Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
Uw zoekacties: Familie thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland
 14 Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland ( Zeeuws Archief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
14   Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland
1.  De middelen te lande
Na de pacificatie van Gent werd in Holland en Zeeland een systeem van belastingen ingevoerd, waarvan de opbrengst bestemd was voor de gemeenschappelijke oorlogsvoering. Deze belastingen, gemene middelen genaamd, bestonden in hoofdzaak uit accijnsen op gebruiksgoederen; vandaar de gangbare term "gemene middelen van consumptie". De heffingen, waar het in Zeeland om ging, zijn gespecificeerd in de rekeningen van de ontvanger-generaal betreffende zijn administratie te lande *  . Holland en Zeeland werkten in het begin op het gebied der gemene middelen nauw samen. Nog in 1767 verklaarden de Staten: "de Hollandsche ordonnantiën op dat stuk zijn meermalen voor eene cynosura gehouden, waar naar de Zeeuwsche ordonnantiën geschoeid worden" *  .
Ook de andere provincies hadden hun gemene middelen, waaruit de quoten aan de generaliteit voldaan werden. Onder de Bataafse Republiek voerde Gogel een landelijk belastingstelsel in. De federalistische term "gemene middelen" werd, zo niet in het spraakgebruik dan toch officieel, vervangen door "middelen te lande" (ter onderscheiding van de middelen te water als konvooien en licenten). Beide aanduidingen bleven ook later nog in zwang naast die van onbeschreven of indirecte belastingen *  . De laatste term is te herleiden tot de contributions directes van het Franse belastingstelsel, dat hier in 1811 werd ingevoerd. In deze inventaris wordt bij voorkeur gesproken van middelen te lande.
2.  De rechtsprekende colleges
Gecommitteerde Raden van Zeeland hebben van het begin af rechtsmacht bezeten in zaken betreffende de gemene middelen. Artikel 12 van hun instructie van 22 mei 1578 hield in, dat de vierscharen ter plaatse waar verpachting van de gemene middelen had plaats gevonden, in eerste instantie de daaruit voortvloeiende geschillen moesten berechten en dat hoger beroep op Gecommitteerde Raden mogelijk was. Volgens artikel 13 moesten die appèlzaken eerst behandeld worden door commissarissen van de rol, wier uitspraken weer revisabel waren voor Gecommitteerde Raden. Of dit laatste artikel ooit in die vorm is toegepast, ontgaat ons: bij de beroepsprocedure schijnt men in de praktijk veeleer de voor Holland geldende plakkaten van 31 maart 1586 en 1 oktober 1604 *  nagevolgd te hebben. Wat aanleiding geeft tot dit vermoeden is, dat in de Statennotulen van 9 september 1627 verwezen wordt naar artikel 12 van een ordonnantie op de gemene middelen, welke verwijzing duidelijk slaat op de Hollandse regeling van 1604 en niet op de Zeeuwse van 1578.
18 februari 1637 benoemen de Staten een commissie ter "revisie van de ordonnancie op de middelen van consumptie" etc. Van haar stamt het ontwerp van de "ordonnantie op 't stuck van den opheve van de generale ende gemeene middelen, bij de Staten van Zeelandt" op 23 september "bewillight tot onderstand van de Gemeene saecke" *  . Ook deze ordonnantie regelt in artikel 13 de rechtspleging op dezelfde voet als Holland in 1604 gedaan had. Zaken betreffende de verpachte middelen kwamen in eerste instantie voor de stedelijke vierscharen-die daartoe werden geautoriseerd-en bij provocatie *  of evocatie *  voor Gecommitteerde Raden. Deze laatsten moesten daartoe elke vrijdag zitting houden.
De regeling van 1637 is met enige wijzigingen van ondergeschikt belang bijna 170 jaar van kracht gebleven. Een ordonnantie van 4 oktober 1660 en een ampliatie van 18 september 1675 *  veranderen niets aan de competentie van Gecommitteerde Raden, maar verdienen hier toch vermelding, omdat er niet meer gesproken wordt van "autorisatie" tot stedelijke rechtspraak: beide verordeningen kwalificeren die rechtspraak in artikel 1 als een gedelegeerde judicatuur, d.w.z. afgeleid van de rechtsmacht van Gecommitteerde Raden. Het begrip "delegatie" is vermoedelijk ingevoerd op voorbeeld van de ordonnantie van de Staten-Generaal op de gemene middelen, die 18 augustus 1654 voor de Generaliteitsgebieden afgekondigd werd *  .
