Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
Uw zoekacties: Familie thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg Admiraliteit te Veere
 243 Admiraliteit te Veere ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
243   Admiraliteit te Veere
1.  De ontwikkeling van de admiraliteit in de Nederlanden
In de Nederlanden liep Vlaanderen voorop bij het tot ontwikkeling brengen van een admiraliteit. Jan de Buuc (1383-1398) was de eerste permanente admiraal van Vlaanderen *  . Zijn voorgangers bekleedden deze functie slechts voor de duur van de oorlogshandelingen. Jan de Buuc en zijn opvolgers hadden uitsluitend tot taak de koopvaardij te beschermen en toezicht te houden op de kaapvaart. Het uitreiken van kaperbrieven behoorde niet tot hun bevoegdheid. Als tegemoetkoming in de kosten ontvingen de Vlaamse admiraals het tiende deel van de genomen prijzen. Verschillen van mening over buit- en strandrecht werden voorgelegd aan de gewestelijke raden of aan de plaatselijke schepenbanken. Onder de Bourgondische hertog Filips de Goede werden stappen gezet in de richting van één centrale instelling, die moest toezien op de regeling van de zeezaken in de Nederlanden. Een eerste stap was de benoeming door de hertog van Jan van Luxemburg, lid van de raad van de vorst, rond het jaar 1448 als "general admiral de la mer d'Artois, de Boulenois, de Hollande, Zeelande et Frise" *  .
Hierop volgend kreeg in het jaar 1454 de Grote Raad van Mechelen de competentie van admiraliteitsraad en ging zich bezig houden met de kaapvaart, koopvaardij, represailles op zee, het verstrekken van vrijgeleides en vredesverdragen. De Raad gold tevens als hoogste beroepsorgaan inzake zeezaken *  . Vlaanderen behield echter het recht een eigen admiraal te benoemen.
Rond het jaar 1440 kwam het geslacht Van Borselen op als een belangrijke machtsfactor in de Zeeuwse en Nederlandse wateren. Hendrik van Borselen (1420-1474), heer van Veere, stond bekend als een expert in maritieme zaken *  . Hij leidde in 1438 een succesvolle Zeeuwse kaapvaart tegen de Wendische steden. Zeven jaar later bracht Hendrik het tot "lieutenant-general sur le fait de la guerre de la mer" van de Franse koning. In 1470 bevond hij zich weer in Bourgondische dienst en streed als vloothoofd, met de titel "stedehouder-generael ende capiteine van ziner wapeninge... by der zee", onder Karel de Stoute tegen de Engelse graaf van Warwick. Deze graaf maakte de zee onveilig en had vele uit de Nederlanden afkomstige koopvaardijschepen gekaapt. Hendrik van Borselen trad zelfstandig op en hij gedroeg zich op maritiem gebied bijna als de gelijke van de Bourgondische hertogen, gesteund door zijn machtsbasis Walcheren waar hij alle belangrijke steden beheerste, op Middelburg na *  .
Een belangrijk succes voor de Van Borselens was het binnenhalen van de Schotse stapel te Veere kort na 1444. In dat jaar trouwde Hendrik's zoon Wolfaart met Mary Stuart, de dochter van de Schotse koning James I. De stapel bleef -met enkele onderbrekingen- te Veere gevestigd tot in de 18e eeuw *  .
De Bourgondische hertogen konden bij hun zeepolitiek niet meer om dit geslacht heen en in 1466 werd heer Wolfaart de opvolger van de admiraal-generaal Jan van Luxemburg. Naast hem bleef een Vlaamse admiraal functioneren *  .
