Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
 2001 Gasthuizen en gilden in Arnhem ( Gelders Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
2001   Gasthuizen en gilden in Arnhem
Voorwoord
De archieven, welke in dit werk beschreven worden, zijn die der instellingen of corporaties, welke hetzij vrijwillig, hetzij krachtens bestuursmaatregel, bij het oud-archief der gemeente Arnhem zijn gedeponeerd, waarbij valt op te merken, dat, om onder gedeponeerd archief te worden begrepen, een vereischte is, dat de rechten of functiën van de besturen dier instellingen of corporaties niet aan het gemeentebestuur zijn overgegaan. Bij de inventarisatie zijn de regels gevolgd van de Handleiding betreffende het ordenen en beschrijven van archieven. Een enkele maal is van die regels afgeweken. Zoo bevinden zich, vooral bij de archieven der gilden, meestal enkele brieven van het einde der 18e of begin der 19e eeuw, welke ongedateerd zijn en waarvan de juiste datum ook uit den inhoud niet kon vastgesteld worden. Dergelijke brieven zijn in één omslag bij elkaar gelegd en geplaatst aan het einde der serie. Rekeningen zijn afzonderlijk beschreven, aangezien dit juister scheen dan alle rekeningen onder één nummer samen te vatten. Door afzonderlijke beschrijving toch wordt de raadpleging en ook de bewaring dier stukken en van de bijbehoorende bijlagen vergemakkelijkt. Wanneer rekeningen in één band zijn samengebonden of in één deel zijn afgeschreven, zijn die rekeningen alle afzonderlijk beschreven, doch is aan den band of het deel één inventarisnummer gegeven. De rekeningen zijn dan met ondernummers aangeduid.
De veranderingen, welke de besturen der verschillende hierna behandelde gasthuizen, gilden enz. in den loop der jaren hebben ondergaan, zijn in de inventarissen aangegeven, doch er is niet bij iedere bestuursverandering een nieuwe hoofdafdeeling gemaakt, aangezien in werkelijkheid meestal slechts de namen of titulaturen der bestuursleden wijziging ondergingen, maar het bestuur op den ouden voet werd voortgezet en bovendien de resolutiën enz. in dezelfde registers als vóór de verandering werden ingeschreven. De gegevens voor de verschillende inleidingen zijn, voorzooverre niet het tegendeel blijkt, ontleend aan de archieven, waarop die inleidingen betrekking hebben. De gedeponeerde archieven zijn geïnventariseerd tot het jaar 1860, welk jaar de grens is tusschen het oude, naar de bewaarplaats overgebrachte archief, en het nieuw-archief der gemeente Arnhem. Aan het werk is een regestenlijst toegevoegd, waarvan als einddatum genomen is het jaar 1578, welke datum ook voor de regestenlijst van het oud-archief der gemeente is aangenomen. Behalve alle oorkonden zijn hierin ook de brieven, welke gering in aantal zijn, in regestvorm opgenomen.
Archieven van gasthuizen en fundatiën
De drie gasthuizen, thans vereenigd als de St. Peters-, St. Anthonie- en St. Catharinae-gasthuizen onder één gemeenschappelijk bestuur, moeten tot de belangrijkste instellingen van weldadigheid der stad, dateerende uit de middeleeuwen, worden gerekend. In de inleiding tot ieder dezer gasthuizen is over hun bestuur het voornaamste medegedeeld; hier kan daaraan nog worden toegevoegd, dat in de ordonnantie van den magistraat van 24 Januari 1488, waarbij de bevoegdheden der gilden geregeld werden, bepaald was, dat twee personen uit den raad en twee uit de burgerij het bestuur van elk der drie gasthuizen zouden uitmaken *  . Veel verandering is vóór den aanvang der 19e eeuw in die besturen niet gekomen. Bij besluit van 8 Februari 1808 werd het bestuur der verschillende gasthuizen opgedragen aan den burgemeester als president, een wethouder en twee andere leden *  . In den Franschen tijd verving de maire den burgemeester en na het herstel onzer onafhankelijkheid werd bij besluit van 8 Januari 1816 aan elk der gasthuizen een bestuur gegeven, bestaande uit twee burgemeesters en twee raden *  . Tengevolge van de opheffing van het college van burgemeesters in 1824 werd het oppertoezicht van elk der gasthuizen opgedragen aan den burgemeester en een wethouder *  .
