Nederlands (Nederland)English (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)
A |  A |  A
 120 Bestuursarchief Gemeente Born, 1683-1937 ( Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
120   Bestuursarchief Gemeente Born, 1683-1937
1.1.  Schets van het plaatselijke bestuur
Het Ambt Born maakte vóór de komst der Fransen, op het einde van de 18e eeuw, deel uit van het hertogdom Gulik. Aan het hoofd stond een ambtenaar als vertegenwoordiger van de hertog. Born, Buchten en Holtum vormden één schepenbank. * 
Ofschoon de Fransen Gulik reeds o 22 juli 1794 in hun macht hadden, werd eerste op 23 januari 1798 een nieuw departementale organisatie van bestuur en rechtspleging ingevoerd. *  Deze nieuwe organisatie ontnam aan alle plaatsen beneden de 5000 inwoners het zelfstandig bestuur; deze plaatsen konden geen eigen municipaliteit meer vormen, men plaatste hen kantonsgewijze onder een gemeenschappelijk bestuur, te weten de z.g. municipale administratie van het kanton.
De plaatsen behielden in zoverre nog een restant van hun oorspronkelijke zelfstandigheid dat ze ieder een agent municipal en adjoints konden kiezen. De gezamenlijke agenten en adjoints vormden de municipale administratie, met aan het hoofd een president die voorzitter was.
Naast of boven de municipale administratie stond in ieder kanton een vertegenwoordiger van het departementaal bestuur, de z.g. "Commissaire du directoir exécutif", die zijn instructies ontving door tussenkomst van de commissaris bij het departementaal bestuur. De commissaris moest toezicht uitoefenen op de plaatselijke gezagsdragers en er voor waken dat de wetten stipt werden uitgevoerd, terwijl hij de municipale administratie bovendien bijstond als raadsman. Bij de beraadslagingen beschikte hij weliswaarniet over het recht om mee te stemmen, maar anderzijds mocht de lokale administratie geen beslissingen treffen zonder zijn medeweten. Wanneer deze hem onwettig voorkwamen beschikte hij over de bevoegdheid om ze te annuleren. Hij stond voortdurend in contact met de centrale administratie van het departement om verslag uit te brengen over de toestand en de politieke activiteiten in het kanton, alsmede over het gedrag van de kantonnale bestuurders. Hij werd benoemd door de commissaris van het directoir exécutif bij het departement. * 
Born werd ingedeeld bij het kanton Sittard, dat verder Grevenbicht, Limbricht, een gedeelte van Millen (dat in 1817 bij Nieuwstadt werd gevoegd), Munstergeleen, Sittard, Susteren, Urmond en Berg en een gedeelte van Wehr (het in 1817 daarvan afgescheiden Broeksittard) omvatte. * 
In 1800 bij de wet van 28 pluvoise an VIII (17 februari 1800) werden de "municipalités du canton" opgeheven, waardoor de plaatsen beneden de 5000 inwoners weer in het bezit van een eigen bestuur werden gesteld.
In de meeste plaatsen waar voorheen een agent municipal en adjoint waren kwamen nu een maire en een of meer adjoints (naar gelang het aantal inwoners van beneden de 2500 tot boven de 2500, boven de 5000 en boven de 10.000 varieerde) met daarnaast een conceil municipal van 10 tot 30 leden. *  Het einde van de Franse tijd in 1814 heeft geen onmiddellijke invloed gehad op het plaatselijke bestuur, alleen heette de maire voortaan burgemeester. Ook bij de overgang tot het Koninkrijk der Nederlanden bleef de inrichting van het plaatselijk bestuur tot aan de nieuwe bestuursorganisatie in 1818 hetzelfde.
Bij koninklijk besluit van 14 februari 1818, nr. 95, werd een reglement van bestuur voor het platteland ingesteld. Elke plattelandsgemeente in Limburg kreeg ingevolge dit reglement een schout, benoemd door de koning, aan het hoofd, terwijl het plaatselijke bestuur verder bestond uit twee schepenen, benoemd door gedeputeerde staten uit de leden van de gemeenteraad, op voordracht van de raad, uit een dubbeltal, en een gemeenteraad, benoemd door gedeputeerde staten, voor de eerste maal onmiddellijk en vervolgens op voordracht van de raad uit een dubbeltal kandidaten. De leden der plaatselijke besturen werden benoemd voor zes jaar en waren steeds herkiesbaar. De raadsleden werden bij derde gedeelten vernieuwd: om de twee jaar trad een derde gedeelte van de raad en 1 schepen af, terwijl de schout met het laatste derde gedeelte aftrad. Het aantal raadsleden was niet in elke gemeente hetzelfde; het bedroeg, de schout inbegrepen, 12 in gemeenten met meer dan 1.000, 9 in die met 500-1.000 en 6 in die met minder dan 500 inwoners.