In 1485 werd Wolfaart opzij geschoven en vervangen door een trouwe volgeling van Maximiliaan van Oostenrijk. Filips van Kleef, werd de nieuwe "admiral de la mer" met inbegrip van Vlaanderen *  Vijf jaar later vervingen de Bourgondische hertogen Filips van Kleef door Filips van Bourgondië, heer van Beveren en echtgenoot van Anna van Borselen. Door dit huwelijk -en het gebrek aan andere erfgenamen- verkreeg hij de heerschappij over de stad Veere. Inmiddels had Maximiliaan van Oostenrijk op 2 febr. 1488 een belangrijke ordonnantie uitgevaardigd, met de bedoeling de admiraliteit eens en voorgoed als staatsinstelling te organiseren *  . Deze instelling moest de kaapvaart beteugelen en het takenpakket van de admiraal afbakenen *  .
in 1558 verplaatst naar Gent. Tot die datum bekleedden leden van het geslacht Bourgondië, heren van Beveren en Veere, voortdurend de functie van admiraal (Filips I, 1488-1498; Filips II, zijn oom, 1498-1516; Adolf, zoon van Filips I, 1516-1540 en Maximiliaan, 1540-1558). De nakomelingen van een andere Bourgondische tak, Van Wakkene-Kapelle, bekleedden continu het ambt van vice-admiraal *  .
Holland weigerde om de ordonnantie op de admiraliteit te publiceren. Onder druk gezet door de pas aangestelde admiraal Filips II van Bourgondië stuurde hertog Filips zijn "huisser d'armes" Jaques de Laubel in 1499 naar het gewest Holland met de opdracht de genoemde ordonnantie te doen publiceren *  .
De stad Amsterdam week aanvankelijk voor de uitgeoefende druk en aanvaardde het gezag van de admiraliteit van Veere in april 1499. Aan het einde van dezelfde maand trok de stad echter zijn beslissing weer in en vormde met de andere Hollandse steden één front tegen de afkondiging, omdat ze de ordonnantie zagen als een inbreuk op de bestaande gewoontes en gebruiken in Holland. De stad Middelburg in Zeeland stelde zich evenzo weigerachtig op en sloot zich aan bij het oordeel der Hollandse steden. Tot de aanvaarding van het gezag van de Veerse admiraal door Holland in 1547 bleef voor dit gewest het Hof van Holland het meest voor de hand liggende recht sprekende college op het gebied van de kaapvaart en andere zeezaken. Daarnaast was het mogelijk een zaak direkt voor de Grote Raad te brengen *  .
In het jaar 1540 vaardigde keizer Karel V een nieuwe ordonnantie uit op het zeewezen, welke de privileges en taken van de admiraal beperkte: de kaapvaart, het verlenen van paspoorten (behalve aan gevangenen) en de konvooien kwamen rechtstreeks onder het gezag van de keizer *  .
Karel V had met deze ingreep op het oog het gezag van de admiraal voor Holland acceptabel te maken. Toch werd ook deze ordonnantie alleen in Zeeland en Vlaanderen gepubliceerd *  .
Het gezag van de admiraal werd verder aangetast door de benoeming van een "super intendent" in 1536 door Karel V in de persoon van Cornelis de Schepper, lid van de geheime raad. De Schepper (Scepperus) moest het lange termijnbeleid gaan bepalen en kreeg het toezicht op de uitrusting en organisatie van de vloot *  . Zo stelde hij bijvoorbeeld in 1552 een memorie op over de verdediging van Holland, Zeeland en Vlaanderen in de oorlog tegen Frankrijk *  .
Holland aanvaardde het zeegezag van Maximiliaan van Bourgondië uiteindelijk in 1547, maar alleen vanwege het feit dat hij stadhouder van hun gewest geworden was.
Alhoewel Middelburg de publicatie van de ordonnantie van 1540 toeliet, bleef de stad toch pogingen ondernemen om onder het gezag van de Admiraliteit van Veere uit te komen. Rond het jaar 1547 diende de Zeeuwse stad bij keizer Karel V een voorstel in om voor Zeeland een nieuwe rechtbank op te richten met als standplaats Middelburg *  . Dit hof zou moeten gaan oordelen -naast tal van andere zaken- over "alle zaken van justitie, die by den admirael of de admiraliteit werden berecht". De te voeren naam zou moeten worden "Raad van de admiraliteit van Zyne Majesteit, omdat deselfden naeme met den eylanden van Zeelandt, huerlieder negotiatie ende traficque zeer overeencompt". Dit plan moet gezien worden als een poging van het stadsbestuur van Middelburg om de Raad der Admiraliteit los te weken uit de omarming van de heren van Veere, die alle belangrijke Zeeuwse steden beheersten op Middelburg na, en de Raad meer oog te laten krijgen voor de belangen van die stad.