Ouder dan laatstbedoelde ordonnantie is de acte van committimus van 13 augustus 1588, waarbij de Raad van State aan Gecommitteerde Raden van Zeeland de berechting had opgedragen van geschillen, die zich voordeden in het op de vijand veroverde Vlaamse gebied. Kwesties over aldaar verpachte gemene middelen kwamen dientengevolge in eerste instantie voor Gecommitteerde Raden en van hun vonnissen stond beroep op de Raad van State open. De regeling van 1654 kwam op het volgende neer. In het Vlaamse territoir dat na 1588 voor de Republiek veroverd was, t.w. westelijk Staats-Vlaanderen met het Vrije van Sluis (1604), Philippine (1633), Sas van Gent (1644) en Hulst (1645) kregen de plaatselijke magistraten de judicatuur over de gemene middelen in eerste instantie, met de Raad van State als hof van beroep. Binnen het gebied van het Committimus, n.l. Axel, Neuzen en Biervliet, ging die judicatuur in eerste instantie nu bij sub-delegatie over aan de plaatselijke besturen: Gecommitteerde Raden behielden er de rechtspraak in hoger beroep. Provocatie en evocatie bleven beide bestaan.
Pas tegen het eind van de 18e eeuw traden er weer veranderingen op. In 1785, bij het tractaat van Fontainebleau, stond de Republiek Lillo en Liefkenshoek aan Oostenrijk af. Het overige Staats-Vlaanderen ging bij het tractaat van Den Haag van 1795 door inlijving bij Frankrijk verloren.
1795 zag ook het einde van het college van Gecommitteerde Raden. De judicatuur inzake de gemene middelen ging nu van hen successievelijk over op de volgende organen, ingesteld op de daarbij vermelde data:
23 juli 1795, Committé van Algemeen Welzijn, Waakzaamheid en Veiligheid;
3 mei 1796, Uitvoerend departement van de Provinciale Raad in Zeeland;
3 februari 1798, Uitvoerend departement van het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalige gewest Zeeland.
Op 23 juli 1798 nam het Intermediair Administratief Bestuur zelf die rechtspraak op zich. Daarna volgden:
30 maart 1799? Commissie tot de administratie der financiën over het voormalige gewest Zeeland als exercerende de judicature in het stuk der gemene middelen;
21 juni 1802, Departementaal Bestuur van Zeeland als exercerende de judicature in het stuk der gemene middelen;
1 augustus 1805, Raad der Financiën binnen het Departementaal Bestuur.
Deze Raad was, anders dan zijn naam misschien zou doen verwachten, geen departementaal orgaan, maar ressorteerde rechtstreeks onder het centrale bestuur. Hij kreeg dezelfde judicatuur over de gemene middelen als het Departementaal Bestuur bezeten had, terwijl ook de competentie van de lokale besturen op dezelfde voet zou blijven bestaan als voordien *  .
Het optreden van Gogel als agent van Financiën bracht in menig opzicht een hervorming. Het staatsbewind benoemde op 24 december 1805, voor de handhaving van het recht der overheid, een advocaatfiscaal der gemene middelen te lande bij de Raad van Financiën in Zeeland *  .
Als zodanig trad sindsdien mr. Anthony Willem Philipse op *  . Zijn benoeming preludeerde op de invoering van een nieuwe Generale ordonnantie op de invordering der gemene middelen te lande, gedateerd 27 januari 1806. Deze verving voor Zeeland de ordonnantie van 1637 en bracht een voor alle departementen uniform systeem van invordering der middelen te lande, terwijl ook de judicatuur daarover landelijk geregeld werd.