Schout en schepenen benoemde alle andere gemeentefunctionarissen met uitzondering van de gemeentesecretaris en de gemeente-ontvanger, die door gedeputeerde staten werden benoemd uit een dubbeltal kandidaten, voorgedragen door de raad.
Bij het reglement op het bestuur ten plattelanden in de provincie Limburg, vastgesteld bij koninklijk besluit van 23 juni 1825, nr. 132, *  werden de namen schout en schepenen veranderd in burgemeester en assessoren, benamingen die in de Noordelijke provincies reeds sedert de eerste reglementen voor het bestuur der plattelandsgemeenten in de verschillende provincies (1815-1819) in gebruik waren. Het plaatselijk bestuur bleef bestaan uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad. De burgemeester werd door de koning benoemd, de assessoren vanwege de koning door de staatsraad gouverneur der provincie, uit de leden van de gemeenteraad en de gemeenteraad door gedeputeerde staten, na het plaatselijke bestuur te hebben gehoord. De termijn van benoeming voor al deze functionarissen bleef zes jaar, herbenoeming was steeds mogelijk. Om de twee jaar trad een derde of ongeveer een derde gedeelte van de gemeenteraad af, de assessoren maakten deel van het eerste of tweede aftredende derde gedeelte, de burgemeester behoorde tot het laatste. De gemeenteraad, inclusief burgemeester en assessoren, bestond uit 7 of 9 personen, naar gelang de provinciale staten bepaalden.
De gemeentesecretaris werd door de koning op voordracht van de gemeenteraad benoemd, de gemeente-ontvanger door gedeputeerde staten, eveneens op voordracht van de gemeenteraad.
Bij de Belgische opstand in 1830 stond bijna geheel Limburg aan de zijde van onze Zuiderburen. Ook Born heeft negen jaar lang, 1830-1839, deel uitgemaakt van het nieuwe Belgische Koninkrijk. Als gevolg van de afscheiding ontstond er een nieuwe bestuursregeling voor de plattelandsgemeenten. In gevolge het besluit van het gouvernement provisore van 8 oktober 1830 *  moesten de notabelen (zij die een bepaalde som in de belasting betaalden en zij die een vrij beroep uitoefenden) een burgemeester, assessoren en raadsleden kiezen.
Het besluit van het gouvernement provisore van 28 oktober 1830 *  bepaalde, dat de gemeentesecretaris zou worden benoemd door de gemeenteraadsleden en de gemeente-ontvanger door de gouverneur der provincie uit een voordracht van 3 kandidaten door de gemeenteraad.
Met de Belgische gemeentewet van 30 maart 1836 *  traden nieuwe bepalingen in werking en vervielen ipso facto de zo juist genoemde gouvernementsbesluiten. In deze werd de gemeenteraad, niet meer de burgemeester, op de voorgrond geplaatst. De raadsleden werden door de kiesgerechtigde inwoners (censuskiesrecht) gekozen en wel rechtstreeks; de burgemeester en schepenen werden door de koning uit de leden van de raad benoemd. De zittingstermijn der raadsleden, evenals die van burgemeester en schepenen, was zes jaar, maar in de wijze van aftreding kwam enige verandering; deze zou om de drie jaar plaats hebben, de helft der raadsleden trad dan telkens af; de schepenen zouden voor de helft bij de eerste reeks behoren, voor de helft bij de tweede en de burgemeester bij de tweede. Het aantal raadsleden, inclusief burgemeester en schepenen, bedroeg 7 in gemeenten beneden 1.000 inwoners, 9 in die van 1.000-3.000, 11 in die van 3.000-10.000 etc... en tenslotte 31 in die van 70.000 en meer inwoners. De gemeentesecretaris werd volgens de gemeentewet van 30 maart 1836 door de gemeenteraad benoemd, welke benoeming moest worden goedgekeurd door de députation permanente du conceil provincial.
De eerste benoeming van de secretaris geschiedde bij koninklijk besluit. De gemeente-ontvanger werd eveneens door de gemeenteraad benoemd, onder goedkeuring van de députation permanente du conceil provincial.
Na de ingevolge het Londens tractaat van 19 april 1839 wederinbezitneming van Limburg door de Nederlandse koning Willem I, d.d. 22 juni 1839, en de opname van Limburg als hertogdom in de Duitse bond, d.d. 5 september 1839, werd de Nederlandse grondwet bij koninklijk besluit van 24 september 1840 voor Limburg van kracht verklaard. * 
Voordien echter waren er al voorlopige bestuursmaatregelen getroffen o.a. dat alle bestaande werkzame ambtenaren zonder onderscheid of uitzondering, in de weder in het bezit genomen landstreken van Limburg, aanvankelijk en tot zolang daaromtrent nader zou zijn beschikt, hun bedieningen bleven uitoefenen. Ook na de van kracht verklaring van de grondwet kwamen er nog verschillende wetten omtrent het plaatselijke bestuur in de provincie tot stand. We vatten deze besluiten en wetten voor wat betreft de benoeming van burgemeester, schepenen, raadsleden, secretaris en ontvanger gemakshalve als volgt kort samen:
De burgemeester bleef benoemd worden door de koning
De schepenen werden benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopige bestuur, later door de staatsraad gouverneur van het hertogdom.
De raadsleden werden benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopig bestuur, en vanaf 28 september 1841 door gedeputeerde staten.
De secretaris werd benoemd door de koning.
De ontvanger werd benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopig bestuur, en later door de staadsraad gouverneur van het hertogdom.
De grondwet van 1848 en de daartoe geëiste gemeentewet van 29 juni 1851, Stbl. No. 85, stellen de raad aan het hoofd van de gemeente. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een gemeenteraad, een college van burgemeester en wethouders een een burgemeester. De leden van de raad worden gekozen door de inwoners der gemeente volgens censuskiesrecht. De raadsleden hebben zitting gedurende 6 jaar; een derde van hen treedt om de twee jaar af en zijn weer herkiesbaar. De wethouders worden door de raad uit zijn midden benoemd; ze worden gekozen voor zes jaar, de helft treedt om de drie jaar af en zijn weer herkiesbaar. De burgemeester wordt door de koning benoemd voor de tijd van 6 jaar; hij kan na verloop van die tijd herbenoemd worden.
Het aantal raadsleden bedraagt, onverschillig of de burgemeester al dan niet lid van de raad is, 7 in gemeenten onder 3.000, 11 in gemeenten van 3.000-6.000, 13 in gemeetnen van 6.000-10.000 etc. en tenslotte 45 in gemeenten boven de 200.000 inwoners. De gemeentesecretaris wordt door de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, benoemd, geschorst of ontslagen. De burgemeester, tot secretaris benoemd, wordt als zodanig niet dan met goedkeuring van de Kroon geschorst of ontslagen. De gemeente-ontvanger wordt eveneens door de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, benoemd, geschorst of ontslagen.
De grondwet van 1848 en de gemeentewet van 1851 zijn, met inbegrip van hun vele wijzigingen, nog steeds de grondslag voor de huidige samenstelling van het plaatselijk bestuur. De voornaamste wijzigingen in verband met het hierboven behandelde zijn: het algemeen kiesrecht, de zittingsperiode van 4 jaar voor zowel de gemeenteraad als de wethouders en de afschaffing der periodieke aftreding.
1.2.  Verantwoording van de ordening en inventarisatie
In deze inventaris zijn de archieven van de gemeente Born uit de periode 1683-1937 beschreven.
Met ingang van 1 januari 1938 werd in Born het registratuurstelsel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ingevoerd voor de ordening van het gemeentearchief. De diep ingrijpende wijziging die de invoering van dit stelsel in de wijze van ordening pleegt te brengen was aanleiding om 31 december 1937 als einddatum te nemen voor de ordening en inventarisatie van de oude archieven van Born. Een enkele keer is, waar dit wenselijk of noodzakelijk was, van deze einddatum afgeweken.
We zullen eerst een ogenblik stil staan bij de lotgevallen van de Bornse archieven in de loop der tijd, voor zover althans bekend.
Er is een inventaris bewaard gebleven van de archiefstukken die oud-burgemeester J. Paulssen in 1813 overdroeg aan zijn opvolger G.R. Hausmans (inv.nr. 115). De inventaris bevat een eenvoudige opsomming van de overgedragen stukken en telt 137 nummers. Diverse van deze stukken treffen we thans nog aan, zoals de registers van de burgerlijke stand en lijsten van conscriptieplichtigen.
Volgens het gemeenteverslag van 1852 (inv.nr. 63) werd er dat jaar een inventaris van de archieven opgemaakt in duplo, doch deze inventaris is niet bewaard gebleven. De gemeenteverslagen uit die periode 1880-1923 (daarvóór zijn alleen die van 1851 en 1852 bewaard gebleven) vermelden onder het kopje "Archieven" helemaal niets of slechts "nihil", "niets"of "geene".
Wanneer de rijksarchivaris in Limburg, belast met de inspectie der gemeente- en waterschapsarchieven in de provincie, de gemeente in 1924 voor het eerst bezoekt, treft hij de archieven aan in een afzonderlijk vertrek van het raadhuis, gelegen boven het schoolgebouw te Buchten. Na een opsomming van de aangetroffen archiefstukken beëindigt hij zijn inspectierapport letterlijk: "Er wordt blijkbaar zorg besteed aan de archivalia en belangstelling er voor getoond. Jammer dat dit niet met meer kennis van zaken geschiedt, dat er zelfs niet eenige metehode is gevolgd." (archief Inspectie, Born d/1).