Bij besluit van September 1829 werd een Algemeen Armbestuur ingesteld, waaronder ook de directies der verschillende gasthuizen zouden worden vereenigd *  . In verband hiermede besloot het Algemeen Armbestuur in 1833 om de behandeling van alle de gasthuizen betreffende aangelegenheden op te dragen aan een speciale commissie, zich noemende Gecommitteerden tot de zaken van het gasthuis *  . Dit bestuur bleef onveranderd tot het jaar 1855. In dat jaar werd het Algemeen Armbestuur in verband met art. 4 der wet van 28 Juni 1854 (Staatsblad 100) en art. 147 der wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad 85) opgeheven en vervangen door een Burgerlijk Armbestuur. De drie gasthuizen werden toen onder één bestuur vereenigd; in het desbetreffende reglement werd bepaald, dat het bestuur zou worden opgedragen aan vijf leden van het gemeentebestuur, waaronder minstens één lid van het college van B. & W. Het voorzitterschap zou bij den burgemeester of een der wethouders berusten. Het bestuur zou door den gemeenteraad worden gekozen; evenzoo benoemde de raad den rentmeester. Ieder gesticht zou in het bezit blijven van zijn bijzondere eigendommen, terwijl ook over elk gesticht een afzonderlijk beheer zou, worden gevoerd *  . Bij raadsbesluit van 17 Augustus 1867 werd dit bestuur gewijzigd, zoodat het sedert dien bestaat uit zeven leden, waaronder minstens twee leden van den raad.
Aangezien in 1855 een nieuw archief van het vereenigd bestuur gevormd is, zijn de archieven der drie gasthuizen tot aan den datum dier vereeniging hierna beschreven, zulks in afwijking van den einddatum van 31 December 1859, welke voor de andere Arnhemsche archieven is aangenomen; In het jaar 1928 zijn gedeelten der archieven van vóór 1855, welke nog in het gebouw van het Catharinae gasthuis bewaard werden, vereenigd met het gedeelte, dat sedert jaren bij het oud-archief der gemeente Arnhem gedeponeerd was. Het Weduwenhuis over den Broeren was oorspronkelijk een particuliere stichting. In het jaar 1611 werd het beheer van dat huis, ook wel Naell Tynnegieter stichting genoemd, aan den magistraat overgedragen. Het bleef echter een op zich zelf staande stichting onder beheer van enkele leden van den magistraat, zoodat het archief ook onder de gedeponeerde archieven kon worden opgenomen, in tegenstelling bijv. met de weinige overgebleven archivalia van het Nassausch Weduwenhuis, dat in eigendom aan de stad Arnhem is overgegaan. Het archief van laatstgenoemd Weduwenhuis behoort derhalve als onderdeel van het oud-archief der gemeente te worden beschouwd.
De veranderingen in het bestuur van het Weduwenhuis over den Broeren houden gelijken tred met die in de besturen der drie gasthuizen; uitvoerig vindt men hierover gesproken bij het archief zelf. De Fundatiën Tulleken zijn eveneens in deze afdeeling behandeld; het zijn geen gestichten, doch beurzen; welke het geven van vaste uitkeeringen beoogen. Over de geschiedenis dezer fundatiën, welke onder een afzonderlijk beheer staan, wordt in de inleiding tot haar archief het noodige medegedeeld. Nog moet herinnerd worden aan het archief van het Van Dortmondts Weduwenhuis, dat echter niet in deze afdeeling is opgenomen, doch te vinden is achter het archief van het St. Josephs- of Timmerliedengilde *  . De verhouding van dit Weduwenhuis tot genoemd gilde is aanleiding geweest om het daarbij te behandelen. De archieven van andere in de stad gevestigde gast- of weduwenhuizen, zooals het St. Nicolaas' gasthuis, het Bentincks Weduwenhuis, het J. van Berchems of R. C. Weduwenhuis, alsmede van het Leyendeckers Weduwenhuis, waarvan in het jaar 1587 wordt gesproken *  , zijn niet bij het Arnhemsche archief gedeponeerd. Over het archief van het Nassausch Weduwenhuis is hierboven al het een en ander medegedeeld.
Archieven van gilden, schutterijen en vendels
Op welken tijd de ambachtsgilden te Arnhem tot stand zijn gekomen, is niet met zekerheid te bepalen. De stadsrekeningen leveren voorbeelden te over van handwerken, welke in de stad zijn uitgeoefend, en van neringen, welke er gedreven zijn, zonder dat nochtans vóór de 15de eeuw sporen van gilden worden aangetroffen. Ongetwijfeld zullen de ambachtsgilden zich, evenals elders, ontwikkeld hebben tegelijk met of uit de broederschappen, die een altaar in de kerk hadden en waarvan reeds in vroegen tijd hier en daar sporen worden aangetroffen. In Arnhem is de meest bekende dier broederschappen de St. Nicolaas' broederschap, waarvan reeds in 1352 wordt melding gemaakt; in een acte van deze broederschap van het jaar 1387 wordt, naast huismeesters en raadslieden, van gildemeesters gesproken *  .
Behalve deze, thans nog bestaande broederschap, hebben in de Groote Kerk tal van dergelijke corporaties altaren gehad, waarvan, zonder ze alle bij naam te vermelden, een ordonnantie van het jaar 1480 gewag maakt *  . Wat nu de ambachtsgilden aangaat, is er een vermoeden, dat er in den loop der 14de en 15de eeuw pogingen zijn aangewend, om hun bestaan officieel erkend te zien. Naar alle waarschijnlijkheid wijzen hierop een drietal oorkonden uit het jaar 1406, waarin een aantal burgers van Arnhem o.a. tegenover den hertog en den magistraat de gelofte afleggen, zich niet meer tegen hen te zullen verzetten en waarbij zij beloven, niet dan met hun toestemming "gilde te hebben off vergaderinge", terwijl bij niet nakoming dezer gelofte de inbreukmakers hun burgerrecht en goederen zouden verliezen *  .
Van eenig optreden der gilden naar buiten blijkt ook in de eerste helft der 15de eeuw niet, totdat in het jaar 1466 niet alleen van gilden wordt gesproken, maar blijkt, dat zij in dat jaar zelfs politieken invloed hebben uitgeoefend. Er is eenige reden om aan te nemen, dat dit optreden in 1466 een novum was, waarvan de aanleiding gezocht moet worden in de gebeurtenissen van dat jaar. De stad Arnhem toch had den eed van trouw afgelegd aan Willem van Egmond, die de stad in naam van zijn gevangen genomen broeder hertog Arnold had overrompeld; uit protest over dien eed hadden de richter en negen van de twaalf schepenen de stad verlaten. Uit een post in de stadsrekening van dat jaar blijkt nu, dat op den Donderdag na Assumptio Mariae (1466 Augustus 21) Willem van Egmond, de schepenen, voor zooverre aanwezig, en de gilden "te rade waren om enen nyen raet te kyesen".
Blijkbaar heeft Willem van Egmond de burgerij, vertegenwoordigd in hare gilden, gunstig willen stemmen ten opzichte van zijnen lastgever, hertog Arnold , door haar invloed op de benoeming van het stadsbestuur te geven. Erkenning der gilden vond ook plaats in het verdrag van het volgend jaar, 1467, waarbij hertog Jan van Kleef, Willem van Egmond en diens zoons, en burgemeesters, schepenen en raad, gildemeesters, gilden en de geheele gemeente zich verbonden tot onderlinge hulp tegen hertog Adolf *  . Maar niet lang zou het nieuwe democratische beginsel van toepassing blijven, want reeds in 1468, bij den zoen tusschen hertog Adolf ten eenre en Willem van Egmond met zijn zoons en de stad Arnhem ter andere zijde, werd de vroegere toestand weder hersteld; de gilden moesten den hertog trouw zweren, waarbij de bepaling in het verdrag was opgenomen, dat alle verbonden, geloften en eeden tusschen Willem van Egmond en de stad gemaakt, zouden worden vernietigd *  .
Hoewel de gilden na dien tijd zich ongetwijfeld beijverd zullen hebben om het eens verworven recht weder terug te krijgen, mocht hun dit in de eerstkomende jaren na 1468 niet gelukken. Na den dood van hertog Arnold kwam Gelderland onder Karel den Stoute, die hier een, zij het eenigszins voorbarige, centralisatie invoerde en o. a, aan de steden het recht van vrije schepenkeuze ontnam. Of er na Karel's dood in 1477 maatregelen ten gunste van de gilden werden genomen, is niet bekend. Maar wat wel vaststaat is, dat bij de tweede overrompeling van Arnhem in 1478 door Willem van Egmond niet dadelijk weder werd overgegaan tot de in 1466 ingevoerde nieuwigheid. Uit het verdrag van 1478 tusschen den hertog van Kleef, Willem van Egmond en Arnhem, waarbij de stad zich onvoorwaardelijk voor Maximiliaan verklaarde, blijkt, dat naast burgemeesters, schepenen en raad ook de gilden bij de bezegeling genoemd worden, waaruit dus wel officieele erkenning valt op te maken *  .
De onderwerping van Gelderland aan Maximiliaan van Oostenrijk heeft ten slotte aan de Arnhemsche gilden gebracht, wat zij zoo vurig wenschten. In 1481 deed de vorst zijn intrede in Arnhem en gaf daarna het landsbestuur over aan zijn stadhouder Adolf van Nassau-Idstein. Deze schijnt reeds in 1482 uit naam van Maximiliaan verklaard te hebben af te zien van het recht, om op den keurdag der schepenen niet alle aftredenden opnieuw aan te stellen, maar aan den magistraat over te laten naar oude gewoonte te handelen *  . De magistraat, behoudend als hij was, wachtte zich wel om onder die oude gewoonte den tijdelijken toestand van 1466 te verstaan, maar de gilden bleven bij Maximiliaan op grooteren invloed aandringen en vonden bij hem, die zich beijverde de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te winnen door het geven van veelal democratisch getinte voorrechten, ten slotte gehoor. Trouwens, de Arnhemsche gilden konden zich beroepen op den toestand te Roermond en vooral te Nijmegen, waar zonder medewerking van de gildemeesters geen zaken van belang konden worden verricht en waar zij het recht hadden den nieuwen raad te kiezen. In navolging van de vroeger aan deze steden verleende rechten, stond Maximiliaan in 1487 aan Arnhem toe, dat daar voortaan zes gilden zouden mogen zijn; dat ieder jaar 12 personen uit die gilden moesten worden voorgedragen, waaruit de vorst of zijn stadhouder dan zes gildemeesters zou kunnen kiezen, en dat verder de gilden dezelfde rechten zouden hebben als die te Nijmegen en Roermond *  .
Als gevolg van de verleening van dit privilegie vonden er, hetgeen te zien valt uit tal van posten m de stadsrekeningen, besprekingen plaats tusschen de burgemeesters en gildemeesters van Arnhem met die van Nijmegen, ten einde de inrichting van het gildewezen van laatstgenoemde regten ende privilegiën der vrije stadt Arnhem, enz., Arnhem, 1703. stad te kunnen bestudeeren *  . Het resultaat van dit overleg, waarin ook de magistraat van Zutphen werd betrokken, was, dat richter, burgemeesters, schepenen en raad op 24 Januari 1488 een ordonnantie op de gilden uitvaardigden *  .
De voornaamste bepalingen van dezen brief waren, dat de gildemeesters mede toestemming moesten verleenen bij het sluiten van vrede of het verklaren van oorlog, alsmede bij stroomafsluiting; voorts bij het verkoopen van renten of van goederen der stad en het opleggen van schattingen. De zes gildemeesters zouden op werkdagen steeds in den raad mogen verschijnen; in sommige gevallen hadden zij een recht van uitspraak in laatste instantie. Van de kist, waarin het grootzegel der stad lag, hadden zij een der drie sleutels onder hun berusting. Jaarlijks op St. Agnes' dag (21 Januari) zouden de zes gildemeesters met twaalf personen uit de gilden drie candidaten voor het rentmeesterschap kiezen. Uit dit drietal moest de raad den dag na St. Pauls dag conversio (25 Januari) één stadsrentmeester kiezen, die den raad en de gildemeesters trouw moest zweren; nevens dezen moest de raad nog een tweeden rentmeester uit zijn eigen midden kiezen. Jaarlijks moesten deze twee rekeningen indienen, één aan den raad en één aan de gildemeesters. Bij de afhooring der rekeningen moesten de gildemeesters aanwezig zijn.
Uit den raad en uit de burgerij ieder zouden twee personen worden aangewezen om het toezicht te hebben over de drie gasthuizen en de zielbroederschap van de spinding; de rekening en verantwoording zou op dezelfde wijze geschieden als bij de stadsrekeningen. Tenslotte mochten schepenen en raad met de gildemeesters de ordonnantiën op de neringen en ambachten maken. Noch in den brief van Maximiliaan van 1487, noch in de ordonnantie van 1488 worden de zes gilden met name genoemd; zij zijn echter te leeren uit een acte van het jaar 1499 *  , uitgevaardigd door gildemeesters, gemeene burgers en ingezetenen van Arnhem, waarbij de gilden elkaar hulp toezeggen en waarbij tevens de rangorde in de processie, waarover o.a. in 1490 tusschen de schoenmakers en de drapeniers ernstig geschil was gerezen *  , wordt vastgesteld. Onder die zes gilden zijn alle ambachten of neringen van die dagen ondergebracht. Een gilde van het jaar 1487 is dus niet meer een vereeniging van personen, die hetzelfde ambacht uitoefenen of dezelfde nering drijven, maar een politieke organisatie, als het ware te vergelijken met een kiescollege. Wanneer in later jaren een nieuw ambacht of een nieuwe nering in de stad gevestigd werd, moesten die onder een dier zes gilden worden ondergebracht. Dit verklaart het feit, dat in sommige dier gilden ambachten, die niet aan elkaar verwant zijn, worden aangetroffen.
In den loop der jaren is eenige malen verandering gekomen in de wijze van verkiezing der gildemeesters., In 1547 werd besloten, dat uit de St. Nicolaas' broederschap en uit de drie schutterijen elk twaalf personen zouden worden aangewezen, uit welke achtenveertig personen burgemeesters, schepenen en raad er vierentwintig moesten kiezen. Uit dit vierentwintigtal zou de raad dan zes gildemeesters aanwijzen, van wien aan elk der gilden er één zou worden toegewezen. Deze zes gildemeesters zouden samen met de achttien overblijvenden in de belangrijke aangelegenheden der stad mede beslissen *  .
In 1558 is in deze regeling verandering gebracht en bepaald, dat de gildemeesters ieder jaar op St. Agnes' dag (21 Januari) achtenveertig personen uit de St. Nicolaas' broederschap, uit de drie schutterijen of uit de burgerij zouden aanwijzen, uit welk aantal de raad vierentwintig gemeenslieden zou kiezen *  . Deze zouden met de gildemeestes in alle zaken, de stad of het gemeenebest betreffende, mede beslissen mogen. Voorts zouden de gildemeesters op denzelfden dag aan den raad zes personen voordragen, waaruit deze er drie tot nieuwe gildemeesters zou kiezen, zoodat dus om het jaar de helft der gildemeesters zou aftreden. Nog dient te worden opgemerkt, dat sedert 1547 den gildemeesters ruggespraak met de gilden verboden was. Het getal der gemeenslieden is later uitgebreid en bestond in 1595 uit achtenveertig personen *  .
Uit het voorgaande blijkt, dat de ontwikkeling van het gildewezen in Arnhem punten van overeenkomst vertoont met dat in de stad Utrecht, waar echter de ontwikkeling eenige eeuwen vroeger plaats vond, omdat daar reeds in 1528 aan de gilden alle politieke invloed ontnomen was. Met de gilden in de groote steden van Holland, zooals Leiden en Dordrecht kan de Arnhemsche toestand geenszins vergeleken worden. In die steden toch hadden de gilden in het geheel geen politieke beteekenis; hoogstens hadden zij het recht een der sleutels van de stadskist te mogen bewaren. De oorzaak van dit verschil ligt eenigermate voor de hand. De leiders van de groote bedrijven in de Hollandsche steden waren vaak zulke belangrijke personen, dat het geen verwondering wekt, als men hen in den stedelijken raad ziet zitting nemen. Maar in Arnhem, waar dergelijke grootbedrijven nimmer hebben bestaan, vormde in de middeleeuwen slechts de werkende stand de gilden en het is te begrijpen, dat deze op den duur gingen ijveren voor medezeggingschap in het bestuur der stad, welker magistraat bij uitsluiting was samengesteld uit het aristocratische gedeelte der bevolking, dat er een bijna onbeperkt gezag uitoefende.
De medewerking der gildemeesters aan het bestuur der stad bleef voortduren tot het jaar 1675. Na in 1672 door de Franschen te zijn bezet, werd Gelderland in 1675 weder in de Unie opgenomen op voorwaarde, dat het gewest zich zou onderwerpen aan de invoering van een regeerings-reglement, waarbij aan den stadhouder de onbeperkte magistraatsbestelling werd gegeven *  . Het college van gemeenslieden bleef, evenals vroeger, uit 48 leden bestaan, doch deze leden werden voor hun leven aangesteld en de stadhouder behield zich het recht voor, de opengevallen plaatsen aan te vullen. Na den dood van den stadhouder in 1702 werd het regeerings-reglement afgeschaft en ontstond ook in Arnhem een beweging om de burgerij meer aandeel in het stadsbestuur te geven. De gezworen gemeente, bestaande uit achtenveertig personen, werd weder in haar vorig gezag hersteld *  .