Maximiliaan, de laatste admiraal uit het huis van Bourgondië-Beveren, stierf op 4 juni 1558. Hij liet geen opvolgers achter, maar wel een gigantische schuldenlast, veroorzaakt door een uitbundige levensstijl met een grote hofhouding. De regeling van zijn sterfhuis zou nog vele jaren in beslag nemen *  . Een jaar later op 8 augustus 1559 werd Filips van Montmorency, graaf van Hoorne, admiraal-generaal. Deze vroeg toestemming de hoofdzetel van de Raad van Veere naar Gent over te brengen en tevens twee leden van de Raad van Vlaanderen te mogen aanstellen om in de Admiraliteitsraad zitting te nemen. Dit werd hem 25 augustus 1560 toegestaan *  .
Blijkens een rechtzaak in hoger beroep voor de Grote Raad functioneerde de Gentse Admiraliteitsraad in ieder geval in het jaar 1562 *  . Me moeten volgens de historicus Craeybeckx deze overplaatsing niet in verband brengen met een tekort aan bekwame juristen in Zeeland, maar eerder met het feit dat Hoorne in Zeeland geen grot.e bezittingen bezat waarop hij kon steunen en dat hij geconfronteerd werd met een provincie Holland die, na de aanstelling van Willem van Oranje als hun stadhouder, weigerde Hoorne als admiraal te ontvangen *  . Over de kwaliteiten van de leden van de Raad van Admiraliteit kunnen we moeilijk oordelen, wel moet er op gewezen worden dat de leden door hun ambten en functies zozeer verbonden waren met de stad en de heren van Veere, dat ze moeilijk loyaal konden werken voor een heer van buiten Veere *  .
In 1574 werd er in Zeeland weer een admiraliteit opgericht, nu echter in Vlissingen gevestigd. Dit hof ontving de bevoegdheid om over alle prijszaken boven de 1000 gulden te oordelen en een admiraal te kiezen *  . In het archief van de Staten van Zeeland bevinden zich nog twee gerechtsrollen (1575-1577) van deze in Vlissingen gevestigde instelling *  .
2.  De admiraal en zijn vice-admiraals
Aan het hoofd van de admiraliteit van Veere stond de admiraal, die belast was met de uitvoerende taken inzake het zeewezen. Bij zijn aanstelling moest hij een eed afleggen voor de landsheer en zich daarbij verplichten zijn ambt uit te oefenen volgens de bestaande regels en gebruiken. Zijn voornaamste taken lagen op het gebied van de uitrusting, reglementering en leiding van de oorlogsvloot, konvooiering van de haringvloot en de beteugeling en regulering van de kaapvaart *  .
De oorlogsvoering op zee hing voor een groot deel af van kapers en vrijbuiters, daar de admiraal vanwege de gebrekkige financiën, niet of nauwelijks over een efficiënte, direkt inzetbare eigen vloot kon beschikken. De kaapvaart werd enigszins gereguleerd door de uitgifte van kaperbrieven, die meestal uitgegeven werden aan groepen van particuliere ondernemers. Een exemplaar van een dergelijke commissiebrief troffen we aan in het archief van de Admiraliteit *  . In deze brief uit het jaar 1558 stond admiraal Maximiliaan toe aan Daniël Roessn. uit Sluys, kapitein van het schip "de Moor" uit Sluys, om tijdens de oorlog met de Franse koning "te vervolgen, achterhalen, crancken ende nemen de Franchoisen ende andren zeeroovers waer hy die sal comen oft weten te vinden". De genomen prijs moest hij brengen "ter kennesse van ons admirael oft van onsen vice-admiralen oft stadthouders inden quartieren daer hy arriveren sal binnen desen Nederlanden". Na de verkoop van de prijs gemaakte goederen verviel het tiende deel aan de admiraal, welke gelden geïnd werden door zijn rent-meester *  . Overtrad een vrijbuiter zijn commissiebrief, indien hij het tiende deel niet afdroeg of goederen kaapte uit andere landen afkomstig dan in zijn brief aangegeven, dan liep de overtreder het risico voor de Raad der Admiraliteit gedaagd te worden *  .