Volgens het inspectierapport van voornoemde rijksarchivaris uit 1931 werd in 1925 heet stelsel Gouverneur ingevoerd voor de ordening der lopende stukken en werden de archiefstukken van vóór 1925 enigszins methodisch geplaatst en wer er een lijst van opgemaakt. (Born d/2) Dit vormde voor de gemeente aanleiding om in de gemeenteverslagen van de jaren 1926-1930 telkens te vermelden dat de archieven in behoorlijke of goed toestand verkeerden. Uit het inspectierapport van 1937 blijkt echter dat de stukken van vóór 1925 slechts ten dele waren geordend en dat vrij veel stukken in grote wanorde waren geborgen in een paar kisten. Verder bleek het in 1925 ingevoerde stelsel Gouverneur niet te zijn volgehouden, zodat de stukken van na 1925 in vrij ordeloze staat verkeerden. Wel beschikte de gemeente inmiddels over een brandvrije archiefbewaarplaats. (Born d/3)
In 1938 werd het registratuurstelsel der Vereniging van Nederlandse Gemeenten ingevoerd voor de ordening van de stukken van de lopende dienst (Born d/4) en in 1948 bleken alle stukken uit het oudere archief omgewerkt volgens dit stelsel en was er een voorlopige inventaris van samengesteld. (Born d/5)
In het parochie-archief van Buchten bevinden zich divers stukken uit het gemeente-archief. Deze archiefstukken werden gefotocopieerd in de jaren '80 en deze copieën zijn opgenomen in het archief en in de inventaris beschreven. Voor het archief van het ambt Born wordt ook verwezen naar R.M. Delahaye e.a., De archieven in Limburg. Alphen aan den Rijn, 1986, blz. 26.
We zullen nu onze aandacht gaan vestigen op de ordening en inventarisatie van de archieven van de gemeente Born van vóór 1938. Bij de ordening en inventarisatie werd de "Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven", samengesteld door S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th.Az. als uitgangspunt genomen.
Voor de gebruikte terminologie wordt verwezen naar het "Lexicon van Nederlandse Archieftermen". Bij platselijke benamingen is meestal de schrijfwijze aangehouden, die in de archiefstukken voorkomt. Overeenkomstig het bestemmingsbeginsel werden als afzonderlijke archieven geordend en geïnventariseerd de archieven van: het ambt Born; het gemeentebestuur, gevormd onder beheer van de gemeentesecretaris; de gemeenteontvanger; het burgerlijk armbestuur; de ambtenaar van de burgerlijke stand; het kadaster. Daar er van het archief van Born als onderdeel van het kanton Sittard slechts een rol van de grondbelasting (inv.nr. 407) en een rol van de belasting op deuren en vensters (inv.nr. 414) bewaard zijn gebleven, zijn deze stukken niet beschreven in een afzonderlijke inventaris, maar opgenomen in het archief van het gemeentebestuur, gevormd onder beheer van de gemeentesecretaris.
Bij de ordening en indeling van de stukken van bijzondere aard in het archief van het gemeentebestuur, gevormd onder beheer van de gemeentesecretaris, werd de Code archiefordening en documentatie voor de overheidsadministratie als uitgangspunt genomen.
Voor een goede handhaving in de toekomst van de verkregen orde werden alle stukken, omslagen, delen, enz. doorlopend genummerd.
Om de kostbare archiefruimte zo goed mogelijk te benutten en om een beter overzicht van het archief te krijgen werden de stukken, die zowel voor de administratie als voor de geschiedenis van geen belang meer waren uit het archief verwijderd en vernietigd. Hierbij werd toegepast de "Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende bescheiden uit de archieven van gemeentelijke en intergemeentelijke organen, dagtekenende van na 1850" (Staatscourant 20 dec. 1893, nr. 247).
Achteraan in deze inventaris zijn een klapper op de eigennamen en een klapper op zaken en onderwerpen opgenomen. Op deze verantwoording volgt, ter meerdere duidelijkheid, een overzicht van de indeling der archieven.
De in deze inventaris beschreven archieven van de gemeente Born hebben een lengte van ongeveer 11 strekkende meter en worden bewaard in de brandvrije archiefbewaarplaats ten gemeentehuize van Born.
Maastricht, 31 maart 1999
W. van Mulken
 
 
 
 
 
120   Bestuursarchief Gemeente Born, 1683-1937
3.1.  Stukken van algemene aard
3.2.  Stukken van bijzondere aard
 
 
 
 
 
120   Bestuursarchief Gemeente Born, 1683-1937
Grootboeken van inkomsten
Grootboeken van uitgaven
 
 
 
 
 
120   Bestuursarchief Gemeente Born, 1683-1937
Datering:
  1683-1937
Omvang:
  14
Status: