onder Wolder en Backerbosch onder Heer, en van de tombe te Scharn, minuten
1875  Diploma voor J. Russel, letterkundige te Maastricht, als werkend lid van het Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg
3.2.  Bijlage 2 Gereconstrueerde ledenlijst van het Geschied-en Oudheidkundig Genootschap in het hertogdom Limburg