Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
Uw zoekacties: Familie thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg Ermerins-Wiltschut, Familie
 470 Ermerins-Wiltschut, Familie ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
470   Ermerins-Wiltschut, Familie
Het grootste gedeelte der hierna beschreven stukken is afkomstig van Jacobus Ermerins (1725-1795). Van zijn broeder Jan Willem (1717-1784), schepen en burgemeester van 't Vrije van Sluis en baljuw en rentmeester van Veere, stamt de tegenwoordige familie af.
De loopbaan van Jacobus Ermerins begint te Lillo. waar hij commies van 's lands magazijnen en gedelegeerd rechter is geweest. Hij trad hiermee in de voetstappen van zijn grootvader, Jan (1655-1707), gedelegeerd rechter en commies-controleur te Lillo, en zijn vader, François (1668-1735), eveneens gedelegeerd rechter, secretaris en auditeur-militair te Lillo.
François Ermerins heeft te Lillo een factorij gehad die vermoedelijk handelde in scheepsbenodigdheden en die later is voortgezet onder de naam Erven Ermerins en R.G. Temet. Laatstgenoemde (gehuwd met de moeder van Jacobus) overleed in 1772, in zijn plaats kwam Francois Delzenne. In 1786 is de familie Ermerins uit de factorij getreden.
Vroeg legde Jacobus zich toe op landmeten, tekenen en vestingbouw; waardoor en 'als der Fransche taale kundig' hij bij het korte beleg en de capitulatie der Schelde-forten (1747) goede diensten heeft kunnen bewijzen.
In 1749 huwt hij met Sara Ver(h)eyck uit Dordrecht, die reeds in 1751 overleed. Uit dit huwelijk werd een dochter, Anna Maria, geboren, die huwde met Cornelis Egter, dokter te Den Briel. In 1752 hertrouwd hij met Johanna Jacoba Catharina Wiltschut (1718-1779), een dochter van de luitenant-admiraal van Zeeland Hermanus Wiltschut. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren: Hermina Sara en Anna Catharina. Laatstgenoemde huwde Samuel Boeye van Zierikzee. Door dit huwelijk is het te verklaren waardoor Ermerins in bezit is gekomen van stukken, de familie Wiltschut rakende. Verschillende dezer stukken heeft hij 'nauwelijks van de woede de(r) ratten en muisen kunnen bevrijden'.
Op 5 augustus 1752 doet hij zijn eed als poorter van Veere. Van 1753 tot 1755 is hij aldaar schepen. In 1767 wordt hij secretaris van Veere. Ontslag uit deze functie wordt hem op 2 augustus 1788 verleend, nadat hij hierom reeds in het jaar daarvoor gevraagd had. Zijn ontslag houdt wel verband met de staatkundige omstandigheden. In het rapport betreffende de plunderingen te Veere (1787) [archief Staten van Zeeland, inv.nr 2025] wordt medegedeeld hoe hij, toen hij de Zierikzeese gedeputeerden ter Statenvergadering, die mishandeld en geslagen werden, assistentie wilde verlenen 'op allerley wijze geslagen en gebrutaliseerd' en 'naar de militaire hoofdwagt wierd opgebragt'.
Ook was hij onder meer zaakgelastigde voor de Zeeuwe portionarissen in de Bolspolder, voor zijn zuster Wilhelmina, weduwe van Nicolaas van Ysselsteyn, voor haar aandeel in de heerlijkheid Zaamslag en voor Dirk Hubert Verelst, gezant te Berlijn (zie inv.nr 52).
Op 1 september 1789 schrijft hij zijn zwager M. van der Horst, dat hij zich 'geheel aan de letteroeffeningen overgegeeven' had en zijn 'tegenmwoordig bestaan voor geen rijkdommen of hooger staat verwisselen' wilde. Deze oefeningen bestonden voornamelijk in het schrijven van Eenige Zeeuwsche oudheden ..., waarmede hij in 1780 begonnen was. Veel stof hiervoor is uit het door hem geordende Veerse archief geput. Hij was lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen en sinds 1774 lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Hij stond in wetenschappelijk en vriendschappelijk verkeer met J.W. te Water, Van de Spiegel, N.C. Lambrechtsen en Verheye van Citters.
Bij de omwenteling in 1795 roept men hem opnieuw tot een ambt: Op 18 februari 1795 wordt hij baljuw van Veere. Als ter zake kundig wordt hij onder meer bij resolutie van de Provisionele Representanten van 13 maart 1795 gecommitteerd 'tot 't werk der defensie van Zeeland, en speciaal van 't Eyland Walcheren'. Slechts korte tijd heeft hij echter zijn bekwaamheden in dienst van het algemeen kunnen stellen: Op 29 juni van hetzelfde jaar overleed hij.
De hier beschreven stukken werden in 1946 van de Provinciale Bibliotheek van Zeeland overgenomen. Hier waren de stukken ooit terechtgekomen nadat A.J.F. Fokker te Zierikzee ze in 1907 aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen had geschonken (Archief Zeeuwsch Genootschap, 1907, p. XIII). Volgens Nagtglas, Levensberichten I, 187 zouden er vele nagelaten papieren van Ermerins bij diens vader C.J. Fokker berust hebben, wiens schoonvader, A.J.F. Egter, een kleinzoon van Jacobus Ermerins was. Waarschijnlijk is dus langs deze weg de familie Fokker in het bezit dezer stukken gekomen. Blijkens een in de verzameling inventarissen van het Rijksarchief in Zeeland berustende inventaris - waar van 'collectie A.J.F. Fokker' wordt gesproken - moeten zeven charters uit de periode 1439-1513 en enkele andere stukken verloren zijn gegaan.
Daar zij zich door de gebeurtenissen van mei 1940 in grote wanorde bevonden, was het moeilijk een systematisch geordend geheel op te bouwen. Eerst komen de stukken betreffende Lillo, vervolgens stukken rakende het secretarisschap te Veere (dit zijn alle afschriften, meest van de hand van Ermerins zelf, te zijner controle), dan volgen de stukken van meer persoonlijke aard, waaronder ook chronologisch en zaaksgewijs geordend de stukken als zaakgelastigde. De rubriek Varia spreekt voor zich zelf. De stukken afkomstig van de familie Wiltschut besluiten de inventaris.
Diverse boedelpapieren bleken in het archief van gedelegeerde rechters over Lillo, Liefkenshoek en Oud-Lillo thuis te horen en werden in het archief van de Staten van Zeeland onder inv.nrs 1989a-1992 ingevoegd. Ook moesten enkele volledig afgehoorde rekeningen van de dubbele honderdste penning en gemene middelen van consumptie binnen Lillo en Liefkenshoek over 1768 en van de impost op het gemaal binnen Veere, 1770/71, naar het archief van de Rekenkamer van Zeeland overgebracht worden.
1.  Bronnen
F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen ... I (Middelburg 189) 185-187
H.A. Bruining, [een levensbericht over Jacobus] voor in het laatste stuk der Zeeuwsche Oudheden (1797) Nederland's Patriciaat 2 (1911)
Aantekeningen uit een doopboek van Lillo (1706-1785) betreffende Ermerins en Ferleman, in: Algemeen Nederlandsch Familieblad, 1889, p. 115
J.W. te Water, '[In memoriam J. Ermerins]', in: Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1796)
J. Ermerins, 'Memorie van Justificatie..' [Aanwinst 1924, nr 25/26]
2.  Belangrijkste publicaties van Jacobus Ermerins
'Zeelands tol in zyn opkomst, aanwas en grootheid, benevens deszelfs verval, en geringen toestand voorgestelt; en de middelen tot deszelfs herstel ...', in: Notulen der Staten van Zeeland 1762
[met Josua van Iperen], De statige inhuldiginge van zyne doorlugtigste hoogheid Willen den Vyfden, prince van Oranje en Nassau ... als markgraaf van Veere, den 28 van bloeimaand 1766 ... (Middelburg 1767)
'Historische verhandeling over het kasteel van Rammekens', in: Verhandelingen uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen III (Middelburg 1773) 133-176
'Eerste stichting en lotgevallen van sommige plaatsen ten oosten en westen der Schelde gelegen', in: Verhandelingen uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen V (Middelburg 1776) 1-64
Eenige Zeeuwsche oudheden, uit echte stukken opgehelderd en in het licht gebracht (Middelburg 1780-1797)
 
 
 
 
 
470   Ermerins-Wiltschut, Familie
1.  Stukken afkomstig van de familie Ermerins
2.  Stukken afkomstig van de familie Wiltschut
3.  Aanhangsel
 
 
 
 
 
470   Ermerins-Wiltschut, Familie
Datering:
  1570-1795
Toegankelijk:
  Inventaris
Openbaarheid:
  Geen beperkingen
Inzage:
  Studiezaal, in origineel
Omvang:
  3 meter
Jaar bewerking:
  1947
Titel publicatie:
  M.P. de Bruin, 'Verzameling Ermerins en Wiltschut 1570-1795', in: Rijksarchief in Zeeland. Gebundelde Inventarissen. Deel I ('s-Gravenhage 1962) 95-113
Collectie:
  Rijksarchief in Zeeland
Categorie
 
 
 
 
 
1  Stukken van en betreffende Charles Loncque van Oosterland, commandeur van Lillo en Liefkenshoek, 1687-1711 . 1 pak