De vaste vloot van oorlogsschepen was zoals vermeld zeer bescheiden van omvang en voor de periode rond 1545 wordt een aantal van vijf schepen genoemd, die onder bevel stonden van de vice-admiraal Gerard van Meckeren. Een typerend incident vond in 1542 te Veere plaats toen de admiraal haastig enkele vissersboten moest uitrusten om een vijandelijk schip binnen te halen *  . Vissersschepen werden soms ook gebruikt voor spionagetochten. Andries Pierssn., visser en poorter van Veere, ontving in 1541 voor hem en zijn bemanning 43 pond, omdat hij "met zyn pincke by bevele van myne heere van Beveren, admiraal van der zee" naar Denemarken gevaren is om te achterhalen ("verspieden") hoe het stond met de uitrusting van de oorlogsschepen aldaar *  . Verder werden na tussenkomst van admiraal Adolf van Bourgondië tijdens de jaren tussen 1525 en 1527 gelden afkomstig uit de beden van de provincie Zeeland doorgesluisd naar de door hem gekontroleerde steden Vlissingen en Veere. De baljuws van deze twee steden gebruikten de gelden voor de uitrusting en het onderhoud van twee galjoenen *  .
Uit de reeks rekeningen van Prelaat en edelen van Zeeland blijkt de bemoeienis van het bestuur der provincie in samenwerking met de heren van Veere op het gebied van de konvooiering van de kwetsbare haringvloot. In1522 stelde de rentmeester Bewestenschelde 800 pond beschikbaar voor de uitrusting van zes oorlogsschepen en iets later nog eens 383 pond voor vijf oorlogsschepen *  . In hetzelfde jaar werden gezanten er op uitgestuurd om "solliciterene metten gedeputeerden van Vlanderen ende van Hollande 't beleedt, van scepenen van oirlogen voer d'bewaernisse ende bescermenisse van den visschers ten haeringhe *  . Zo'n dertig jaar later probeerde admiraal Maximiliaan nog eens te komen tot een gezamenlijke Zeeuwse aanpak van de bescherming van de haringvissers *  .
Deed zich in geval van oorlog de noodzaak voor om een grote vloot samen te stellen, dan werd vaak door Prelaat en edelen van Zeeland een bede uitgeschreven ten behoeve van de uitrusting van deze schepen van oorlog. Dit gebeurde in de jaren 1522, 1527, 1528, 1537, 1542, 1547 en 1551 *  . De bevelvoering van de zeestrijdkrachten liet de admiraal in de meeste gevallen over aan een vice-admiraal.
De admiraal-generaal werd in zijn taak bijgestaan door twee door hem zelf te benoemen vice-admiraals. De belangrijkste en meest zelfstandig optredende was de vice-admiraal van Vlaanderen. Deze functionaris ging over "allen saecken vallende in Vlaenderen, roerende de navigacie van den zee ende feyten van oorloegen" *  , mocht zelf weer ambtenaren aantrekken, presideerde over een eigen Admiraliteitsraad die zetelde te Duinkerken en had recht op het derde deel van de 10e penning voor zijn eigen salaris en de on kosten van zijn personeel *  .
Voor het eerst horen we van een vice-admiraal te Vlaanderen in het jaar 1537 in de persoon van Pieter Cant. Ook zijn Raad functioneerde toen reeds blijkens een hoger beroep voor de Admiraliteitsraad te Veere *  . Deze werd vóór het jaar 1542 opgevolgd door Anthonis Briarde *  , die weer na een ziekte vervangen werd door Gerardus van Meckeren (1553). Voor een verslag van diens carrière van vlootaanvoerder tot vice-admiraal verwijzen we naar het artikel van L. De Baecker *  .
De tweede permanente vice-admiraal werd voortdurend gekozen uit een zijtak van de Bourgondiërs, namelijk uit de familie Van Makkene-Kapelle. Zij traden net als de vice-admiraals van Vlaanderen op als aanvoerders van de oorlogsschepen, maar hadden geen eigen Admiraliteitsraad onder zich. Wel vervingen ze tijdens zijn afwezigheid de admiraal als voorzitter van het Admiraliteitshof te Veere *  . Toen Maximiliaan in 1547 zijn gezag over Holland kon uitbreiden, verbreedde zich het werkterrein van de Kapelle's en in dat jaar werd jonkheer Andries van der Capelle benoemd tot stadhouder en kapitein-generaal van de vloot uitgerust door Vlaanderen, Zeeland én Holland ter bescherming van de haring-vloot tegen de Schotse zeerovers *  .
We moeten echter bij de termen "admiraal" en "vice-admiraal" er rekening mee houden, dat met deze uitdrukkingen verschillende functies bedoeld kunnen zijn. De term "vice-admiraal" werd vaak gebruikt voor de betiteling van een tijdelijke aanvoerder van de vloot of een vlootonderdeel. Kapiteins zoals Gerard van Meckeren, Adolf van Haemstede, Jan de Croesere en Antoon de Leu traden nogal eens op als vice-admiraals terwijl hun taak beperkt bleef tot het leiden van een enkele krijgstocht op zee *  . Een verwarrend gebruik van de titel "admiraal" ontstond ook als enkele koopvaardijschepen besloten in admiraalschap (konvooi) te varen en één van de kapiteins gekozen werd tot "admiraal" en leider van de groep schepen *  .
3.  De admiraliteitsraad
Onder de admiraal-generaal functioneerde een "Raede gecommitteert ten saecken der admiraliteyt", die de taak toegewezen kreeg recht te spreken. De Raad of Admiraliteitshof werd gepresideerd door de admiraal zelf en tijdens zijn afwezigheid door de vice-admiraal *  .
Het is in het geheel niet zeker dat de Raad als rechtsprekende instantie direkt na de ordonnantie van 1488 ging functioneren. Het eerste bewijs voor het werkzaam zijn van een Raad -zonder de Raad zelf te noemen- dateert uit het jaar 1507. In dat jaar gingen Bretonse zeelieden in beroep bij de Grote Raad tegen een vonnis van de admiraliteit *  . De Bretonnen eisten hun schepen en goederen op, die door Hollandse zeelieden naar Arnemuiden waren gebracht. Een ander stuk uit 1528 doet vermoeden dat ook toen een Admiraliteitsraad functioneerde *  . Het bestuur van de stad Edinburgh verzocht in dat jaar de heer van Veere, als admiraal van de zee, om "justicie van de voorseide saken (prijs gemaakte Schotse goederen van Archibal Penninckuck) gedaen te worden". Vier jaar later kwam het tot een proces voor de admiraliteit, dat langer dan een jaar zou blijven slepen. Verder ging een Anthonin de Vinaldis in 1530 in beroep bij de Grote Raad tegen een vonnis van de admiraal *  . Al met al voldoende bewijs voor de stelling dat er voor het jaar 1536 door de admiraliteit recht gesproken werd. Het is alleen niet vast te stellen in hoeverre de Raad als instantie reeds vaste vormen aangenomen had. Na 1536 kwam de Admiraliteitsraad geregeld bij elkaar, wat blijkt uit de sententies van de Raad opgenomen in het register van de Vierschaar van Veere. Voor de inhoud van het register, dat met een blind nummer in de inventaris is opgenomen, verwijzen wij naar bijlage I.
Aanvankelijk resideerde het Hof op het kasteel Zandenburgh, gelegen bij de stad Veere en het bestuurscentrum van de heren van Veere *  . Tussen 1540 en 1548 vond er een verhuizing plaats naar Veere, waar het huis de Gouden Molen aan de markt betrokken werd *  .
De Raad telde tussen de acht en tien leden *  en als we de samenstelling analyseren begrijpen we beter waarom Middelburg zich aan het gezag ervan wilde onttrekken. Het merendeel van de leden was namelijk afkomstig uit Veere of bekleedde functies die door de heren van Veere opgevuld werden, waardoor ze in een afhankelijke positie kwamen. In 1548 waren bijvoorbeeld vier Veerse schepenen lid van de Raad, tien jaar later breidde dit aantal zich uit tot vijf schepenen (op een totaal van acht). Bovendien bezaten ze nog tal van andere belangrijke ambten in Veere én Vlissingen *  .
Blijkens de sententies en de bewaarde archiefstukken hield de Raad zich voornamelijk bezig met prijszaken. De tuchtrechtspraak op de schepen van oorlog bleef voorbehouden aan de kapiteins, die zich daarbij hadden te houden aan de door de admiraal opgestelde reglementen *  . Bij de prijszaken ging het er om vast te stellen wie de eigenaar van de genomen goederen was. Moeilijkheden hierover rezen b.v. geregeld als een schip twee maal achter elkaar gekaapt werd *  .
De werkwijze van de Admiraliteitsraad moest volgens de ordonnantie van 1488 afgeleid worden van de "cancelery-raed", wat ondermeer het gebruik van de paasstijl inhield *  . Een bewaard gebleven lijst met de kosten verbonden aan de verschillende administratieve handelingen en de genoemde functionarissen -zoals de procureur-fiscaal, raden, deurwaarder en griffier- wijzen in de richting van een goed georganiseerde instelling. Volgens De Jonge kan de Admiraliteitsraad te Veere beschouwd worden als de basis waarop al de overige admiraliteits colleges na de opstand op voort bouwden *  .
De rechtsgang was gewoonlijk als volgt. De procureur-fiscaal klaagde zelf iemand aan of een belanghebbende leverde een klacht in *  . Manneer de zaak zwaar genoeg bevonden werd, benoemde de admiraal met zijn Raad twee of meerdere commissarissen om de rechtzaak voor te bereiden *  . Indien dit onderzoek genoeg bewijsgrond opleverde dan werd door de deurwaarder een dagvaarding overgebracht aan de beschuldigde partij, met het bevel om voor de Raad te verschijnen onder bedreiding van boete of gijzeling. De getuigen legden onder ede een verklaring af en de aangeklaagde werd gehoord en verder speelde de zaak zich tot aan de uitspraak grotendeels schriftelijk af door het inleveren van memories en replieken. Na het verslag van de commissarissen sprak de Admiraliteitsraad te Veere het vonnis uit. De verliezende partij diende gewoonlijk de proceskosten te betalen.
Al eerder wezen we er op dat de Raad te Veere tevens functioneerde als hof van appel voor zaken behandeld door de onder de vice-admiraal van Vlaanderen ressorterende admiraliteitsraad te Duinkerken *  . Na 1540 werd de mogelijkheid geschapen vanuit Vlaanderen direkt bij de Grote Raad in beroep te gaan en in het sententienregister zijn na dit jaar geen hoger beroeps zaken meer opgenomen *  .
4.  Het archief
In het jaar 1905 schonk het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen aan het Rijksarchief een eerste reeks stukken, die deel uitgemaakt moeten hebben van het archief van de voormalige admiraliteit van Veere *  . De gemeentearchivaris van Veere, De Brakke, droeg in 1953 een groter aantal archivalia over, waaronder een aantal charters, welke hij gelicht had uit het stadsarchief *  . Bij de stukken werden verschillende fiches en transcripties van zijn hand aangetroffen. De criteria door De Brakke aangelegd bij de selektie waren zeer ruim. Zo troffen we verschillende stukken aan van na de verplaatsing van het Hof naar Gent in 1560, enkelen dateerden zelfs uit de 18e eeuw. Deze bescheiden zullen t.z.t. overgedragen worden aan de gemeentearchivaris van Veere *  .
De aan het Rijksarchief in Zeeland overgedragen stukken vormden het restant van wat vroeger een veel omvangrijker archief moet zijn geweest. Dit bleek vooral uit een zestal dossiers bewaard in het archief van de Grote Raad te inzake hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de Raad te Veere, welke dossiers deels bestonden uit processtukken overgedragen door de griffier van de Veerse admiraliteit in de periode 1547-1558 *  . In het Veerse sententiënregister vonden we slechts één zaak van de zes terug die behandeld werden door de grote Raad *  . Verder oogden de lijsten met stukken overgedragen door de griffier aan het Hof te Mechelen zeer kompleet, terwijl de op het Rijksarchief nog aanwezige bijlagen bij processen zeer fragmentarisch bewaard zijn gebleven.