Artikel 11 verbood de Raden van Financiën om composities aan te gaan, maar stond hun wel toe om overtreders, bij wie geen opzet gebleken was, in submissie te ontvangen *  . De rechterlijke organisatie is geregeld in artikel 28 e.v. Van de Raden van Financiën werd beroep mogelijk op een landelijke Raad van judicature voor de middelen te water en te lande. Voor lichte vergrijpen, in Zeeland voorgevallen, werden uit de vierscharen van Middelburg, Zierikzee, Tholen en Goes commissarissen ter judicature aangewezen. Van hen bestond provocatie-geen evocatie-op de Raad van Financiën, die zelf in eerste instantie recht sprak over zwaardere vergrijpen. Voor criminele zaken bleven de stedelijke vierscharen competent.
Het territoir van de Raad van Financien onderging in 1805 een geringe inkrimping doordat de exclave Sommelsdijk bij Holland kwam en de polder Hinkelenoord (die nog twee jaar Zeeuws gebied bleef *  ) voor de jurisdictie inzake de middelen te lande aan Brabant werd toegevoegd.
Op 16 mei 1807 trad als nieuw departementaal bestuur het college van Landdrost en Assessoren in functie; dit nam tevens de taken van de Raad van Financien over *  . Lodewijk Napoleon bracht bij besluit van 3 mei 1809 nr. 9 Nieuw-Vossemeer onder Brabant en het hele overige grondgebied van het departement ging stap voor stap verloren aan het opdringende Frankrijk. Bij het tractaat van Fontainebleau van 1807 werd Vlissingen van Zeeland afgescheiden. Eind 1809 viel de rest van Walcheren in handen van Napoleon en tenslotte stond diens broer, de koning van Holland, bij tractaat van 16 maart 1810, te Parijs gesloten, heel Zeeland aan hem af.
Dat betekende voor Landdrost en Assessoren het einde van hun werkzaamheden. De judicatuur der middelen te lande viel toe aan de Conseil de préfecture, welks leden op 6 juli 1810 benoemd werden. Als advocaat-fiscaal trad nu op mr. T.A. van Adrichem *  .
De conseil de préfecture oefende de rechtspraak uit tot de invoering van de Franse wetgeving op rechterlijk gebied per 20 mei 1811. Sedertdien kwamen civiele acties betreffende indirecte belastingen voor de rechtbanken van eerste aanleg *  . Deze rechtbanken behandelden ook de correctionele zaken *  . Terwijl in de laatste maanden van 1813 en de eerste van 1814 het Franse gezag afkalfde, voerde het Nederlandse bewind daar, waar de onafhankelijkheid hersteld werd, weer een eigen landelijk belastingstelsel met daarbij behorende judicatuur in. Een Souverein Besluit van 23 december 1813 (Stbl. nr. 16) sprak opnieuw van middelen te lande en wel onderscheiden in beschreven en onbeschreven middelen. In ieder departement zou een advocaat-fiscaal der onbeschreven middelen voor de centrale overheid optreden. Een wet van 4 januari 1814 (Stbl. nr. 4) werkte de manier van procederen nader uit, waarbij de belastingen, die voorlopig nog op de Franse voet geheven zouden worden, buiten de regeling vielen. "Middelen te lande" werd nu de samenvattende term voor de overige heffingen, t.w. het recht van successie, de rechten op zout, zeep, turf, gemaal, jenever en buitenlandse brandewijnen, rum, arak en likeuren, die op de waag en de ronde maat, het paarden- *  , plaizier- en passagegeld, het recht op het collectief zegel en andere soortgelijke belastingen, in de toekomst te heffen.
De rechtspraak met betrekking tot deze middelen omvatte geschillen over de invordering, boeten voor overtreding der voorschriften, delicten van functionarissen en tegen hen gepleegde feitelijkheden en gewelddadigheden. Ambtsdelicten van hogere functionarissen kwamen voor een nieuw opgericht Hoog Gerechtshof voor de financiën en zee-zaken der Verenigde Nederlanden, die van lagere functionarissen voor Commissarissen-generaal en Raden in de departementen of voor de hen opvolgende colleges, van wie beroep op het genoemde gerechtshof open stond. Aan de advocaten-fiscaal bij de colleges van Commissarissen-generaal en Raden werden ook civiele zaken ter behandeling opgedragen. Voor wat criminele zaken betreft bleef het Franse wetboek van strafrecht van kracht. Mr. T.A. van Adrichem trad opnieuw op als advocaat-fiscaal voor de middelen te lande in Zeeland. Zijn aanstelling is gedateerd 17 februari 1814. Aanvankelijk fungeerde hij tevens als advocaat-fiscaal voor de middelen te water bij de commissaris voor deze middelen in het departement Middelburg *  .