De vergaderingen van het college werden door den oudsten gildemeester belegd. Van de zes gildemeesters traden er jaarlijks als van ouds drie af; de opengevallen plaatsen werden door den magistraat aangevuld uit een dubbeltal, dat door de aftredende en aanblijvende gildemeesters en door twaalf gardianen uit de gilden werd aangewezen. Tot het jaar 1795 hebben gildemeesters en gezworen gemeente of gemeenslieden hun invloed behouden, welke voornamelijk bestond in medewerking bij de vervreemding van stedelijke eigendommen, verkiezing van magistraatsleden en toezicht op het beheer der geldmiddelen. Tot zoover over den politieken invloed der gilden. Zooals reeds hierboven is medegedeeld, moest, wanneer er in den loop der jaren een nieuw ambacht in de stad ontstond, dit onder één der zes gilden worden ondergebracht. Vooral na den opstand tegen Spanje zijn er nieuwe ambachten ontstaan, soms wel door afsplitsing van reeds bestaande. Ook zijn aan het einde der 16de eeuw door den magistraat aan de bestaande ambachten nieuwe gildebrieven uitgereikt. Bij art. 53 van de Staatsregeling van 1798 werden alle "gilden, corpo-ratiën of broederschappen van neeringen, ambagten of fabrieken" opgeheven en bij publicatie van het Uitvoerend Bewind van 5 October van hetzelfde jaar werd hunne ontbinding nader geregeld.
Naar aanleiding van deze publicatie benoemde de magistraat op 8 October een commissie, bestaande uit de heeren Staring en Troost, die advies moest uitbrengen hoe het beste aan het artikel uitvoering zou kunnen worden gegeven *  . Kort daarna besloot de magistraat, conform het uitgebracht advies, tot de aanstelling van eenige provisioneele commissarissen, die de administratie zouden moeten overnemen; zij zouden binnen veertien dagen aan het gemeentebestuur moeten doen toekomen een opgave van den aard en de gesteldheid der opgeheven gilden en van het gebruik, dat van hunne fondsen werd gemaakt, welke opgaven aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigd Lichaam zouden worden ingezonden *  .
Ook de Staatsregeling van 1801 bepaalde in art. 4, dat alle gilden of broederschappen afgeschaft zouden blijven. Daarop volgde een publicatie van den magistraat van 7 Januari 1805, waarbij algemeene regelen omtrent de uitoefening der ambachten werden gegeven *  . Hierbij werden de verschillende ambachten en neringen ingedeeld in acht klassen, aan welker hoofd drie of vijf directeuren werden gesteld. Voorts zou o.a. bij iedere klasse een bode worden aangesteld, om tegen den verkoop van waren langs de straten en aan de huizen te waken. Bij iedere klasse moest een register van de namen der ambachtslieden worden aangelegd. Als gevolg van deze publicatie werden op 25 Februari 1805 de verschillende directeuren door den magistraat aangesteld. Ondanks hun officieele opheffing mochten de gilden zich in de volgende jaren toch voortdurend in de publieke belangstelling verheugen. Bij Koninklijk decreet van 30 Januari 1808 kwam een wet tot stand, die de inrichting van neringen, ambachten en bedrijven regelde. Artikel 12 dier wet schreef voor, dat de gildekeuren herzien moesten worden en dat nieuwe reglementen moesten worden ingediend. In verband hiermede zond de magistraat van Arnhem in het einde van het jaar 1808 deze gewijzigde reglementen aan den Landdrost van Gelderland, die ze in begin van het volgende jaar aan den Minister van Binnenlandsche Zaken stuurde *  .
In 1811 werd, blijkens een missive van den Intendant van Binnenlandsche Zaken aan den Prefect, bepaald, dat de gildezaken voorloopig zouden blijven, zooals bij de wet van 30 Januari 1808 was bepaald *  . Dit besluit werd op 29 April d. a. v. aan de onder-prefecten en andere autoriteiten medegedeeld. Eindelijk werden bij Koninklijk Besluit van 26 Juli 1820 (N°. 74) diverse bepalingen vastgesteld, inhoudende de wijze van verevening der fondsen en verdere bezittingen van de voormalige gilden. Burgemeesters van Arnhem gaven in September uitvoering aan deze wettelijke bepalingen en verzochten vóór 1 November staten van de eigendommen en fondsen te mogen ontvangen *  . Vervolgens werden bij raadsbesluit van 3 Februari 1821 o. m. maatregelen genomen betreffende de verevening en het toekomstig beheer van de kassen der verschillende voormalige gilden, een reglement vastgesteld betreffende de bijdragen tot instandhouding der bedoelde fondsen, een instructie opgemaakt voor de commissarissen der voormalige gildefondsen en tenslotte een verrekening gemaakt tusschen de fondsen van het St. Josephs- of Timmerliedengilde en het van Dortmondt's Weduwenhuis, waarvan, zooals hierna valt te zien, de administratie in dezelfde handen berustte als van genoemd gilde *  .