Een ander probleem was de vermenging van de archieven van de stad, heren en admiraliteit van Veere en het ontbreken van een duidelijke taakafbakening tussen de verschillende archiefvormende instellingen. Dit hing samen met de nauwe personele banden. Al vermeld werd het optreden van de baljuw van Veere in de Admiraliteitsraad, van nog groter belang was de dubbelfunctie secretaris van de stad en griffier van de admiraliteit. Andries van Werchter en Jan Symonssn. (1533-1557) combineerden de beide taken *  . De opname van een deel van de sententies van de admiraliteit in een register van de vierschaar van Veere valt te verklaren door de verhuizing van de Raad der Admiraliteit van het kasteel naar een huis ook de vierschaar bijeenkwam. In enkele registers berustend in het stadsarchief troffen we -naast zaken de stad betreffende- stukken aan van de admiraliteit. Omdat deze stukken in het archief van Veere blijven, maar ze toch van groot belang zijn voor onze kennis van de zeegeschiedenis, zullen we ze in de bijlagen uitgeven *  .
In dit gedecimeerde en versplinterde archief viel geen oude ordening meer te herstellen. Een 18e eeuwse nummering met inkt bood geen houvast en daarom werd het archief functioneel/chronologisch geordend. Wel lukte het om de eenheid binnen enkele afzonderlijke reeksen bijlagen bij processen te herstellen.
De inventaris kan nog niet als definitief beschouwd worden, daar het oudste deel van het archief van de stad en het archief van de heren van Veere nog wacht op inventarisatie. Het is niet uitgesloten dat men hierbij nog stuit op stukken van de admiraliteit. De kans hierop is echter niet al te groot vanwege de al gemaakte selektie door De Brakke en de door ons uitgevoerde kontrole op zijn werk.
5.  Lijst met geraadpleegde archieven en literatuur
5.1.  Geraadpleegde archieven
Rijksarchief in Zeeland (RAZ)
- Prelaat en edelen van Zeeland
- Rekenkamer Bourgondisch-Oostenrijks tijdvak
- Rekenkamer A, Copulaatboek nr. 6
- Staten van Zeeland en hun Gecommitteerde Raden
- Admiraliteit Veere (Adm. Veere)
- Rechterlijk Archief Eilanden
- Zeeuwsch Genootschap
- Borssele van Brigdamme
- Charters familie Wakkene-kapelle Gemeente Archief Veere (GA Veere)
Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, 3e afd. (ARA 's-Gravenhage)
- Hof van Holland
5.2.  Uitgegeven bronnen
Groot Placaetboeck vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten van de Hoogh Mogende Staten Generael der Vereenighde Nederlanden, IV, -s-Gravenhage 1705.
Smit, H.J. ed. Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland, Schotland en Ierland, 1485-1585. Rijks Geschiedkundige Publicatiën (RGP) 91, 's-Gravenhage 1950.
Sneller, Z.M. en Unger, W.S. ed. Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Frankrijk, I. RGP 70. -s-Gravenhage 1930.
5.3.  Toegangen op archief Grote Raad Mechelen
"Dossiers Grote Raad van Mechelen. Beroepen uit Zeeland". Gestencilde uitgave werkgroep Grote Raad te Amsterdam, z.j. Huussen, A.H. Inventaris en beschrijving van de Noord-Nederlandse processtukken (dossiers) behorende tot het fonds eerste aanleg berustende in het archief van de Grote Raad van Mechelen. Verzamelen en bewerken van de jurisprudentie van de Grote Raad II en III, Amsterdam 1970-1972.
Kerckhoffs-de Hey, A.J.M. Inventaris en beschrijcing van de processtukken (dossiers) behorende tot de beroepen uit Holland berustende in het archief van de grote Raad van mechelen. Verzamelen en bewerken van de jurisprudentie van de Grote Raad VIII (dossier 701-800), Amsterdam 1973.