De regeling over de rechtspraak inzake de middelen te lande kon in Zeeland pas effect sorteren, zodra niet alleen de advocaat-fiscaal maar ook de Raden bij het Commissariaat-generaal in functie getreden waren. Die Raden werden 11 maart benoemd *  . De bevoegdheid van Commissaris-generaal en Raden beperkte zich niet tot het oude Zeeland, maar strekte zich ook uit tot Staats-Vlaanderen, dat bij Souverein Besluit van 6 februari 1814 voorlopig *  bij het departement van de Schelde werd gevoegd. Die toestand werd, in afwijking van artikel 55 van de Grondwet van 1814, bestendigd door een Souverein Besluit van 20 juli 1814 (Stbld. nr. 83), nadat bij artikel 54 van die grondwet het departement was omgedoopt tot provincie Zeeland. Omtrent de grenzen van die nieuwe provincie valt nog slechts te noteren dat bij een ander Souverein Besluit van 20 juli 1814 (Stbld. nr. 84 de polders Nieuw-Vossemeer en Hinkelenoord bij Brabant getrokken werden *  .
Na aftocht der Fransen uit Walcheren hadden de Commissarissen-generaal op 6 mei hun standplaats van Zierikzee naar Middelburg verlegd. Tien dagen later benoemde de Souvereine Vorst jhr. mr. J.H. Schorer tot Gouverneur der provincie. De functies van de Commissarissen-generaal gingen op hem over, ook ten aanzien van de rechtspraak. Nevens hem bleven de Raden bestaan, in elk geval totdat ingevolge de Grondwet van 1814 een nieuw provinciaal bestuur het heft in handen nam en misschien nog later *  .
Provinciale Staten van Zeeland, krachtens die grondwet benoemd, werden op 19 september 1814 door de Gouverneur geïnstalleerd. Diezelfde dag ging de judicatuur over de gemene middelen over op de Staten ofwel hun Gedeputeerden *  . De Raden bleven met de afhandeling der lopende processen belast, maar nieuwe zaken moesten, in afwachting van de aanstelling van Gedeputeerden, voor een speciale commissie uit de Staten dienen. Zomin van deze commissie als van de Raden is enige werkzaamheid aantoonbaar. De commissie is inderdaad op 19 september samengesteld, maar ze heeft ofwel niets voorgelegd gekregen ofwel alles laten liggen voor Gedeputeerde Staten. Deze laatsten traden op 17 oktober in functie, nadat het besluit van hun benoeming door de Souvereine Vorst d.d. 6 oktober ter Statenvergadering voorgelezen was.
Zes jaar bleef de rechtspraak over de middelen te lande op deze wijze voortbestaan. Hierin kwam geen wijziging door de wet van 15 september 1816 (Stbld. nr. 35), waarbij het stelsel der indirecte belastingen werd geregeld, noch door de algemene wet van dezelfde datum (Stbld. nr. 49) op de invordering der indirecte belastingen, noch door het Kon. Besluit van 12 december 1816, nr. 99i over de administratie dier belastingen *  . Een wet van 12 mei 1819 echter (Stbld. nr. 20) over de heffing der in- en uitgaande rechten en accijnzen kondigde het einde van de bestaande toestand aan. Hoofdstuk XXII droeg de judicatuur aan de gewone rechter op; civiele zaken en kleinere delicten, daterend van voor 1 juni, zouden nog op de oude voet afgehandeld worden. Tenslotte hief de wet van 24 december 1819 (Stbld. nr. 59) het Hoog Gerechtshof voor de financiën en zeezaken met het eind van het jaar op. Sinds 1820 berustte de judicatuur over de gemene middelen dus in haar geheel bij de gewone rechter. Overigens is al vanaf februari 1819 bij Gedeputeerde Staten of de advocaat-fiscaal niet meer van enige activiteit op dit gebied gebleken.