Een zevental gildefondsen is tot op den huidigen dag in stand gebleven; het zijn thans zieken- en begrafenisfondsen. De commissarissen, die door burgemeester en wethouders benoemd worden, moeten jaarlijks aan het gemeentebestuur rekening en verantwoording afleggen; van de batige sloten worden inschrijvingen op het Grootboek aangekocht. Voor de toelating tot de voormalige gilden, het zoogenaamde winnen van een gilde, waren algemeen geldende bepalingen vastgesteld. Behalve bedragen in geld moest iedere nieuwe gildebroeder een leeren brandemmer inbrengen. Dit stond in verband met de verplichte hulpverleening der gilden bij brand in de stad. In verschillende ordonnantiën staat aangegeven, dat bovendien de gilden elk een ladder, een haak en een gaffel moesten hebben klaar liggen *  . Verschillende dezer voorwerpen worden met andere, welke van de voormalige gilden en schutterijen afkomstig zijn, thans in het gemeentemuseum te Arnhem bewaard; in de Groote Kerk hangen voorts eenige gildeborden en bevinden zich nog een aantal gildetafels, welke dienst deden bij de wekelijksche uitdeelingen in natura door de onderscheidene gilden. Alle gildebroeders waren verplicht een harnas of roer te hebben, welk krijgsgerei bij de jaarlijksche „heerschouwing" zou worden geïnspecteerd. Het behoeft geen betoog, dat deze verplichting nog stamt uit den tijd, toen de gilden mede moesten werken aan de verdediging der stad. Toen de vendels opgericht werden, deelde men de gildebroeders daarbij in.
Tengevolge van art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 Juli 1820 zijn eenige gildenarchieven bij het gemeentebestuur ingeleverd, doch lang niet alle besturen hebben aan deze verplichting voldaan; in latere jaren zijn echter nog archieven of gedeelten van archieven vrijwillig overgedragen. Bij de vaststelling van de volgorde der beschrijving is aangenomen de rangorde, welke de verschillende archieven innamen in den brief van het jaar 1499 *  ; aangezien van de oude ambachten de stichtingsbrieven niet bewaard zijn, was een indeeling naar den tijd van oprichting niet mogelijk. Van de ambachten, waarvan geen archieven bewaard zijn, kunnen hier genoemd worden het Weversgilde en het Voerliedengilde; van het eerstgenoemde is een gildebrief van 16 April 1591 bekend. Tot nu toe is uitsluitend gesproken over de ambachtsgilden; te Arnhem heeft, evenals elders, nog een ander soort gilden bestaan, te weten de schuttersgilden. Deze stelden zich de wapenoefening ten doel en stonden, wanneer het noodig was, gereed om aan de verdediging der stad deel te nemen.
In Arnhem worden schutters het eerst aangetroffen in een post in de stadsrekening van het jaar 1369; de organisaties zullen wel ouder zijn geweest. In genoemd jaar is sprake van oude en jonge schutten, die op den papegaai schieten. In den loop der eeuwen treft men die schuttersgezelschappen herhaaldelijk aan; in 1376 is er sprake van een derde soort schutters; in 1377 wordt onderscheid gemaakt tusschen de oude, de jonge en de allerjongste schutters en in 1400 van de "schutten mitten ancker", waaronder waarschijnlijk de latere schiplieden- schutters of Oude Kraniers zijn te verstaan. Zoo worden in de stadsrekeningen telkens weer vereenigingen van schutters aangetroffen (gelijk in het laatste kwartaal der 15de eeuw de klompschutters, die met den klomp werpen), welke na korteren of langeren tijd verdwijnen, totdat er tenslotte drie blijken te hebben stand gehouden, die in latere jaren ieder een doelen bij de wallen der stad hadden, waar zij geregeld oefenden *  . De magistraat heeft meerdere malen bepalingen betreffende de schutters uitgevaardigd, welke in het Statutenboek der stad zijn te vinden; evenzoo zijn de ordonnanties van eenige schutterijen, waaruit hun organisatie valt te kennen, bij voorkomende gelegenheden door den landsheer goedgekeurd *  .
Van de schutterijen, welke in de 18de eeuw in de stad of in het schependom nog bestonden, zijn slechts de archieven of gedeelten der archieven bewaard van de Oude Kraniers, de St. Joosten schutters, beiden binnen de stad gevestigd, en van de schutterij van de St. Anthoniebroederschap en Monnikhuizerbeek, alsmede van de St. Jansbeek in het schependom. Van het archief van de schutterij van de Klingelbeek, eveneens in het schependom, is niets bewaard gebleven. In het laatst der 18de eeuw hadden de schutterijen tengevolge der politieke beroeringen moeite om te blijven voortbestaan. Zij waren toen al voornamelijk te beschouwen als ziekenbussen en begrafeniskassen voor de aangesloten leden. Over den invloed van de schutterijen in de stedelijke aangelegenheden is boven reeds gesproken. De bevolking heeft steeds mede moeten helpen aan de verdediging der stad. Een aanteekening van 1481 doet ons zien, dat o.a. in dat jaar alle burgers werden opgeschreven, om de wacht te houden *  , maar afgezien van nog enkele andere verspreide aanteekeningen en van hetgeen hierboven bij de schutterijen is medegedeeld, blijkt niet van een geregelde organisatie en indeeling der burgerij met betrekking tot dit doel. In den tijd van den opstand tegen Spanje schijnt hierin verandering te zijn gekomen. In 1572 werd bevolen opteekening te doen van de weerbare burgers, die toen in rotten waren ingedeeld *  ; dit waren kleine afdeelingen; zij kwamen o.a. in het jaar 1566 voor *  .
Eenige jaren na 1572 worden te Arnhem burgervendels aangetroffen, welke ieder een betrekkelijk groot aantal burgers omvatten, aangezien de geheele burgerij over deze vendels, zes in getal, was verdeeld. Deze zes vendels waren: het Turfstraat-, Oeverstraat-, Rijnstraat-, Bakkerstraat-, Ketelstraat- en het Koningstraat-vendel. Deze vendels waren weer in rotten onderverdeeld. De bestaande schutterijen werden met de nieuw opgerichte vendels versmolten; eenige van hen bleven als particuliere vereenigingen voortbestaan. De zes vendels stonden onder bevel van twee kolonels, die tevens schepenen der stad waren; bij ieder vendel waren een hopman, luitenant en vaandrig ingedeeld. Wanneer officieren bij de vendels moesten worden aangesteld, maakten de kolonels een nominatie op, waaruit de magistraat kon kiezen *  . Hetzelfde was het geval met de rotmeesters *  .
De vendels hadden, evenals de gilden, eenigen politieken invloed; zoo verklaarden in 1579 de zes vendels, daartoe opgeroepen, te willen blijven bij de Nadere Unie van Utrecht *  .De functie der beide kolonels was niet louter een militaire; zoo moesten de rekeningen der vendels sedert 1666 aan hen ten overstaan van drie hoofdofficieren worden gedaan *  . Bij de inning van het hoofd- en haardstedengeld werd gebruik gemaakt van de indeeling der geheele burgerij over de zes vendels. Voorts was in ieder vendel de controle over de brandemmers, welke in de huizen aanwezig moesten zijn, opgedragen aan de kolonels en de betreffende hoplieden.
Behalve de behartiging van verschillende buurtbelangen, werd in ieder vendel zorg gedragen voor de onder voogdij gestelde minderjarigen; de kolonels hielden op het beheer van de voogden toezicht. Van twee der bovengenoemde vendels zijn hierna archiefstukken beschreven; nog kan worden opgemerkt, dat in de bibliotheek van het Arnhemsch Genootschap van Oudheidkunde een wapenboek van het vendel van de Koningstraat berust. Het Genootschap bleek niet bereid te zijn dit boek bij het oud-archief der gemeente te deponeeren; aan het gemis ervan wordt tegemoet gekomen door de omstandigheid, dat de inhoud ervan meerdere malen is afgedrukt *  .
 
 
 
 
 
2001   Gasthuizen en gilden in Arnhem
Archieven van gasthuizen en fundatiën
Archieven van gilden, schutterijen en vendels
Regesten
Lijst van kaarten en teekeningen
 
 
 
 
 
2001   Gasthuizen en gilden in Arnhem
Datering:
  1380-1916
Auteur:
  D.P.M. Graswinckel