Huussen, A.H. Inventaris en beschrijving van de processtukken (dossiers) behorende tot de beroepen uit Holland berustende in het archief van de Grote Raad van mechelen. Verzamelen en bewerken van de jurisprudentie van de Grote Raad X (dossier 901-972), Amsterdam 1974.
Smidt, J.Th.; Strubbe, E.I. en Rompaey, J. van, ed. Chronologische lijsten van de geëxenteerde sententiën berustende in het archief van de Grote Raad van Mechelen. Merken der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het Oud Vaderlands Recht 3e reeks nr. 21 en 4e reeks nr. 3 (3 dln.), Brussel 1966, 1971 en 1979.
5.4.  Inventarissen
Bolsée, J. Inventaire des archives des conseils et sièges d'Amirauté, Tongeren, 1932.
Bruine, M. de, Inventaris van het archief der gemeente Vlissingen, Vlissingen 1959.
Fruin, R. "De archieven der directe en indirecte belastingen in Zeeland" in: Verslagen 's-Rijks Oude Archieven, XXII (1899) p. 423-438.
Fruin, R. De rekeningen en andere stukken in 1607 uit de Hollandse rekenkamer naar de Zeeuwsche overgebracht. Het Bourgondisch-Oostenrijks Tijdvak, 's-Gravenhage 1909.
Hullu, J. de, De archieven der Admiraliteitscolleges, -s-Gravenhage 1924.
Stoppelaar, J.H. de, Inventaris van het oud-archief der stad Middelburg, Middelburg 1883.
5.5.  Literatuur
Baecker, L. de, "Etude biographique sur Gérard van meckeren, vice-amiral de Flandre sous Charles-Quint" in: Annales de la Société d'Emulation pour de l'étude de l'histoire et des antiquités de la Flandre 2e reeks dl. VI (1848) p. 313-398.
Bijl Mz., A. De Nederlandse convooidienst, 1300-1800, -s-Gravenhage 1951.
Craeybeckx, J. "De organisatie en de konvooiering van de koopvaardijvloot op het einde van de regering van Karel V" in: Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, 3e deel (1949) p. 179-208. DE Gryse, R. "De admiraals en de eigen marine van de Bourgondische hertogen, 1384-1488". in: Mededelingen van de Marine Academie, XVII (1955) p. 139-255. Denucé, J. De Vlaamsche en Antwerpse Admiraliteit, Brussel 1944.
Ermerins, J. Eenige Zeeuwsche oudheden uit echte stukken opgehelderd en in het licht gebragt, III en VIII, Middelburg 1786 en 1794. Grol, H.G. van, Het beheer van het Zeeumsche Zeewezen, 1577-1587, Vlissingen 1936.
Grol, H.G. van, Het Zeeeuwsche prijzenhof te Vlissingen van de overgave van Middelburg tot na de pacificatie van Gent. Een bijdrage tot de geschiedenis der kaapvaart in de eerste jaren van de 80-jarige oorlog, 's-Gravenhage 1916. Overdruk uit: Bijdragen voor de vaderlandse geschiedenis en oudheidkunde.
Jonge, J.C. de, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, -s-Gravenhage 1833.
Mey, J.C.A. de, "Oorlogsvaart, kaapvaart en zeeroof" in: Maritieme geschiedenis der nederlanden, I, Bussum 1976. Nagtglas, F. Levensberichten van Zeeuwen, I, Middelburg 1890. Pollentier, F. "Admiraliteit" in: Maritieme geschiedenis der Nederlanden, I, Bussum 1976.
Reygersbergh, J. De oude chronycke ende historiën van Zeelandt, Middelburg 1634.
Vrijman, L.C. Kaapvaart en zeeroverij. Uit de geschiedenis der vrije nering in de Lage landen, Amsterdam 1938.
 
 
 
 
 
243   Admiraliteit te Veere
1.  Stukken van algemene aard
2.  Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
3.  Aanhangsel
 
 
 
 
 
243   Admiraliteit te Veere
Datering:
  1460-1562
Toegankelijk:
  Inventaris
Openbaarheid:
  Geen beperkingen
Inzage:
  Studiezaal, in origineel
Omvang:
  0,1 meter
Jaar bewerking:
  1983
Collectie:
  Rijksarchief in Zeeland
Categorie