3.  De archieven
De in deze inventaris beschreven archivalia zijn afkomstig van de colleges, die tussen 1799-1810 met de judicatuur der middelen te lande belast zijn geweest. Sinds 1806 was een advocaat-fiscaal aan hen toegevoegd. Diens werkzaamheid was zo met die van de rechters verweven, dat zijn archief moeilijk van de rest te scheiden en als zelfstandige eenheid te beschouwen is. Of dit vroeger wel zo was, valt niet na te gaan. Vast staat alleen dat vóór het Franse bewind de advocaat-fiscaal, zijn instructie volgend, zelf zijn inkomende en uitgaande post boekte, maar dit dwingt nog niet tot het construeren resp. reconstrueren van een afzonderlijk archief.
Verder is omtrent de oude orde op te merken dat ten tijde van de Raad van Financiën en onder het bestuur van Landdrost en Assessoren drie series van procesdossiers gevormd werden *  . Deze indeling was echter verre van volledig, evenals een repertoire op de dossiers uit die tijd *  . In 1814 werd het beheer der provinciale archieven opgedragen aan de chartermeester A.J.A. Andriessen. Hij bestemde een drietal omslagen voor de bescheiden van Gedeputeerde Staten als rechters inzake de middelen te lande of, zoals hij hen aanduidde, als "Raad van judicature der middelen te lande". Die omslagen bevatten volgens de opschriften: "eenige geboekte sententiën", "interrogatoriën, verzoeken, aanstellingen ter rolle en andere stukken" en "diverse stukken". Eigenlijke procesdossiers werden toen blijkbaar niet meer gevormd en de systematiek, die daarvoor in de plaats trad, leek mij geen uitgangspunt voor een doelmatige inventarisatie.
In 1819 viel het besluit om de rechtspraak inzake de middelen te lande van Gedeputeerde Staten over te brengen naar de rechtbanken van eerste aanleg. Omtrent de betrekkelijke archiefstukken werd niets bepaald. Deponering van het geheel bij de rechtbank van Middelburg, eventueel met toedeling van daarvoor in aanmerking komende procesdossiers aan de rechtbanken van Zierikzee en Goes, zou denkbaar geweest zijn, maar alles bleef onder het provinciaal bestuur berusten *  .
De latere geschiedenis is ietwat duister. Unger memoreert naast inventarisatiewerk van Andriessen aan de bestuursarchieven ook voorlopige beschrijvingen van het archief van het gewestelijk bestuur in de jaren 1795-1807, vervaardigd door de latere rijksarchivaris Fruin, en in de jaren 1799-1810, vervaardigd door diens opvolger Heeringa en de commies Mulder *  . Vrijwel alle sporen van hun bemoeiingen met archieven betreffende de judicatuur der middelen te lande zijn evenwel uitgewist in het oorlogsgeweld van 1940.
In een paar pakken trof ik nog stroken aan met nummers omtrent 340, aangebracht met een numeroteur. Waarschijnlijk is er verband met de beschrijving van Fruin, die 347 nummers telde *  , en vormden deze stukken het slot daarvan. Er waren ook stroken met een andere, wellicht oudere nummering onder letter S, lopend tot S10. Wie die heeft aangebracht, is onbekend. De aldus genummerde archivalia, hoewel ouder dan 1810, zijn misschien aan Fruin onbekend gebleven of anders heeft hij ze bewust apart gehouden. In ieder geval is niet duidelijk wat hij er bij een definitieve inventarisatie mee zou hebben gedaan.
Ten aanzien van Heeringa bestaat daaromtrent wel een vermoeden, omdat deze in zijn inventaris van het Statenarchief tot 1799 de stukken over de rechtspleging van Gecommitteerde Kaden onder een afzonderlijk hoofdstuk heeft opgenomen *  en ze dus als deelarchief beschouwde. Het ligt voor de hand dat hij bij de latere gewestelijke bestuursarchieven dezelfde bewerking toegepast zou hebben.
Van de opvatting van Mulder is even weinig bekend als van die van Fruin. Maar de beslissing werd genomen door de uiteindelijke inventarisator der bestuursarchieven van 1799-1810, dr. W.S. Unger. Hij zag de rechterlijke archiefbescheiden, daarbij aangetroffen, als retroacta bij het archief van Gedeputeerde Staten en hield ze daarom buiten zijn inventaris *  . Zodoende maakte hij een scherpe scheiding tussen administratieve en judiciële bescheiden van een en hetzelfde college. Nu is weliswaar een dergelijke scheiding te verdedigen met een beroep op de ingeburgerde praktijk bij lokale archieven, maar het gaat, archivistisch gezien, te ver een categorie van stukken uit het verband met een bepaald bestuursarchief te lichten uitsluitend om ze dan weer als retroacta bij het archief van een jonger bestuur onder te brengen *  .
De provinciale bestuursarchieven van na de Franse tijd (waar Unger op doelde) werden in 1947 in het rijksarchief gedeponeerd. Een jaar of dertig later stuitte ik bij de voorbereiding tot een beschrijving van dit fonds op de delen en pakken uit oudere archieven, door Unger ten onrechte als retroacta daarbij geplaatst. Daarmee werd de vraag actueel, wat er moest gebeuren met de stukken betreffende de judicatuur der middelen te lande onder het oude en onder het nieuwe bewind.
Toepassing van het klassieke herkomstbeginsel achteraf op de stukken van 1799-1810 zou een praktische moeilijkheid opleveren: op de inventaris Unger zou een supplement moeten verschijnen met een beschrijving van archivalia v/elke volgens de auteur niet in die inventaris thuis horen en die men daar dan ook zeker niet zal zoeken. Ten aanzien van de stukken van 1814 en later moest een keuze gedaan worden tussen beschrijving bij het archief van het provinciaal bestuur ofwel samenvoeging met de oudere stukken.
Voor beide alternatieven zijn argumenten pro en contra aan te voeren. Ik besloot tot samenvoeging en wel op grond van de volgende overweging. De judiciële bescheiden maakten ongetwijfeld deel uit van het archief van elk orgaan waarvan ze afkomstig waren; er was m.a.w. een synchronische band tussen deel- en hoofdarchief. Maar er was ook een diachronische band tussen de opvolgende deelarchieven en deze prevaleerde. In het algemeen zijn n.l. de registers doorlopend bijgehouden onaangezien de talrijke tussentijdse bestuursveranderingen en ook op de vorming der procesdossiers zijn die veranderingen niet van invloed geweest *  36).
4.  Aanwijzingen voor de gebruiker
Bij verwijzing naar dit archief zou bij voorkeur de volgende bronvermelding gebruikt moeten worden: Zeeuws Archief (ZA), archief Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland (Judicatuur), inv.nr(s) ..., daarna verkort als: ZA, Judicatuur, inv.nr(s) ...
 
 
 
 
 
14   Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland
1.  De archieven der colleges belast met de judicatuur der middelen te lande over het grondgebied van Zeeland in de jaren 1799-1810
2.  De archieven der colleges belast met de judicatuur der middelen te lande over het grondgebied van Zeeland in de jaren 1814-1819
 
 
 
 
 
14   Judicatuur der Middelen te Lande in Zeeland
Datering:
  1799-1810, 1814-1819
Andere namen:
  Colleges belast met de Judicatuur der Middelen te Lande over het grondgebied van Zeeland
Toegankelijk:
  Inventaris
Openbaarheid:
  Geen beperkingen
Inzage:
  Studiezaal, in origineel
Omvang:
  3 meter
Jaar bewerking:
  1977
Titel publicatie:
  P. Scherft, 'De archieven der colleges belast met de judicatuur der middelen te lande over het grondgebied van Zeeland in de jaren 1799-1810 en 1814-1819', in: Rijksarchief in Zeeland. Gebundelde Inventarissen. Deel II ([Middelburg] 1976) 115-119
Collectie:
  Rijksarchief in Zeeland
Categorie